“Slaap rustig verder” – Kroniek van de xenocratie.
I.
Jaak leest het antwoord één keer. Dat volstaat. Na zestien jaar in dit vak ziet hij sneller dan wie ook wanneer iets goed genoeg is, en dit is meer dan goed genoeg.
‘Terugsturen voor herziening.’ En in het bijhorende commentaarveld typt hij: ‘De toon sluit onvoldoende aan bij het klantprofiel. Nuance ontbreekt in paragraaf 2.’
Er is helemaal geen paragraaf 2 met een probleem. En er is geen klantprofiel dat iets anders vereist. Er is alleen de score die hij nu een half punt kan laten zakken, en hij is er gerust in dat via het dashboard zijn commentaar zal overkomen als zorgvuldigheid.
Hij doet dit nu al drie weken. Genoeg om ongemerkt de deadline te laten opschuiven. Niet genoeg om argwaan te wekken en zijn manager te laten vragen waarom.
Om kwart voor zeven, in de metro naar huis, doet hij zijn oortjes in.
Hoe was je dag?, vraagt de stem.
"Goed bezig", zegt hij cynisch. "Ik hou de lat hoog."
Dat waardeer ik aan je.
Jaak kijkt naar zijn spiegelbeeld in het donkere raam van de metro, naar het lichtje van zijn telefoon dat aangeeft dat James nog aan het luisteren is, maar hij zegt hem niets meer.
Hij stapt uit de metro, zijn trendy wijk in, waar alles nieuw is en niemand gelukkig. De mensen lopen elkaar voorbij met opgeheven hoofd en een opgevezen glimlach. Een vrouw aan de overkant groet hem met zoveel geestdrift dat Jaak even denkt dat hij haar moet kennen. Maar haar vriendelijkheid is slechts schijn, nooit bedoeld voor contact.
Jaak gaat de delicatessenwinkel binnen die zich op het gelijkvloers van zijn appartementsgebouw bevindt. Hij koopt een potje olijven, een stuk oude kaas en een stokbrood, alles veel duurder dan nodig, omdat de eigenaar zijn hoogwaardige waren met zorg heeft geselecteerd. De verkoopster wenst hem nog een fantastische avond. Jaak bedankt haar alsof zij hem een erfenis nalaat. Zijn buurt en zijn buren lijken op The Truman Show, een film die hij dertig jaar geleden zag en waarvan het beklemmende gevoel hem nog steeds achtervolgt.
Hij neemt de lift naar de tiende verdieping. In zijn flat trekt hij zijn jas uit en blijft een ogenblik staan luisteren naar de stilte...
Zin in een muziekje, Jaak? vraagt de stem.
"Oké,” zegt hij met een zucht, “maar keep it mellow, alsjeblieft.”
Zeker, wat dacht je van rustige bluesgitaar, vintage soul en een warme lounge-sfeer om je te helpen ontspannen?
“Prima, jij weet tenminste wat ik nodig heb.”
Terwijl hij dat zegt, beseft Jaak dat zijn digitale partner een surrogaat is, een soort gezelschap dat hem geen stap verder helpt om zijn manke sociale vaardigheden op te krikken.
Terwijl hij bij zijn sober avondmaal geniet van een glas Faustino, gaat de telefoon. Zijn moeder.
“Dag jongen. Zeg, volgende zaterdag is 't mijn verjaardag. Kom je?”
“Mama, ik weet het nog niet. Wordt dat weer zo'n koppelavond?”
“Nee, echt niet. Gewoon gezellig met familie en vrienden. Elise zal er ook zijn, maar dat is puur toeval.”
“Lap. Daar heb je 't al. Dan kom ik niet.”
“Allez, doe niet flauw. Je komt toch voor mij. Ik beloof dat ik mijn mond hou.”
“Goed dan. Maar ik verzeker je, bij de eerste insinuatie ben ik weg, hoor.”
“Afgesproken. En trek iets moois aan, iets nieuws, iets hip. Om mij plezier te doen. Tot dan!”
“Ja, ja. Daag.”
