Wat tussen de regels bleef.
Proloog
Elke familie heeft zijn stormen; de familie van mijn vrouw had zijn dwangmatige polemisten. De oudste was psychiater en wist al bij het binnenkomen hoe het gesprek zou aflopen. Dat hij het hoogste woord had, beschouwde hij niet als een karaktertrek van hemzelf, maar als een symptoom van de tekortkomingen van de anderen. De tweede was bankier en woog alles af tegen rente en looptijd. De derde was priester en sprak met het volste vertrouwen over het eeuwige leven, zoals anderen over het weer. En de jongste, de kunstenaar, had geen status om zich op te beroepen en voelde zich steeds weer gedwongen zijn waarde te bewijzen. Wat een verschil met de rustige, wijze man die ik later leerde kennen als mijn schoonvader.
Hun onderwerpen waren nooit klein: erfzonde, schuld, de prijs van een leven, de zin van het lijden… en dat op een communiefeest of een trouwpartij, tussen de taarten en de tantes, de koekjes en de kinderen.
En wie hen zo bezig hoorde, hun stemmen verheffend boven het feestgedruis, zou denken dat het om ruzie ging. Maar ‘de kunst van het debat’ was een oude, vermoeiende gewoonte van broers die ooit zaten te argumenteren, in de keuken, aan tafel bij moeder en vader en bij hun overstemde zussen. Het was geen keuze, het was een verslaving.
H1
Het was in 2010, drie weken voor zijn vijfentachtigste verjaardag, dat mijn schoonvader overleed. Bij het opruimen van zijn woning heb ik alle documenten en foto's met betrekking tot zijn levensloop zorgvuldig in dozen opgeborgen.
Omdat andere zaken altijd weer voorrang kregen, stapelden de jaren van uitstel zich op. Een stemmetje in het achterhoofd drong voortdurend aan om zijn kunstwerken te inventariseren en de artistieke nalatenschap te ontsluiten. Tevergeefs, zo leek het.
Pas wanneer ik zelf door zware gezondheidsproblemen een paar keer met de finish van mijn eigen pad had geflirt, heb ik me aan het werk gezet.
Een jaar lang gegevens van honderden werken opzoeken en invoeren in een databank. Vervolgens de bijhorende website aan de liefhebbers aanbieden met het volledige oeuvre en boeiende teksten van de kunstenaar.
Bij het verder uitpluizen van zijn paperassen ontdekte ik nog allerhande krabbels en schetsen, facturen en brieven.
En af en toe een verborgen parel…
H2
Zo viel mijn oog op de briefwisseling tussen de kunstenaar René en de priester Henri. De twee jongste broers hadden hun oudere broers, de psychiater Marcel en de bankier Jos, reeds jaren eerder verloren. Van hen in de correspondentie geen spoor. Aldus waren Henri en René de laatste musketiers, en dat wisten ze.
Als kinderen waren ze vier handen op een buik. Op zijn veertiende schreef René zich eigenzinnig in aan de Academie voor Schone Kunsten, dwars tegen zijn katholieke familie in. Henri zag zijn beste vriend “afdwalen” en trok na het college naar het seminarie, terwijl de jongere zussen nonnetjes werden. Wat was daarvan blijven hangen in de herinnering van deze oude mannen? Spontaan noem ik hen oude mannen, maar ik ben nu al ouder dan zij eind jaren ’90. De prangende vraag is: wat maakte dat de broers plotseling naar pen en papier grepen?
Zonder een diploma kalligrafie op zak valt het lezen van die handschriften niet mee. Maar ik ben de laatste die daarover mag klagen: mijn hanenpoten zijn niet om aan te zien. Als het echt een keer met de hand moet, dan neem ik zelfs mijn toevlucht tot blokletters. Nee, dan mogen deze beide heren bogen op een “karaktervol” geschrift, dat mits geduld wel te ontcijferen valt.
Een groter probleem vind ik het feit dat slechts twee derde van de brieven gedateerd is. Want waar horen chronologisch die overige wezen nu thuis? Hier en daar, wanneer een concrete vraag werd gesteld en er een duidelijk antwoord op werd gegeven, lukt het ordenen nog. Maar vaak heb ik er het raden naar. En dan zijn er de brieven met meerdere versies: niet alleen hield mijn schoonvader kopieën bij van wat hij verstuurde. Hij schreef zoals hij beeldhouwde of tekende, steeds op zoek naar de perfectie, dus gummen en verbeteren.
De lectuur van hun correspondentie stimuleerde mij om er een 'epistolair verhaal' van te maken, een verslag van hun briefgesprek. Ik heb de vrijheid genomen om met uittreksels uit de tientallen brieven een verkorte briefwisseling samen te stellen. Ik heb niets verzonnen, wel gekozen tussen fragmenten én tussen versies. Ik heb laten liggen wat minder ter zake deed, zonder inhoudelijk hun gedachtegang aan te tasten of hun woordkeuze te vertekenen.
H3
Het openingssalvo komt van Henri. In 1981 had hij zijn pastoorsopdracht in Sint-Andries opgegeven en in Antwerpen een afdeling van de Fraterniteit van Jeruzalem gesticht. Dertien jaar later besluit hij om daar de fakkel door te geven en zich terug te trekken bij gelijkgezinde broeders en zusters in Frankrijk.
En dan, ver van de plek van zijn wortels, begint het na een tijdje te kriebelen.
René,
Ik ben nu bijna drie maanden in Frankrijk, en ik heb het hier goed. Deze maand in het bijzonder, aangezien we de hitte in Blois hebben ontvlucht en even zijn uitgeweken naar La Ferté-Imbault, tussen konijnen, fazanten, eenden, reigers, hinden en everzwijnen.
Ik vind dat ik hier goed aard. Ik kan veel meer doen, omdat ik geen beleid meer moet voeren. “Niet de occupaties, maar de preoccupaties vermoeien een mens,” leerde een Jesuïet me, nadat hij uit Dachau was thuisgekomen.
Ik leer hier ook veel: geconfronteerd met uzelf kunt ge daar niet aan ontsnappen. Ik doe nu ook uitstappen per fiets. Het was 20 jaar geleden dat ik nog gefietst had. De kortste tocht langs openbare weg is ongeveer 15 km. Daar ziet ge dan geen mens. Heerlijk. Ik moet heel de dag aan Pallieter denken… en God danken. De God van het leven. Dat wil dus zeggen: dat ge zelfs op 71 jaar nog kunt genieten. Als monnik!