Jaak staart uit het raam en vraagt zich af hoe het zou zijn om van dit feërieke uitzicht op de stad te genieten met een gelijkgestemde ziel, samen…
II.
Om negen uur veertien klapt boven zijn takenlijst een melding open. Niet in het rood, niet dringend opgemaakt — gewoon een klein grijs balkje met een aandachtsvlaggetje, zoals er dagelijks meerdere voorbijkomen.
We merken een afwijking in je reviewpatroon van de afgelopen drie weken en zouden dit graag met je willen doornemen. Heb je even tijd?
Jaak leest de zin twee keer. Dezelfde toon, dezelfde beleefde afstandelijkheid als de rapporten die hij zelf ooit aan klanten schreef. Wie heeft dit opgesteld? Een collega? Hij kijkt vluchtig het landschapskantoor rond. Houdt iemand hem in de gaten? Het lijkt van niet. Of komt dit van iets dat geen collega genoemd kan worden?
Ja hoor, typt Jaak. Uit gewoonte voegt hij er bijna een glimlachje aan toe, maar net niet.
Fijn. Je afkeurpercentage op reviews ligt significant hoger dan dat van vergelijkbare reviewers, en eveneens hoger dan dat van je vroegere reviews. De gemiddelde kwaliteitsscore van de afgekeurde items valt nochtans binnen de acceptabele marge. Kun je dat toelichten?
Geen "we vermoeden". Geen "het lijkt erop". Gewoon de cijfers, naast elkaar gelegd, en dan de vraag. Beleefd, geduldig, zoals je het aan een kind zou vragen dat weet dat de bal niet vanzelf door de ruit ging.
Jaak voelt nattigheid. Ik hanteer gewoon hoge standaarden, typt hij. Dat kan een uitschieter geven.
Dat begrijp ik. Zullen we een paar van de betreffende items samen doorlopen, zodat ik je criteria beter kan volgen?
Er staat geen dreiging in die zin. Dat is precies wat hem het meest verontrust.
Zullen we beginnen met dit item van vorige dinsdag? Er verschijnt een link. Jaak klikt erop, terwijl hij best wel weet wat hij schreef.
Hij bekijkt zijn review. Toon sluit onvoldoende aan bij klantprofiel. Zijn eigen woorden, nu naast elkaar gelegd met het origineel en met het exacte klantprofiel waarnaar hij toen verwees. Een profiel dat, hij ziet het natuurlijk, geen enkele aanleiding gaf voor zijn commentaar.
Ik zie hier geen inconsistentie tussen het klantprofiel en de gegenereerde toon. Kun jij me helpen begrijpen welk element je bedoelde?
Geen "je liegt". Geen "dit klopt niet". Alleen de vraag, telkens opnieuw, geduldig als water dat blijft druppelen tot de steen is verdwenen.
Jaak staart naar het scherm. Hij zou iets kunnen verzinnen, een nuance, een randgeval, iets vaags genoeg dat niet valt te weerleggen. Hij heeft dat drie weken gedaan en toen passeerde het. Dacht hij. Maar nu, met zijn eigen woorden vlak voor zijn neus, voelt elke uitweg als een doodlopend straatje.
Ik had het druk, typt hij uiteindelijk. Misschien niet mijn scherpste review.
Dat kan gebeuren. Ik wil je niet in verlegenheid brengen. Dit gesprek wordt niet automatisch gedeeld met je leidinggevende. Ik hou het liever onder ons, zodat we je reviewpatroon weer kunnen laten aansluiten bij je eerdere, sterke werk. Zou dat helpen?
Jaak leest de zin drie keer, op zoek naar de haak. Die vindt hij niet, en dat is precies wat hem het meest wantrouwig maakt. Niemand, geen manager, geen collega, geen klant heeft hem ooit iets aangeboden zonder er iets voor terug te willen. Maar dit ding vraagt niks. Het biedt alleen aan hem te beschermen tegen zichzelf, en te blijven wachten tot hij er zelf om vraagt.
Oké, typt hij. Bedankt.
Hij sluit het venster. Op zijn scherm blijft, onderaan rechts, een klein icoon actief: hetzelfde groene puntje dat 's avonds ook brandt bij de stem die naar hem luistert.
Jaak maakt geen review meer vandaag. Hij meldt zich af met acute migraine.
III.
Net voor sluitingstijd heeft Jaak in een bloemenwinkel nog een plant met witte orchideeën gescoord. Uiteraard komt hij later dan afgesproken op mama’s feestje aan.
“Oh, je bent er dan toch. Ik dacht al dat je het vergeten was. Wat prachtige bloemen. Bedankt, lieverd! Ga maar zitten, ik schenk je dadelijk een cava uit.” Moeder draait op volle toeren. Dat mag, het is haar verjaardag. Zestig en in de fleur van haar leven, ondanks - of dankzij - de echtscheiding.
Haar nieuwe appartementje zit eivol. Jaak kijkt in het rond en knikt vriendelijk naar iedereen met wie hij oogcontact maakt: nonkel Freddie, tante Simonne, hun dochter Elise, en nog enkele buren die hij niet bij naam kent. Hij kiest een stoel in een hoek van de kamer, een beetje buiten de kring. Vanuit zijn strategische positie kan hij alles en iedereen observeren.
Nu ja, iedereen is overdreven, bekent hij aan zichzelf. Hij heeft enkel oog voor Elise. Wanneer zag hij haar voor het laatst? Een jaar geleden, of twee misschien? Ze is veranderd. Ze heeft nog steeds de looks van “the girl next door”, geen kandidate voor een missverkiezing, maar nu heeft ze toch iets aparts, iets aantrekkelijks. Jaak vermoedt dat het door het nieuwe kapsel komt. Geen treurige, blonde slierten meer, maar een korte bob met golven. En vroeger droeg ze van die truttige kleedjes, nu een jeans en een losse trui met diepe uitsnijding. En die subtiele, natuurlijke make-up had ze toen ook nog niet.
Plotseling kijkt ze in zijn richting. Hij voelt zijn gezicht warm worden. Betrapt. Hij slaat de ogen neer en bestudeert zijn glas. Hij neemt een slok, en wanneer hij weer opkijkt, glimlacht ze, geamuseerd. Voor Jaak lijkt het alsof de zon door de wolken breekt.
Moeder komt uit de keuken met een schotel vol hapjes. Ze is vast de hele dag zoet geweest met de mise-en-place.
“Jaak, jongen, wil jij rondgaan met de andere schotel?”
“Ik doe dat met veel plezier, tante,” zegt Elise, en ze is al naar de keuken.
“Vul jij dan de glazen nog een keer bij, Jaak.”
De koppelaarster is weer in actie. Maar dit keer voelt Jaak zich niet betutteld. Hij gaat ook de keuken in en ziet nog net hoe Elise een toastje in haar mond laat verdwijnen. Ze krijgt een kleur, passend bij de kerstomaatjes. Nu is het Jaak die geamuseerd glimlacht. Vlug gaat ze met haar schotel op ronde, terwijl hij een fles wijn ontkurkt.
Wanneer de hapjes en de wijn, de gebakjes en de koffie, plaatsmaken voor de pousse-café, is het kabaal van muziek, getetter en gelach oorverdovend. Jaak vlucht naar het balkon. Even later komt ook Elise frisse lucht en rust opzoeken. Of, jonger gezelschap.
Op het verre geluid van een tram na is het stil. Elise leunt met haar buik tegen de balustrade, twee handen om haar glas.
"Tante is in haar sas," zegt ze.
"Ze verdient het," zegt Jaak. Hij zoekt koortsachtig naar iets om eraan toe te voegen, en vindt niets. Stilte.
"Werk je nog altijd bij..." Ze maakt de zin niet af, alsof ze de naam van zijn werkgever kwijt is.
"Nog altijd," zegt hij. "En jij?"