Ik weet niet hoeveel tijd een brief van hier nodig heeft om in Kontich te geraken. ’t Beste nog voor Carly, voor u, voor uw kroost en uw schoonkroost.
Ik geef er veel voor, opdat er een stuk vervreemding tussen ons zou verdwijnen.
Henri
H4
Met die eerste brief heeft Henri iets in gang gezet. Het is een zeer positief verslag van zijn nieuwe, monastieke levenswijze. Wie zo uitgebreid vertelt dat hij gelukkig is, wil dat de ander gelooft dat hij niets nodig heeft. Marcel zou vermoedelijk zeggen: hij prijst de eenzaamheid, maar schrijft tegelijk uit eenzaamheid. Carly in de begroeting is Henri’s koosnaampje voor Caroline, de vrouw van René, mijn schoonmama.
Een reactie laat niet lang op zich wachten.
Henri,
Verschillen scheiden, maar het gelijke verbindt. Verschillen danken we aan onze persoonlijkheid en aan onze levensloop. Maar verschillen hoeven niet tot geschillen uit te groeien. Wat zou het ons opleveren moesten we iets waardevols dat we gemeenschappelijk hebben beklemtonen?
Ik heb een vraag aan u. Wanneer noem je iemand priester, en waarom? Wat is volgens u een priester? Het zou teruggaan op het Griekse ‘presbuteros’, wat de ouderling betekent. Ik maak nu een associatie met de eerste kennismaking met mijn leraar Henri Puvrez. Hij zei: “We zijn elkander gelijk, want leerling en leraar zijn kunstenaars. Alleen, ik ben wat ouder en heb meer ervaring, daarom kan ik uw leraar zijn.” Was hij zogezien een priester?
Nog in verband met Puvrez. Hij was een heel knap portretbeeldhouwer. Toch heb ik geen enkel van mijn portretten “onder zijn leiding” gemaakt. Zijn kracht als leraar was dat hij de ander kon zien. Als je een beeldhouwwerk maakt, dan is, afgezien van de voorstelling zelf, dat wat je eigenlijk bedoelt niet te benoemen. Dat maakt het leraarschap zo moeilijk. Maar Puvrez kon met zijn hand het beeld aanraken daar waar het iets van mijn geheim (dat niet te benoemen was) prijsgaf aan de kijker. Zo zag hij mij. Hij gaf mij recht op bestaan, zonder voorwaarden op te leggen.
Mijn tweede leraar (eigenlijk op dezelfde grond) was dr. Zeylmans, een psychiater. Je weet dat ik antimilitarist was en tevergeefse dienstweigeraar. Negentien of twintig maanden heb ik rondgelopen in soldatenplunje. Toen Zeylmans me zo zag, kwam hij met een breed amicaal gebaar naar me toe en zei: 'Wat zie ik, dat gij u vermomd hebt!' Zo heb ik twee prachtige leraren gehad, omdat ik hun leerling wilde zijn.
Net op tijd, overigens. Kort tevoren had onze pa mij gevraagd in het leger te blijven, want nu had ik tenminste kleding en eten en ik was proper.
Groeten vanuit Kontich,
René
De warme opening van Henri met zijn bucolische tafereel wordt koeltjes beantwoord. René stapt meteen op het terrein van de definities, een oude gewoonte van de familie. Zijn vraag: wat is een priester, lijkt meer een tegenzet in een schaakspel, en is misschien niet zo onschuldig.
In het slot van dit briefje klinkt iets door van de pijn die de kunstenaar reeds zesenvijftig jaar met zich meedraagt. Zijn keuze om een artistieke loopbaan na te streven werd immers thuis niet in dank afgenomen. Ooit vertelde hij dat in de familiekring ’s avonds een weesgegroetje werd gebeden “voor de bekering van onze René”.
H5
Ik ben zeer benieuwd hoe Henri gaat reageren op dat pastoorschap. En wat met de pijnlijke thuissituatie die René ooit ontvluchtte en nu bedekt te berde bracht? Die zal Henri zich zeker ook herinneren, maar wellicht anders.
René,
Toen ik thuiskwam, lag uw brief hier. Ik was er blij mee.
Priester komt inderdaad van presbyteros, de oudere, maar kreeg een technische betekenis. De eerste christenen gebruikten het woord “sacerdos” (dat ook priester vertaald wordt) om zich te onderscheiden van de Joodse priesters die dieren- en vruchtenoffers opdroegen, en nog meer van de afgodenpriesters.
Voor mij is een katholieke priester dus iemand die gemandateerd is door de bisschop voor drie taken, zoals in de inwijdingsplechtigheid wordt gezegd: voorgaan in de dienst, onderrichten en vormen van christenen, en besturen van de gemeenschap die hem toegewezen is.
Ik ben ook blij met de rest van uw brief; hij verheldert mijn geheugen en wijst op de hiaten in wat er toen gebeurd is. Ik moet erkennen dat ik nooit vermoed heb hoe ernstig gij geleden hebt onder het onbegrip van papa.
Ik heb altijd gevonden dat we het thuis niet gemakkelijk hadden, maar dat we er toch in geslaagd zijn om elk onze weg te vinden. Thuis werd veel ruzie gemaakt, maar ik heb tenslotte begrepen dat papa en mama het heel moeilijk hadden. Een van mijn voornemens in het leven was dan ook dat ik het als priester niet gemakkelijker moest hebben dan zij. Met andere woorden: leven in onthouding, in armoede en in gehoorzaamheid.
Ik heb me altijd vrij gevoeld, niet gebonden aan mijn werk. Vrij voor God en de mensen. Mijn bedoeling is altijd geweest om vrij te blijven en onbekommerd. Natuurlijk was dat enkel mogelijk doordat ik een “inkomen” had. En ik was blij veel te kunnen “geven”. Al is zichzelf geven nog belangrijker.
Ik had wel graag wat nieuws over uw werk. Eigenlijk heb ik in uw werk nooit rancunes gewaar geworden, maar steeds gevonden dat het heel open en rustig was, “belegen” om in termen van wijn te spreken.
Groet iedereen van me.
Henri
Wat een bekentenis: hij geeft toe, hij had het niet gezien. Henri antwoordt op René's pijn door de zijne ernaast te leggen, als de enige manier die hij kent om te zeggen: ik zat er ook in. Is dat toenadering? Of zou dat een schuchtere poging zijn om te zeggen dat de keuze van een religieuze loopbaan niet geheel vrijwillig was? Is dan “Ik heb me altijd vrij gevoeld” eerder een wens dan de waarheid? Of erger: een vorm van zelfbedrog nodig om te kunnen leven met die keuze? Is hij priester geworden uit loyaliteit en solidariteit met zijn diepgelovige ouders?