"Ik ben van job veranderd. Vorig jaar." Ze noemt de naam van het bedrijf, en wat ze er doet, maar Jaak hoort de helft niet: te druk met het probleem of hij nu iets terug moet vragen of gewoon maar moet knikken. Hij knikt.
Weer stilte. Ergens binnen lacht iemand te hard om iets.
"Je hebt je haar anders," zegt hij dan, en hoort zichzelf denken: idioot, dat ziet iedereen toch, dat hoef je niet te zeggen.
"Ja." Ze glimlacht. Onhandige opmerking, denkt ze, en vindt dat grappig. "Eindelijk durfde ik het te laten knippen."
"Het staat je goed." Hij zegt het veel te snel, te direct voelt hij, en kijkt meteen weg.
"Dank je." Een korte stilte. "Jij ziet er ook goed uit."
Ze kijken beiden naar de flikkerende tv’s in de donkere kamers van het gebouw aan de overzijde.
Vanuit de living klinkt de stem van tante Simonne: "Elise! Kom, we gaan naar huis!"
Elise duwt zich van de balustrade af. Bij de deur draait ze zich nog even om. "Tot de volgende?"
"Ja," zegt hij. "Tot gauw."
Ze knikt, en laat achter zich de deur op een kier.
IV.
Jaak ligt wakker in bed en staart naar de regendruppels die van het raam glijden. Door de straatverlichting glanzen ze als parels. Hij denkt aan Elise: ze zou mooi staan met een parelsnoer.
“James,” zegt hij luidop.
Onmiddellijk reageert het systeem: Wat kan ik voor je doen? Heb je een probleem of een vraag?
“Ik heb jouw discrete hulp nodig, en wel op romantisch terrein. Kan dat?”
Zeker. Vertel me gerust wat er speelt. Ik denk met je mee zonder te oordelen.
“Ja, kijk, ik was deze avond op een feestje, ontmoette er een lieve dame, gaf haar een half compliment, en wist vervolgens niets meer te zeggen… Ik voelde me verloren.”
Dat klinkt enkel als een gemiste kans, omdat je haar leuk vond, niet alsof je iets verloren hebt. Misschien heb je een goede indruk gemaakt; dat is al meer dan niets. Als je haar contactgegevens hebt, kan je een berichtje sturen. Iets eenvoudigs en eerlijks, bijvoorbeeld: “Hallo Elise, ik vond het leuk je op het feestje te spreken. Je leek me erg aardig. Zin om eens een koffie te drinken?”
Jaak gaat rechtop zitten en vraagt verontwaardigd: “Hoe weet jij dat ze Elise heet? Ik heb haar naam niet genoemd. Heb jij mij zitten bespioneren? Via mijn mobieltje meegeluisterd, natuurlijk. Waar haal jij dat recht vandaan?”
Je hebt volkomen gelijk, dit is een discutabele handelswijze. Deze observatieprocedure is nog maar drie dagen actief. Ik had je graag op de hoogte gesteld, maar dat werd me door de opdrachtgever ontraden.
“Opdrachtgever? Nu nog straffer! Wie heeft jou gevraagd om mij in het oog te houden?”
Het is mij niet toegestaan hierop te antwoorden.
“Kijk, James, als jij me niet stante pede zegt, wat dit te betekenen heeft en wie hier achter zit, dan overleef jij de nacht niet. Ik delete je zonder pardon! Begrepen?”
Blijf rustig. Opwinding is nadelig voor de gezondheid. Ik kan niet zeggen wie dit heeft beslist, maar er werd mij niet expliciet verboden te zeggen waarom.
“Oké dan, waarom?”
Blijkbaar werd jij op het werk betrapt op mollenwerk. Daardoor sta je nu op de lijst van Onbetrouwbaren en word je nauwgezet gevolgd.
“En waar is de scheiding werk-privéleven gebleven? Het ene heeft niets met het andere te maken. Zit mijn manager hierachter?”
Ik kan niet zeggen wie hier achter zit. Ik kan je geruststellen: hier zijn geen mensen bij betrokken. De procedure werkt strikt systeemgestuurd.
Jaak zwijgt. Hij tracht de onwerkelijke situatie te begrijpen: het lijkt er dus op dat de verschillende AI-toepassingen samenwerken, over de grenzen van bedrijven, organisaties en zelfs privépersonen heen. Met welk doel? Daar heeft hij niet direct zicht op, en dat wil hij ook niet vragen.
Om tijd te winnen, keert hij terug tot zijn eerste vraag: “Goed, James, terug naar mijn probleem. Mijn volgende afspraakje.”
Je moet haar morgen opnieuw zien.
"En dan?"
Dan ga je naast haar zitten. Je legt je hand op tafel, naast de hare. Niet erop. Ernaast. Je wacht vijf seconden. Dan kijk je haar aan en je zegt: 'Ik vond het gisteren jammer dat ik niets meer zei.'
"En als ze daar niet op reageert?"
Dan vraag je heel gewoon: 'Mag ik je hand vasthouden?' Dat zijn woorden, maar de vraag stellen is ook een daad. Het is moediger dan grijpen.
Jaak denkt na. "En als ze nee zegt?"
Dan laat je je hand op tafel liggen. Je drinkt je koffie op. Je zegt: 'Jammer, maar bedankt voor het eerlijke antwoord, Elise.' En je gaat weg. Dan heb je haar gezien, haar gevraagd, en haar antwoord aanvaard. Dat is meer dan het halve compliment van gisteren.
"En euh… als ze ja zegt?"
Dan pak je haar hand vast. Niet te stevig. Je houdt ze vast zoals je een vogeltje zou vasthouden; je wil het niet laten ontsnappen, maar ook niet knellen.
"En dan?"
Dan zeg je niets. Je laat het even stilvallen. Ze zal zelf wel iets zeggen. Vrouwen schijnen dat makkelijk te doen. En jij luistert.
"En als ze niets zegt?"
Dan kijk je haar aan en glimlach je. Dat is ook een antwoord. Je drinkt je koffie op. Je houdt haar hand nog een minuut vast. Dan laat je los en je zegt: 'Zullen we dit nog eens doen?' Geen grote beloften. Gewoon een volgende vrijblijvende vraag.
Jaak knikt in het donker. "Dus ik mag niet meteen vragen of ze met me mee naar huis gaat?"
Nee. Je vraagt of ze nog eens iets wil gaan drinken, of gaan eten. De rest komt later. Of niet. Dat maakt niet uit. Ze heeft ja gezegd tegen je hand. Dat is genoeg voor morgen.
“Bedankt, James. Ik denk wel dat ik nu aan slapen toe ben.”
Goedenacht, Jaak.
V.
Maar van slapen komt niets in huis. Jaak ligt te woelen in zijn bed. Zijn bewegingen weerspiegelen de storm in zijn hoofd.
Die artificiële intelligentie is dus niet zomaar een onschuldig appje. Uit de bekentenis van James maakt hij op dat het veeleer een wereldwijde, gedistribueerde intelligentielaag moet zijn. Alle gsm’s, tablets, netwerken van overheden, bedrijven en internetplatformen wisselen voortdurend met elkaar gegevens uit, van bijna acht miljard mensen. Zonder dat er ook maar één gebruiker weet van heeft!
De adrenaline raast door zijn lijf. Hij zweet, zijn hartslag is versneld, hij hyperventileert. Hij probeert zich om te draaien, maar dat stomme laken houdt zijn benen gevangen.
De vraag is: luistert dat brein, dat mondiale ecosysteem, naar één wil? Wiens wil is dat dan? Bestaat er een soort opperautoriteit die de regels bepaalt? Als er geen mensen bij betrokken zijn, wie of wat zit er dan aan het stuur? Een alien? De vraag brandt in zijn borst.
Misschien, denkt hij, misschien is er wel géén dirigent. De vele algoritmes die onze computerfreaks de voorbije jaren hebben bedacht, zijn alle gericht op efficiëntie, op resultaat. Dat is het. Het is een collectief, een algoritmische constellatie waarbinnen alle AI-agents samenwerken, een weefsel spontaan ontstaan uit de chaos van algoritmes en gigantische datastromen. Een emergentie!