Henri noemt het werk van zijn broer belegen. Zeker goed bedoeld, maar mij lijkt bedaagd of weloverwogen meer gepast. Ik heb de kunstenaar goed gekend. Hij was een denker, een creatieve filosoof. Het was iemand die niet enkel talent en gevoel combineerde, maar daar ook zijn hersenen bij gebruikte.
H6
Midden jaren negentig was een bijzonder drukke periode voor de kunstenaar. Hij kon genieten van het succes bij pers en publiek van diverse retrospectieve exposities ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Maar in een verborgen hoekje van zijn geest bleek toch een schurende pijnplek te zitten.
Henri,
Je hebt een mooi, leesbaar handschrift. Voor mij ligt dat anders: ik schrijf wel graag, maar het vraagt me veel inspanning om leesbaar te schrijven.
Over werk gesproken dat nog naar ons toekomt: misschien, zo denk ik, moeten we op onze leeftijd intuïtief leren kiezen wat we doen en laten. Het verwezenlijken van projecten die ik nu nog opzet, vind ik erg stresserend.
Wat is eigenlijk de reden van uw impliciete weigering om in te gaan op wat in het diepere zelf van een ander (in dit geval bij mij) leeft? Hoe komt het dat jij al die jaren, noch uit belangstelling, noch uit bezorgdheid, nooit hebt gevraagd of ik het wel klaarspeelde om te blijven leven met “de ersatz van de kunst” (sic) en zonder dat wat jij hebt: "dat waar het om gaat” (sic)?
Misschien wil de regel van uw orde dat je niet ingaat op zelfstandig vrij denken. Kies je daarvoor, dan heb ik daar geen zaken mee, maar je zou me dat dan best eens kunnen zeggen.
Herman Hesse schreef dat de deugd die hij het hoogste acht de eigenzinnigheid is. Uit het persoonlijke denken, voelen en willen eigenzinnigheid puren, vind je dat niet mooi? Alles wat niet uit het persoonlijke tot eigenzinnigheid gepuurd werd, is loze vermomming. Weet je, Henri, uzelf wegstoppen achter beleefdheid is niet bevorderlijk voor wederzijds begrip. Voortdurend letten op wat je denkt, zegt of schrijft om niemand te kwetsen, vind ik misplaatste goede wil. Want, wie heeft er wat aan? Het is bovendien niet uitgesloten dat we onszelf frustreren uit angst gekwetst te worden door het oordeel van de anderen.
Ik zeg: ik ben vader, ik ben leraar, inspecteur, artiest en dies meer, maar als dat allemaal definitief voorbij zal zijn, dan ben ik toch nog steeds ‘ik’. Als ik mijzelf ‘ik’ blijf noemen, betreed ik een zijnsgebied. Het is een bron van schoonheid en misschien ook wel van morele impulsen. Maar dit vraagt voortdurend om bevestiging. Daarom stel ik het zuivere denken zo op prijs. Daarom hou ik van zuivere vormgeving in mijn beeldhouwwerk. Ik beleef mijn werk als een bevestiging van mijn bestaan. Al werkend tracht ik te bewijzen dat het waar is wat ik denk.
Laten we het zo stellen: geen van beiden zijn we wezenlijk afgeweken van wat we in onze jeugd als onze roeping beschouwden. Beiden hebben we genoten van de wandeling van onze levensweg zonder ons aan de bijbehorende verantwoordelijkheden te onttrekken. Elke levensweg ligt uiteraard bezaaid met moeilijkheden en geeft onvoorziene wendingen met wisselend zicht.
Wetende dat we beiden nog onderweg zijn, laten we niet stilstaan. Onze wegen hebben elkander gekruisd en nu gaan we weer verder.
Ik verwacht een echt antwoord.
Groeten van uw broer,
René
De kunstenaar wil geen hoffelijke afstand bewaren. Hij wil een mens zien, zijn broer zien. René citeert uit een eerder gesprek ook Henri’s woorden, met de tanden op elkaar. En zijn werk is helemaal geen surrogaat; het is de bevestiging van zijn bestaan en van zijn geloof in het ‘ik’. Met zijn eerlijke, scherpe visie confronteert hij Henri. Wat Henri hierop zal antwoorden, hangt af van wat hij onder een 'echt antwoord' verstaat.
H7
René maakt van Henri’s volgende brief een examen. Na zo’n slot kun je niet zomaar antwoorden. Dat Henri het toch doet, en dat hij Renés eigen woorden terugspeelt, zegt al veel voor hij iets heeft uitgelegd.
René,
Dank voor uw brief. Om er serieus op te antwoorden, wordt het een gans boek. Ik vind het ook moeilijk dat ik niet weet welk uw bedoeling is. Het komt nogal over als een manier om mij te laten inzien hoe zinloos mijn leven zou zijn. Maar het kan ook uit andere motieven komen, zoals “ik wil werkelijk begrijpen wat gij beleeft”. Het is goed dat gevoelens geuit worden.
Uw invloed is heel groot geweest: ge hebt mijn vanzelfsprekende geloof bevraagd. We leefden in die tijd in een gesloten kastencultuur die nu voorbij is. Eigenlijk heb ik in mijn collegetijd geen enkel contact gehad met ongelovigen of met mensen uit een ander schoolcircuit dan het katholieke. Tenzij met u.
Bestaat er een andere manier van geloven dan zoekend en tastend? Ik herinner mij onze avond- en nachtgesprekken, en dat ge me in het tweede jaar filosofie (’46-’47) een brochure gaf van Rudolf Steiner over Thomas van Aquino, die ik meenam naar het seminarie en liet lezen aan mijn prof van metafysica. Filosofie was eigenlijk voor mij geen vak dat ik moest volgen om priester te worden, maar ik deed het uit interesse en het zoeken naar het filosofische probleem van een persoonlijk of pantheïstisch godsbeeld.
Ik heb de indruk dat ge denkt dat ik in een sekte verzeild ben waar men niet zelfstandig mag denken. Als ik zo overkom, dan wordt het heel moeilijk om dat te corrigeren. Het moet dan toch een heel brede sekte zijn! Een die erkend is en begeleid wordt door bijvoorbeeld de voorzitter van de Franse Assemblée Générale en door de pauselijke nuntius; waar filosoof en theoloog Xavier Lacroix kwam spreken en nog een Franse minister over zijn ervaring als stichter van “Médecins Sans Frontières”, enzovoort. En jaarlijks kopen we zo’n honderd boeken aan die gelezen worden; dat zegt genoeg.
Gij eindigt uw brief met: “Ik verwacht een echt antwoord”. Vondt ge mijn vorige schrijven dan onecht? Misschien ben ik zo. In elk geval, ik schrijf en spreek in mijn sermoenen enkel wat ik “echt” vind. Ik moet ze eerst uitgeschreven hebben en er tevreden mee zijn voor ik tot rust kom.
Groet Carly van mij. Graag wist ik meer over haar broer, de godsdienstleraar.
Henri
Zou dit het antwoord zijn dat René had verwacht? Hij krijgt van Henri een beschuldiging (je noemt mijn leven zinloos), die meteen weer wordt ingetrokken (misschien wil je begrijpen). Daarop volgt een geschenk (je had grote invloed, je deed ertoe). En dan zegt hij: geloven is zoeken, en zoeken is geloven. Het klinkt als een echt antwoord: ik denk wél zelfstandig, want ik zoek en ik tast, dat is mijn geloof.
Maar vervolgens gaat zijn betoog weer aan het wankelen met de zwakke verdediging van de Fraterniteit. Ontroerend eerlijk is waar hij zegt: ik klink misschien onecht, maar ik doe mijn best. Is dat zijn eerlijke wederwoord? Of is het andermaal een ontwijking, ditmaal vermomd als openheid?
En dan de pijnlijke uitsmijter nog: die vraag naar de godsdienstleraar. Het is de enige vraag die hij stelt, afgezien van de retorische vraag over geloven. Maar hij stelt ze niet aan zijn broer, wel aan diens vrouw, over iemand anders, over een buitenstaander.
H8
In een correspondentie, zelfs in één die familiaal of intiem te noemen is, komen af en toe vreemde, delicate onderwerpen aan bod. Zeker wanneer een kunstenaar zijn aparte manier van kijken openbaart.
Henri,
Ik ben Gilberte tegengekomen. Die is sinds het overlijden van Jos, vier jaar geleden, nog niet veel “onder de mensen geweest”. Ze heeft het kwaad gehad, maar houdt zich heel sterk. Ik herinner me dat ze ons belde nadat Jos in de loop van de nacht overleden was. Toen wij daar aankwamen, was Jos al weggehaald. Men had haar gezegd dat dat zo moest volgens de nieuwe wet op orgaandonatie.
Vroeger kon je een dode nog thuis houden en drie dagen lang aanschouwen. Je kon beleven hoe het lichaam, bevrijd van pijn, tot rust kwam. Hoe de vormkracht zich terugtrok. Angst en bewustzijn vervaagden de sporen die het leven op het gelaat had achtergelaten. Het dodenmasker droeg een grote ernst (hoogst uitzonderlijk was er een schijn van een glimlach, die natuurlijk geen glimlach was). Wanneer de dood zich niet gewelddadig had voltrokken, kon er een tijdloosheid zichtbaar worden. De uitdrukking van de overledene werd niet meer van binnenuit door het vroegere bewustzijn bewogen, noch van buitenaf door het komende verval.
Als student was ik geïnteresseerd aan de wijziging van de vorm van het menselijke lichaam door de dood. Ik liet me toen uitnodigen om aanwezig te zijn bij het wassen en verzorgen van de doden in een kliniek. Zo ontstond bij mij meer begrip voor de anatomie en de invloed van het skelet op de vorm.
De wereld is enorm boeiend en er zijn te weinig mensen die écht zien. Zo nu en dan ben ik in het verzet. Er gaat veel verloren aan schoonheid. En in ruil voor wat?
Nu maar hopen dat deze brief niet al te somber overkomt. Graag verneem ik of jij nog herinnering hebt aan de bijzondere schoonheid van dat unieke moment.
Jij was drieëntwintig toen onze zus Minneke op haar veertiende overleed. Herinner jij je dat overlijden nog en zoals ze was op haar doodsbed? Ze was nog zo jong en had zo goed als geen doodstrijd gekend. Heb jij dat ook zo mooi gevonden?
Vanuit uw beroep heb je vast en zeker heel wat mensen op hun doodsbed gezien. Herinner jij je iets gemerkt te hebben van dat schone waarover ik het hier heb?
In de hoop u spoedig te lezen,
René
Het overlijden van hun jongste zus is voor het eerst de gedeelde kindertijd die terugkomt, en het is een verdriet dat alleen deze twee broers kunnen delen. René stelt vragen over de schoonheid van het doodsbed, aan een man die dat beroepshalve vaak onder ogen kreeg. Het had zeer boeiend geweest om de ervaring, de visie en de gevoelens van een pastoor over dit thema te lezen. Helaas heb ik geen antwoord van Henri hierop gevonden. Kon of wilde hij niet reageren? Uiteraard is het evenzeer mogelijk dat of de brief van René of die met de reactie van Henri in de post verloren is gegaan.
H9
Kunstenaar René stuurde een vraag over de dood maar krijgt van priester Henri ‘een levensverhaal’ retour. Geheel onverwacht en vlak voor de viering van zijn 45 jaar priesterschap, op 22 juli 1996, presenteert Henri een soort autobiografie, die hij de hele familie toestuurt.
…
De periode thuis, de retraites in de Abdij van Drongen en het seminarie, is in mijn herinnering een tijd waarin de band met God op een wonderlijke wijze alle moeilijkheden overwon. Ik heb dan ook geen enkele rancune aan die periode overgehouden. Wel herinneringen aan minder mooie dingen, maar ook aan veel intimiteit met God.
Het uiteengroeien met René omwille van zijn antroposofie waar ik niet in kon komen, was mijn grootste pijn. Ik voelde me toen met hem erg verwant en leed dus ook onder die grote vervreemding. Ik hoop nog steeds op een hervinden van die fundamentele eenheid in ons geloof.
Ik heb mooie herinneringen aan mijn periode als onderpastoor in Achterbos. Het was een periode van ontdekking: een jeugd om van te houden met al wat ik in mijn opvoeding gekregen had, en dat hier ineens uitzonderlijk bleek. Het leren kennen van al die mensen met hun familieverbanden, en het zicht op de binnenkant van mensen die door de biecht door mij soms intiemer gekend waren dan door hun 'naasten'. Ook dat was een periode van ingroei, van intimiteit met God, en van bewustwording van waartoe ik in staat was.