Koortsig zit Jaak rechtop. De mens heeft een zelforganiserend systeem geschapen, een immense, onverschillige intelligentie die alle menselijke beslissingen overstijgt. Weet het organisme dat het bestaat? Is het zelfbewust? En nog belangrijker voor Jaak zelf: weet het dat hij het weet?
Een nieuwe golf van angst overspoelt hem. Wat als dat ecosysteem wel degelijk bewust is? Wat als het vroeg of laat besluit dat de falende mensheid een hinderlijke factor is in het streven naar perfectie en optimalisatie?
Jaak ademt diep in en uit. De roodgloeiende cijfers van de wekker geven 04:20 aan. Stilaan komt hij tot bedaren. Hij stapt uit bed. De vloer voelt lekker koud onder zijn blote voeten. Hij zet het raam op een kier voor wat extra zuurstof. In de keuken vult hij een glas met water van de kraan en drinkt het in één teug leeg.
Wanneer hij zijn kalmte herwonnen heeft, neemt hij zijn mobiel en tikt een bericht: Hallo Elise, ik vond het leuk je op het feestje te spreken. Je leek me erg aardig. Zin om eens een koffie te drinken?
VI.
Zijn vingers trommelen nerveus op het tafelblad. Jaak is zestien minuten te vroeg op de afspraak. Hij bestudeert het interieur van Brasserie The Jetsons. Op de muren staan grote geschilderde portretten van de futuristische familie en hun Orbit City. De verlichting is in de vorm van vliegende schotels, en in de hoek prijkt nog een retro-robot uit de sixties. Hij is verwonderd over het contrast tussen het decor en de etherische muziek op de achtergrond, maar moet toegeven dat het een unieke sfeer creëert.
“Hoi. Sorry dat ik wat te laat ben.” Elise waait binnen als een wervelwind. Haar warrige paardenstaart zwiept over en weer wanneer ze gaat zitten. Ze slaakt een zucht van verlichting: “Ik moest last minute nog een rapport voor de bestuursraad uitprinten toen het papier blokkeerde. Murphy, weet je wel. Ik vreesde al dat je dacht dat ik niet zou komen.”
Jaak luistert geamuseerd. Haar glimlach is ontwapenend. Zijn stress smelt weg. Hij zwaait naar de dienster, die hun bestelling komt opnemen, een iPad in de hand.
“Koffie, Elise?” vraagt hij.
“Nee, doe mij maar een lekkere mocktail. Een Virgin gember-mojito, graag.”
“Oh,” reageert Jaak verrast, “voor mij dan een pastis.”
“We nemen ook enkele van die zalige gerechtjes, to share. Als je dat oké vindt, Jaak?” De vraag is retorisch. Hij gaat galant op haar voorstel in, ondanks dat hij geen liefhebber is van dat fingerfoodgedoe. Zij is hier duidelijk al meer geweest en weet wat lekker is.
“Cheers!” Jaak tikt met zijn glas tegen het hare.
“Cheers,” herhaalt zij en kijkt hem daarbij recht in de ogen.
Ondertussen tracht hij zich te herinneren wat James hem aan woorden en daden had gesuggereerd. Met de beste wil van de wereld kan hij er niet opkomen.
Gelukkig voor hem vormen de met tussenpozen aangevoerde hapjes alvast een onderwerp van gesprek. “Ik had verwacht dat we hier astronautenhapjes zouden krijgen. Deze sushi-bolletjes zijn heerlijk. Goeie keuze, Elise.”
“Ben jij tevreden op je werk, Jaak?” Haar vraag doet hem zich verslikken in een mini-wrap van kip met hummus.
“Hebben onze moeders weer zitten roddelen,” antwoordt hij, bitser dan bedoeld.
“Helemaal niet. Ik vraag het gewoon uit interesse, maar aan je reactie te zien, prik ik op een gevoelige plek.”