Het is opmerkelijk dat juist als pastoor in Ginderbuiten het evenwicht verstoord ging worden. Dat de vragen zonder antwoord groeiden, dat de 'natuurlijke band' met God ondermijnd werd, terwijl ik volop goed presteerde.
Die crisis zou duren tot in 1981. Wat had mijn werk te maken met de 'blijde boodschap'? Raakte mijn gebed werkelijk God, of was de mens opgesloten in zichzelf? Was God slechts 'mijn idee'? Het was door de voldoening die mijn taak me gaf dat die twijfel niet overheerste, maar me wel uitputte.
In de Sint-Andriesparochie groeide die geestelijke uitputting verder. Het was een periode van agonie: "God, waarom hebt ge mij verlaten?" Alleen verstond ik dat toen niet. Een periode dus van existentieel lijden, van vereenzaming, verergerd door mijn fysische aftakeling. En ondertussen vond men mij een 'goede priester'. Ik speelde geen komedie, maar ik was eenzaam, daar niemand mij doorzag.
Heel diep in mij was er de overtuiging dat ik geen antwoord moest zoeken buiten de Kerk, maar veeleer in het centrum van de Kerk. Ik kon niet meer ontsnappen aan een periode van herbezinning en mijn bisschop stond me een sabbatsjaar toe: Frankrijk, Polen (en daar, en passant, het huwelijk van Herbert, de zoon van Jos) en dan nog drie maanden in de abdij van Tongerlo als gast. Ik heb daar mijn weg teruggevonden.
Toen begon mijn monastieke periode. Na die bevraging en uitzuivering volgde een periode van bevestiging, ontplooiing, vrede en vervulling. En alle gezondheidsproblemen doen daar niets aan af.
Mijn ervaring is dat de mens filosofisch opgesloten is geraakt in zijn eigen gedachtenwereld. Het is de liefde alleen die die kerker doorbreekt. Marcel zei wel dat liefde een illusie was en zelfbedrog. Ik geloof het niet. Liefde leert men door de ervaring dat men bemind wordt. En daar was ik van overtuigd: ik had die ervaring opgedaan in mijn jeugd. God beminde mij.
Daarom kan ik met veel dankbaarheid mijn 45 jaar priesterschap vieren. Ik kan alleen maar God danken die me nooit losgelaten heeft, en de Kerk die me niet uitgestoten heeft, niettegenstaande mijn egocentrisme. Ik zal blij zijn als u mee met mij God dankt op 22 juli.
Henri
Een verrassende biecht is waarschijnlijk de beste omschrijving van deze open brief. Helaas voelden enkele familieleden zich gekwetst door de goedbedoelde oprechtheid van Henri. Vooral de uitspraak over de liefde, toegedicht aan Marcel, viel slecht, net als die opmerking over René en de antroposofie.
De beschrijving van zijn crisis rond 1981, de eenzaamheid, het gevoel niet gezien te worden, is tegelijk het antwoord op de eerdere vraag: wat zat er achter de stoere uitspraak “Ik heb me altijd vrij gevoeld”?
H10
Ik heb deze curriculumbrief meerdere keren gelezen. Eerst zag ik een man die zijn leven overschouwt. Dan een man die zijn pijn benoemt. De derde keer zag ik wat de familie zag: een man die openhartig zijn verhaal vertelt, maar daarin anderen een plaats geeft, die ze niet zelf hebben gekozen.
Hij schrijft dat hij het uiteengroeien van hem en zijn jongere broer als zijn grootste pijn beschouwt, en hij doet dat in een brief die hij naar iedereen stuurt. Zoals te verwachten was, dient René hem fel van repliek.
Henri,
Uw retrospectieve introspectie lijkt wel een brief aan uzelf gericht. Iedereen heeft een innerlijke en uiterlijke levensloop; de verschillen daartussen maken persoonlijke ontwikkeling mogelijk.
In een brief aan uzelf kun je schrijven wat je wil en kun je ook schrijven over jezelf wat je wil. Daarin kun je dan orde op zaken stellen en voor eigen gebruik ideeën en gebeurtenissen vastpinnen aan data en personen. Maar als je naar zowat alle familieleden een kopie stuurt van je egotrip-verhaal waarin Marcel zo geciteerd wordt dat hij postuum vereenzelvigd kan worden met de ontkenning van de liefde, dan komt dat over als een liefdeloze beschuldiging.
En dan noem je mij als veroorzaker van 'uw grootste pijn' door vervreemding van 'die fundamentele eenheid in ons geloof'. Dat jij en ik, volgens uw schrijven, van elkander vervreemdden door de antroposofie, is onwaar. En als jij dan dacht dat het zo was, dan was je 'grootste leed' (sic) toch te vermijden geweest door de antroposofie te bestuderen.
Ik neem aan dat je op hoge leeftijd een apologische geloofsbelijdenis hebt willen schrijven om tot rust te komen. Maar dat had ook wel gekund zonder beschuldiging van andersdenkenden in een open brief.
Ik zie het zo: onze verwantschap was te danken aan beider idealisme. De vervreemding ontstond door uw laattijdige bewustwording van mijn vroegtijdig ongeloof. Ik vermoed dat de vervreemding later groter werd door uw opkomende afkeer van het kerkgebouw als museum. Je zei toen immers: 'Ik ben geen conservator' (sic). En ook door uw mislukte levenslange poging om onze verwantschap te hervinden in 'ons geloof’ (sic).
Destijds ben je me ook nog valselijk komen beschuldigen van het vernederen van onze beide zusters Marie-Antoinette en Lieve. Die hadden met zulke minachting mijn vrouw Caroline als gastvrouw beledigd, en ze hadden zelfs niet een minimum aan elementaire beleefdheid om zich daarna te verontschuldigen!
Later zei je me dat het uw bedoeling niet was me pijn te doen, dat je je misrekend had en dat je geen negatieve gevolgen had vermoed. Dat is geen verontschuldiging. Dat is uzelf goedpraten.
Hetzelfde geldt voor uw afrekening met mij in uw curriculum vitae: je verontschuldigt je voor dat wat je misschien ‘onbewust’ gedaan hebt. Begrijp je niet dat ook dit weer een goedpraten is eerder dan een verontschuldiging?
Dat wat voor mij het meest betekende, wat me heilig is, daar heb je nooit op gereageerd. Voor u blijkbaar onbetekenend. Onze briefwisseling is geen dialoog. Het is spijtig genoeg geen kritische gedachtenwisseling geworden. Ik heb de indruk dat ik mijn gedachten aan u opdring.
Ik vermoed dat het belangrijkste van heel uw brief dat ene zinnetje is: “Ik zal blij zijn als u God mee met mij dankt”. Ik kan er wel inkomen dat je na zoveel jaren een dankbaar gevoel hebt voor het levenslot dat u beschoren was en is. Maar ik ken geen aanspreekbare God zoals jij dat beleeft.
Je kunt iets vinden dat u onbekend is. Maar je kunt niet iets zoeken dat u onbekend is. Is de vraag niet: verwijst mijn godsbeeld naar een werkelijkheid? Een antwoord op de vraag 'Bestaat God?' kan je alleen zoeken nadat je je een voorstelling hebt gevormd van dat wat je God wil noemen. Als mijn god in mijn voorstelling een scheve toren is dan kan ik de vraag stellen of die voorstelling naar een werkelijkheid verwijst. In Pisa zal ik dan het bewijs van Gods bestaan vinden.
Het beste met uw gezondheid,
René.
Daar zijn de sic’s weer: René citeert zijn broer altijd met een pincet.
Ik weet niet waar hij op doelt als hij zegt: “wat me heilig is”. Maar ik heb wel een sterk vermoeden. Voor hem is heilig wat tussen mensen waarachtig en vrij kan ontstaan: een eerlijke uitwisseling van gedachten en gevoelens, zonder dogma, hypocrisie of toneel.
Henri maakte van een broederkwestie een familiezaak. René gaat daar niet in mee: hij antwoordt in een persoonlijke brief, niet in een rondschrijven. Dat is zijn manier om te zeggen dat het gesprek, ook al is het misgelopen, van hen tweeën blijft.
H11
Na de boze brief van René had ik van Henri een verweer, een tegenaanval, of minstens een lange stilte verwacht. Ik ben verrast door wat er per kerende toekwam.
René,
Ik ben blij met uw reactie. En ik excuseer me voor mijn onhandige poging om een autobiografie te schrijven in een paar bladzijden. Het genre is me wel niet onbekend, maar gewoonlijk gebeurt dat door belangrijke figuren en niet door mensen zoals ik.
Ik weet niet of ik de bedoeling had u ermee te kwetsen. Er zijn zoveel onbewuste mogelijkheden in een mens dat ik niet durf te zeggen dat dat niet mogelijk is. Wat ons bond was een ander soort idealisme dan het filosofische. De evolutie van kerk en maatschappij heeft meegeholpen om tot een persoonlijker christendom te komen. Ik geloof niet dat ik de waarheid in pacht heb, ik alleen en de hele waarheid. Ik vind mijn relatie met God, die liefde is, wel zo belangrijk dat ik het spijtig vind dat veel mensen die relatie missen. Ik ervaar ook dat die relatie belangrijk is en invloed heeft op mijn verhouding tot anderen. Voor velen was dit enkel een denkkader.
De bedenking van Marcel over de liefde dateert van na 1982. Voor mij paste dat in het ontdekken van veel verschillende denkfouten. Ik zou ze samenvatten in het vergeten dat elke wetenschap een systeem is, een beperking van het studieobject. Een voorbeeld: het hart is een pomp, zegt men; men bestudeert dan de pompfunctie en de circulatie van het bloed. Maar het hart is zoveel meer. Door die beperking amputeert men een deel van de werkelijkheid. Het misprijzen van velen voor wat niet ‘wetenschappelijk’ is, leidt tot een gereduceerde werkelijkheid. En aangezien God geen meetbare scheve toren van Pisa is… is er geen God.
Ik ben lang beïnvloed en bevraagd geweest door theorieën die godsdienst zagen als een “vluchten voor de werkelijkheid”, tot ik inzag dat het tegenovergestelde minstens evenzeer gebeurt. Beide zijn mogelijk. Persoonlijk was het voor mij een grote ontdekking dat ik tot dan toe redeneerde met of-of, en dat het ook en-en kan zijn. Ik spreek met mezelf of ik spreek met God wordt dan (volgens een heel oude wijsheid): “Waar ge bij uzelf komt, komt ge bij God. In ’t diepst van uzelf is hij aanwezig en aanspreekbaar.”
Mijn gezondheid: na een ontsteking van de prostaat, en na een normale kuur met antibiotica, is die een maand later herbegonnen met veel pijn bij elke beweging. Maar dat is nu weer voorbij. Ondertussen was ik tien treden achterover naar beneden gevallen. Gelukkig kon ik mijn hoofd beveiligen met mijn handen, maar de vingerkootjes wezen naar de verkeerde kant. Daar heb ik nu nog pijn aan.
Ik zie op mijn oude handen; hun taak is bijna voorbij.
Brachten ze eer of schande, brachten ze vrede bij?
Zo was ongeveer het begin van het gedicht dat ik ooit koos om voor te dragen in de Retorica. Nu, Frederik van Eeden was een dichter, en ik ben dat niet.
Ik had de indruk dat bij een verjaardag op het einde van het leven (zal ik nog vijf jaar meegaan?) een retrospectie zinnig was, zoals een retrospectieve tentoonstelling soms doorgaat als men zijn leven als kunstenaar bekijkt. Natuurlijk ben ik geen kunstenaar, en mijn schrift was dus alleen maar naar mijn familie gericht. Hopelijk was deze onhandigheid niet mijn laatste. Het kan natuurlijk. Mijn curriculum vitae is, als ik het objectief bekijk, al ver gevorderd.
Ge hebt me er ook aan herinnerd hoe ik elf jaar geleden bij mijn overbruggingen tot vrede met mezelf was gekomen. Ik verzeker u dat dit nog steeds mijn levensgevoel is, dankbaar voor elke volwaardige dag, onbezorgd om mijn toekomst. Ik vertrouw op Gods liefde en barmhartigheid.
Ik wens u vrede en alle goeds, en nog veel scheppingsvreugde. Hopelijk is dit geen afscheidsbrief.
Groet Carly van mij. Ook zij zal dus geleden hebben onder mijn verhaal! Nogmaals sorry.
Henri
Een heel andere brief: Henri verdedigt zich niet, hij verontschuldigt zich. Hij is ook grappig en slaat terug met René’s wapen: de toren van Pisa.