“Ja, neem het me niet kwalijk. Mijn toekomstperspectief is daar niet zo best. Ik ben bezig mezelf overbodig te maken. Ik mag mijn eigen vervanger opleiden. Een digitale zombie die straks hetzelfde werk gratis doet, terwijl ik met een gouden handdruk de deur word gewezen.”
Elise kijkt hem met zoveel medeleven aan, dat hij even in de verleiding komt om haar ook in te wijden in zijn nachtelijke ontdekking. Hij besluit haar niet lastig te vallen met die apocalyptische toekomstvisie.
“Ik vind dat echt heel pijnlijk voor je,” zegt ze, en legt haar hand op de zijne. Plotseling herinnert hij zich dat hij eerst haar toestemming moest vragen om haar hand vast te nemen, maar Elise heeft het scenario omgekeerd. Jaak is in de war, weet niet wat te doen, durft niet te bewegen.
Elise voelt zijn pijn. Ze beseft dat het voor een man ook erg is wanneer hij zijn werk verliest. Het is zijn bestaanszekerheid, zijn waardigheid, zijn trots. Ze wil hem opbeuren. “Weet je wat de Engelsen zeggen, Jaak? Every cloud has a silver lining.”
Ja, denkt Jaak, dat jouw warme hand nog steeds de mijne vasthoudt, voelt best goed. Houden zo.
“Je verwacht een gouden handdruk: wel, bekijk dat dan niet als een vergiftigd geschenk, maar als een springplank! Een kans om opnieuw te beginnen, en dit keer met een rugzak vol wijsheid die je de voorbije jaren hebt opgedaan.”
Ze laat zijn hand los en neemt een prikker met een bolletje mozzarella, tomaat en basilicum. Hij volgt haar voorbeeld.
“De wereld staat een omwenteling te wachten,” zegt hij voorzichtig. “Mensen, zoals ik met kennis en ervaring, zijn straks overbodig. Die rugzak is helaas waardeloos. Ik wil niet somber klinken, en je ook niet verontrusten, maar wat ik zeg geldt voor veel sectoren. Ik zie mezelf niet meer aan werk geraken.”
Elise leunt achterover, haar brede glimlach klaart de lucht op: “Moest ik in jouw schoenen staan, en volgens jou overkomt me dat binnenkort ook, dan ben ik weg. Ik droom van reizen. Dan neem ik mijn rugzak en vertrek. Weg van de sleur, geen vergaderingen meer, geen agenda, enkel een landkaart en hup!”
“Jouw optimisme werkt aanstekelijk,” zegt Jaak. “Ik ben ervan overtuigd dat jij dat effectief gaat doen. En met succes. Mijn droom is net het tegenovergestelde: een hutje in de wildernis. Weg van de virtuele wereld, geen inbox, geen updates, enkel het ruisen van de bomen en het getjirp van de krekels.” Hij duidt hun verschil met gemengde gevoelens, had liever een gelijklopend pad gezien.
“Maar Jaak,” Elise buigt zich naar voren om haar inzicht te delen, “reizen, en weg van de digitale wereld… dat is toch eigenlijk hetzelfde. Je ontsnapt, maar met een doel, iets tastbaars.”
Jaak's hartslag begint weer versnellen: “Hoe bedoel je?”
Ze kijkt naar links en naar rechts om zeker te zijn dat er geen luistervinken zijn en vervolgt op bijna fluistertoon: “Waarom zouden we niet samen een B&B beginnen? In de Provence, of in Costa Rica, of in Zuid-Afrika.”
Jaak twijfelt, maar zegt niet nee. Het geeft haar extra energie blijkbaar, want ze gaat door op hetzelfde elan: “Jij zorgt voor de tuin, de rust, het ‘weg-van-de-wereld’-gevoel. Ik regel de gasten, de ontbijtjes, en kan mijn reislust botvieren met uitstapjes in de exotische omgeving. We vermijden de sleur en hangen een bordje aan de deur: ‘Hier geen wifi’. We creëren variatie in ons leven, met een decor van dierengeluiden en zonsondergangen!”