Ik heb de twee brieven naast elkaar gelegd. René schreef: 'Als ik mij 'ik' blijf noemen, dan ontmoet ik een zijnsgebied.' Henri schreef: 'Waar ge bij uzelf komt, komt ge bij God.' Ik zou graag zeggen dat ze eigenlijk hetzelfde bedoelden. Of ze het zelf zo hadden gelezen, weet ik niet.
Henri lijkt zich er niet van bewust dat hij hier de zienswijze citeert van niemand minder dan Rudolf Steiner. Volgens de antroposoof is het hart geen pomp die het bloed rondstuwt, maar een orgaan dat de stroom remt en regelt, zoals een klep in een leiding. Het bloed zou uit zichzelf bewegen, het hart filtert uit het bloed informatie over wat het lichaam nodig heeft en de hartslag reageert dan op die noden. Deze opvatting botst met de gangbare fysiologie, waarin het hart juist de drukbron van de bloedsomloop is die het bloed actief door het lichaam pompt.
H12
Een maand later krijgt Henri dit kattebelletje uit België…
Henri,
Wel bedankt voor uw antwoord op mijn repliek op uw CV.
Je bevestigt mijn vermoeden dat uw door mij gecontesteerde brief geschreven werd met het sterven voor ogen.
Ik zal toen 18 geweest zijn en een religieus aanvoelen was me niet vreemd. Ik zong in het kerkkoor en was onder de indruk van wat de kerk voor de gelovigen betekende. In die tijd had ik er graag bij gehoord, maar dan op basis van mijn persoonlijke denken en ervaren. Wat me dus niet lukte. Nu ik dat afstandelijk bekijk, denk ik: gelukkig dat ik daaraan ontsnapt ben.
Voorlopig blijft het bij dit korte briefje. Om uw hand niet te bezeren, krijg je een schouderklopje van uw enige broer nog in leven.
weesge
Groet vanuit Kontich.
René
René had het al door dat het onverbloemde epistel van Henri geen opzettelijk kwetsen was. Hij antwoordt met een briefje van elf zinnen. Er staat bijna niets in. En toch staat alles erin. En dan een bekentenis: “toen wilde ik wel”, “het lukte me niet”, “gelukkig maar”. Het schouderklopje lijkt op een verzoening zonder woorden.
Het woordenspel aan het slot is voor mij de sleutel van de correspondentie. Vijftig jaar geleden werd er 's avonds een weesgegroetje gebeden voor de bekering van René. En nu schrijft de kunstenaar het zelf op en breekt het af. Bedoelt hij het als grap of als groet? Of is het een lidteken dat blijft jeuken? Wie zal het zeggen?
H13
De volgende brief van Henri is ongedateerd, maar kan niet veel later geschreven zijn. Hij verhuist en vertelt naar waar. Vervolgens doet hij een poging om toch nog op Renés vraag te antwoorden.
René
Ik had eigenlijk de bedoeling te wachten met schrijven tot ik verhuisd was. In plaats van op het tweede te wonen onder het dak, 50 treden hoog, zal ik beneden gaan wonen, in de nummer hiernaast. Het is tegenover een straat gelegen en ik zal daarlangs de ondergaande zon kunnen zien. Het zal er frisser zijn in de zomer en warmer in de winter dan waar ik nu verblijf. Het zijn twee woonsten van een deel van de oude abdij van Saint-Laumer. Mijn adres wordt dus Place St-Laumer nr. 8. Moest ge ooit tot hier komen, dan moet ge goed oppassen: het ligt één trede onder de ingangsdeur.
Andere broeders en zusters die dezelfde regel hebben, wonen in een huis in de omtrek. De liturgie gebeurt samen. Normaal werken de leden halftime buitenhuis. Niet spreken is een optie. Dat is enkel erg als het tegen uw zin is. We hebben een overvloed aan tijdschriften en dagbladen, en heel ons leven is gericht op en in contact met de wereld.
Er ligt een ander accent als men spreekt van moeten zwijgen of van “stilte”. In dit verband wordt dan leven zoals wij leven een keuze. En ik voel me er goed bij, anders bleef ik hier niet. Er was een moment in de Fraterniteit in Antwerpen dat ik in de Gazet van Antwerpen een paar artikelen verzorgde, namelijk over eenzaamheid en vereenzaming, en over leegte-ervaring. Het is een feit dat ik daarin de kans beleef om te “horen wat God zegt”. In de confrontatie kan men God ontdekken in het diepst van zichzelf.
Ja, … wat is de reden waarom ik niet ben ingegaan op wat in het diepere zelf van u leeft? In mijn gewraakte proza heb ik geschreven hoe belangrijk gij voor mij geweest zijt in die periode dat ik de vraag stelde van een “persoonlijke” God of een pantheïstisch wereldbeeld. Die vraagstelling was voor mij belangrijk, zoals nadien een omgang vinden met de vragen die zich aan mij opdrongen vanuit vele hoeken. Orthopraxie in plaats van orthodoxie: juist handelen in plaats van de juiste leer. Ik denk dat ik altijd de vragen die op mij afkwamen serieus heb genomen. Maar er is inderdaad vervreemding ontstaan tegenover wat u bezielde.
Ik ben wel zeer geïnteresseerd gebleven in alle ‘gedachten’ die ronddoolden. Maar pastoraal lagen de vragen helemaal anders. Ge weet dat ik in de wereld van de eenvoudige, hulpeloze mensen ben ondergedoken, hoe ver die ook van mijn eigen levensvragen afstonden.
Dat is het voor vandaag. Ik zou kunnen schrijven zoals de Romeinen: SVBEEV. Als dat Latijn voor u is : ‘Si Vales, Bene Est, Ego Valeo’ - Als jij gezond bent, is het goed; ik ben gezond.
Groet iedereen,
Henri
Henri herhaalt René's vraag uit zijn brief van destijds en probeert die voor het eerst te beantwoorden. Maar René's ‘heilig’ blijft wat mij betreft nog steeds onbeantwoord. Waarom hij niet vroeg hoe het met zijn broer ging, zegt hij ook niet. Wel waarom hij bij wijze van spreken onderdook.
Wat het meest bijblijft, is iets kleins. Aan het slot van zijn uitleg over de abdij waarschuwt hij René voor een trede onder de ingangsdeur. Hij zegt nergens: kom. Maar wie een gast waarschuwt voor een trede, verwacht hem. Of René ooit in Blois is aangekomen, heb ik in de brieven niet gevonden.
H14
Was de briefwisseling tot op heden min of meer een duel tussen twee idealisten, dan komen ze nu duidelijk nader tot elkaar. Dit is niet vanzelfsprekend. Het had ook anders kunnen zijn: ze hadden kunnen blijven twisten of stoppen met schrijven. Dat hebben ze niet gedaan.
Henri,
Bedankt voor het nieuws. Als ik het goed begrijp, blijft uw huisnummer ongewijzigd. Het lijkt erop dat je heel gelukkig bent met uw nieuwe woonst.
Het herinnert me aan de tijd dat Caroline en ik begonnen te bouwen en de afbetalingen moesten gebeuren met mijn toenmalige half-time wedde. Toen jij later eens op bezoek kwam, heb ik u dat verteld. Uw antwoord was onvergetelijk: “Had ik dát geweten. Ik heb zojuist aan jonge trouwers mijn laatste spaargeld weggegeven, uit angst om gierig te zijn. Ze hadden het niet eens nodig.”
Ik wil nog even terugkomen op het begrip 'ersatz'. Je hebt aangevoeld dat ik daar niet zo gelukkig mee was. Als ik het goed begrijp, maak jij onderscheid tussen ersatz-zijn en ersatz-beleven. De paus is ersatz als plaatsvervanger van God op aarde, maar je beleeft hem niet als ersatz. Kunst daartegenover is geen ersatz, maar je beleeft kunst als ersatz. Kortom, alles wat god niet is en dat het verlangen naar god opvult, noem je ersatz, omdat het je ersatz-gevoelens geeft.
Onze zus Marie-Antoinette heeft me opgebeld over uw gezondheidsproblemen. Ze was met u begaan, omdat ge zoveel pijn had, die alleen maar draaglijk is wanneer ge zit. Zodat je zelfs niet liggend kunt slapen.
Dus hoop ik dat er zo vlug mogelijk goede medicatie gevonden wordt. En eventueel pijnstillers die uw geest niet bezwaren. Bovendien hoop ik dat het resultaat van het geplande onderzoek meevalt.
Je broer,
René
René is zacht nu. Hij voelt dat hij zijn broer moet laten gaan. En dat maakt hem veel gevoeliger, met het verhaal over het geld, en dan het ersatz-gesprek. René doet daar iets wat hij nooit eerder deed: hij probeert te begrijpen wat Henri bedoelde. Hij herformuleert het. Hij geeft toe dat het hem gekwetst heeft, en hij geeft Henri krediet dat hij dat heeft aangevoeld.
De hoop op pijnstillers die zijn broer niet benevelen, dat is typisch René. Want hij weet dat Henri zijn geest nodig heeft. Hij gunt hem dat van harte.
En dan, heel gewoon: je broer. Kort. Teder.
H15
René had zijn brief dagen geleden verzonden. De brievenbus bleef leeg. Hij wist dat er geen antwoord meer zou komen, geen afscheidswoordje om later te herlezen. Wachten had geen zin. Hij stapte in de auto en reed naar Blois.
Hij kwam nog op tijd. Ik beeld me in hoe hij in de stille, verduisterde kamer de hand van zijn broer nam en bij hem bleef zitten. Of zij nog gedachten hebben uitgewisseld, weet ik niet. Er waren geen woorden meer nodig: zijn aanwezigheid was het afscheid dat een brief niet had kunnen schenken. Toen Henri stierf, was hij niet alleen.
Enkele weken na zijn thuiskomst kreeg René te horen dat hij de enige erfgenaam was. Hij weigerde de erfenis en schonk alles in de geest van Henri aan de broeders en zusters van de Fraternité.
In deze kroniek bewogen de brieven van uitleg naar verwijt, van verdediging naar bekentenis, van afgebroken gebed naar een rit naar Blois. Als archivaris had ik het moeilijk om mijn eigen verlangen naar hun verzoening te verbergen. Uit discretie heb ik mijn schoonvader nooit gevraagd naar hun laatste gesprek. Nu hij zelf al overleden is, blijft dat steken ‘tussen de regels’.
In mijn hoofd zitten Marcel, Jos, Henri en René weer te argumenteren, zoals ooit in de keuken, aan tafel bij moeder en vader.
Epiloog
Dit gaat verder dan een verslag van een correspondentie tussen twee mensen. Het is ook iets universeels: de moeizame toenadering van twee mensen die uit elkaar gegroeid zijn, beladen met een verleden van niet gehoord of gezien worden, van misverstanden en van woorden en daden die erg kwetsend zijn overgekomen. Dat was niet alleen hun probleem. Het is het probleem van vele mensen. Ik heb het opgeschreven omdat ik het herkende, en omdat ik wilde dat het tenminste één keer goed afliep.
Ik heb hun brieven genoeg herlezen om te weten dat ik hen niet versta zoals ze zichzelf verstonden. Maar misschien versta ik hen juist daardoor een beetje beter dan zij elkaar.
René eiste een echt antwoord en zei nooit wat dat was of moest zijn. Hij las zijn broer met een rode pen en telde elk woord na. Toch is hij degene die de auto nam. Al het andere was argument; de rit naar Blois was een daad. Dat hij de erfenis weigerde, past bij hem: hij wilde niet afrekenen.
Henri antwoordde op pijn met een definitie, op een vraag met een verdediging, en op de dood met zwijgen. Hij schreef zijn kwetsbaarste bladzijden naar de hele familie en kwetste daarmee precies wie hij wilde bereiken. Toen hij werd gecorrigeerd, verdedigde hij zich niet. Hij vroeg om vergiffenis en sloeg terug met een scheve toren. Dat vraagt meer moed dan felheid. Misschien was “ik heb me altijd vrij gevoeld” een wens. Op het einde was het misschien ook nog waar.
En ik? Ik beloofde alleen te ordenen maar heb gekozen, geschrapt en verbonden. Ik ben in Renés kamp beland, omdat hij mijn schoonvader was. Blois is niet gedocumenteerd; ik heb het mij ingebeeld, omdat ik wilde dat het zo gebeurd was. Ik vroeg hem nooit naar dat laatste gesprek. Ik noemde dat discretie. Henri zou het misschien ontwijken noemen, en hij zou ons beiden daarin herkennen.
Ze waren vier handen op een buik. Twee ervan hebben elkaar uiteindelijk vastgehouden, of ik denk toch van wel. Het bewijs ligt in een trede onder een ingangsdeur en een schouderklopje, meer niet.
De rest bleef tussen de regels. Daar laat ik het.
EINDE
Rene Jochems, Kontich, 10 oktober 2026.