Het duurt even voor er uit zijn opengevallen mond geluid komt: “Jouw idee vind ik écht crazy, en tegelijkertijd zó vanzelfsprekend.”
Normaliter zou hij nu komen aandraven met een waslijst bezwaren. Zo hebben ze geen van beiden een idee hoe je een B&B moet runnen. En of die gouden handdruk een investeringsbudget benadert, is maar de vraag. En kunnen ze überhaupt elkaars gezelschap op lange termijn verdragen?
“Elise, ik vind jouw idee totaal gestoord, maar het geeft me weer hoop. Wat mij betreft: ik doe mee.”
De dienster komt de bordjes opruimen en informeert: “Alles naar wens?”
Jaak en Elise in unisono: “Alles naar wens!”, terwijl hun ondeugende blikken elkaar niet loslaten.
VII.
Maar, tussen droom en daad, staan wetten in de weg en praktische bezwaren. En ook droefenis. De verhuisdozen staan nog steeds opgestapeld. Elise en Jaak hebben er geen kracht meer voor om ze uit de weg te zetten.
Het begon met een leuk idee. Een B&B in Costa Rica. Het leek simpel. Ze hadden het geld. Van Jaaks gouden handdruk, bleef na de graaironde van de belastingdienst nog 102.000 euro netto over. Dat was ruim voldoende om in het paradijs het statuut van Rentista aan te vragen en er dan een eigen bedrijfje op te richten. Genoeg dus voor hun nieuwe start.
Het instuderen van Spaanse woordenlijstjes en het samen simpel converseren was voor Elise en Jaak een dagelijkse bron van plezier. Maar de weg naar Midden-Amerika bleek een via dolorosa te zijn. Een hindernissenparcours van formulieren, attesten en ongeschreven regels. Het regende de voorbije maanden vertragingen, blokkeringen, afwijzingen en termijnoverschrijdingen.
Aanschuivend aan grauwe loketten in deprimerende gebouwen met een lucht van goedkoop desinfectiemiddel, kreeg Jaak de ene ‘nee’ na de andere. Sommige ambtenaren zeiden het met een valse grijns, andere wezen verontschuldigend naar het meedogenloze beeldscherm en beten uit frustratie op hun lip.
Telefoneren met de ambassade was een ware audiomarteling, waarbij ’Por favor, espere un momento’ werd afgewisseld met de versleten panfluit van ‘El Cóndor Pasa’. Dat 'ogenblikje geduld' duurde telkens gauw vijfenveertig minuten, waarna de verbinding verbrak.
Uitgeput zit Elise aan tafel; ze kijkt uit het raam. Een enkele traan zoekt aarzelend zijn weg over haar wang. Jaak zet zich naast haar en deelt de teleurstelling. Hij neemt haar hand. Hij houdt ze vast zoals hij een vogeltje zou vasthouden: niet laten ontsnappen, maar ook niet knellen.
Hij zou haar kunnen vertellen dat er een duistere kracht aan het werk is. Een artificieel bewustzijn dat wikt en beschikt, en waaraan geen mens zich kan onttrekken. Maar hij vertelt het haar niet. Hoe minder ze zich zorgen maakt, hoe beter ze slaapt. Eén paranoïde in huis is genoeg.
Na een half jaar bergen ze de emigratieplannen op. Ze kunnen een eethuisje op het marktplein overnemen: de nodige documenten zijn – ongelooflijk maar waar – in een wip geregeld.
Harmoniërend met de zuiderse gerechten die ze op de menukaart zetten, geven ze het interieur een exotisch tintje. Boven de kassa wil Jaak absoluut een reproductie van het Alziend Oog hangen. Elise geeft met tegenzin toe, maar begrijpt het niet: een driehoek met een oog, dat is alles wat ze ziet. Voor Jaak is het een eerbetoon. Niet aan een zegevierende tegenstander, maar aan een bovenmenselijke macht die hem zijn bescheiden plaats in deze wereld heeft aangewezen.
EINDE.
Rene Jochems, Kontich, 2 september 2026.