EEN GRIEKSE TRAGEDIE
Koor: De stilte hangt over de heuvels van Attika, waar de goden fluisteren in het ritselen van de olijfbladeren. Het theater is leeg. Enkel het schemerlicht van een fakkel danst over de stenen treden.
Koor: “Een jonge stem, zacht maar gespannen, klinkt uit de schaduwen. Hij heeft haar gezien in de dauw van de ochtend. Geen rust breekt aan. De wereld wist nog niet wat zij zou worden.”
De aula gonst als een aandelenbeurs op te veel amfetamines. Honderdtwintig studenten vullen de stoffige, donkerblauwe klapstoelen; hun stemmen en lachsalvo’s vermengen zich tot een klankenbrij.
Jurre zit stil achteraan, met strategisch zicht op de dubbele deuren waar elk moment de docent doorheen moet komen. Die docent is, zoals gebruikelijk, te laat. Het geeft de studenten vrij baan om hun sociale spieren te trainen.
Vanuit zijn verheven positie overschouwt Jurre de zaal. Zijn intense blik klampt zich vast aan een plek vier rijen voor hem; daar zit zij: de mooiste vrouw van de wereld, Helena Spartanus. Haar donkere haar valt in een losse golf over haar schouder, en ze lacht om iets wat haar buurvrouw zegt. Het geluid van haar lach kringelt op uit het lawaai; het is voor Jurre het mooiste geluid ter wereld. Hij registreert hoe zorgzaam ze met haar spullen omgaat. Hij kent haar zwak voor sterke koffie en heeft al vaak gemerkt dat ze altijd een extra pepermuntje in haar tas heeft voor een frisse adem. Wat benijdt hij dat snoepje wanneer dat in haar mond verdwijnt.
Hij weet veel van haar, maar zij heeft geen idee dat hij bestaat. Ze is niet gemeen. Ze is gewoon niet geïnteresseerd. Soms voelt hij zich als een schaduw die langs de rand van haar bestaan loopt.
Koor: “Een jonge leeuw draait om haar heen, zijn manen glanzend van overmoed, zijn woordenvloed een strik van honing. En de Goden zien toe hoe de strijd begint.”
Zijn stille, pijnlijke mijmering wordt bruut onderbroken door een beweging in zijn perifere zicht. Karl. Natuurlijk. De man beweegt zich door de rij stoelen alsof hij eigenaar van de aula is. Zijn polo staat strak gespannen over zijn buik, zijn glimlach oogt nep, en dan dat oneindige zelfvertrouwen! Met een zwier die meer weg heeft van een vermoeide sumoworstelaar laat hij zich in het lege vak naast Helena vallen.
"Helena!" Afschuwelijk hoe hij haar mooie naam ordinair uitspuugt. "Ik zag je gisteren in de bibliotheek. Ik dacht: wow, die vrouw weet de hele leeszaal te verlichten met haar intelligente uitstraling."
Jurre voelt plaatsvervangende schaamte. Hij ziet Helena's schouders een fractie van een seconde verstijven, maar ze gunt de opdringerige bewonderaar toch een beleefde glimlach. "Dank je, Karl. Ik zat daar te studeren."
"Stu-déren?" Karl schudt zijn hoofd alsof hij een ongelooflijke grap hoorde. "Nee, schat, jij zat daar te stràlen van kennis. Als ik jou zie, vergeet ik de filosofische levensvragen. De wereld is dan volmaakt."
Jurre balt zijn vuisten onder de tafel, geïrriteerd door de lege platitudes. Tot zijn opluchting ziet hij hoe Helena niet onder de indruk raakt. "Leuk, Karl. Echt heel leuk," zegt ze, maar richt haar aandacht volledig op haar mobieltje. Haar beleefdheid verbergt haar pure onverschilligheid. Karl echter merkt dat niet. Hij leunt achterover, armen gekruist: hij beraamt zijn volgende zet.
De redding is de deur die met een klap opengaat. Professor De Vries, een man met een wilde bos grijs haar en een scheve bril, loopt naar het katheder. De chaos sterft een snelle dood. Alleen het geritsel van notitieboekjes en het openklappen van laptops maken nog enig gerucht.
Jurre slaakt een zucht van verlichting. De les begint. Twee uur is hij – nee, is Helena - verlost van dat alfamannetje.
Koor: “Een wijze spreekt tot zijn volgelingen: “De wereld die jullie kennen, is een schaduwspel. Ik ben de hand die de lamp draait.”
“Goedemorgen allemaal. Vandaag behandelen we een kernbegrip uit de sociologie: De Geconstrueerde Werkelijkheid. Of met andere woorden: hoe collectieve betekenissen, rollen en structuren ontstaan en in stand worden gehouden.”
[Daar gaan we weer. Nodeloos tijdverlies. Ik heb dit al lang geleden zelf uitgevist, voor ik hier ooit voor inschreef. Maar, als ik om me heen kijk, zie ik enkel pennen die schrijven of vingers die toetsen intikken, alsof het een openbaring is. Niemand die verpinkt.]
“Samenlevingen zijn opgebouwd uit lagen van afspraken, instituties en gedeelde verhalen. Neem geld, bijvoorbeeld. Waarom accepteren we een stukje papier of een digitaal cijfertje op een scherm als waardevol? Omdat we collectief hebben afgesproken dat het zo is. Hetzelfde geldt voor wetten, normen, zelfs onze identiteit: ze zijn allemaal producten van gedeelde overtuigingen die zelden ter discussie staan.”
[Zelden ter discussie staan? Inderdaad. En hier zitten we dan ook braaf het niet ter discussie te stellen. Ik zie iedereen knikken bij geld is een afspraak, een abstract begrip. Alsof dat iets verandert voor iemand die zijn kothuur niet kan betalen. Dan is die afspraak plots niet meer zo abstract.]
“Neem nu onze economie. Die draait op vertrouwen: vertrouwen in overheden, in banken, in elkaars beloftes. Maar wat als dat vertrouwen wegvalt? Dan stort het systeem in. Dus houden we het in stand, niet omdat het ‘natuurlijk’ is, maar omdat we afgesproken hebben dat het zo moet zijn.”
[Afgesproken? Wie heeft dat afgesproken? En vertrouwen? Mooi woord voor: we hebben geen keuze, dus doen we maar slaafs voort. Iedereen knikt en gelooft oprecht dat ze hier iets leren over hoe de wereld echt in elkaar zit, alsof dit college hen wakker schudt. Het schudt niemand wakker. Het is een aflaat voor mensen die morgen toch weer stage gaan lopen bij de bank.]
“Ook sociale hiërarchieën zijn geconstrueerd. Waarom hebben sommige mensen meer macht dan anderen? Omdat we geloven in titels, in status, in de verhalen die we vertellen over wie ‘belangrijk’ is. Deze verhalen zijn niet objectief, maar wel gedragsbepalend.”
Jurre gaat rechtop zitten, kruist zijn armen en kijkt met een grijns…
[En dat vertelt hij ons, met zijn titel, vanaf zijn katheder, met voor zich honderd jongelui die naar hem opkijken omdat er ‘Prof.’ voor zijn naam staat. De ironie ontgaat me niet. Hem ook niet, denk ik, maar hij houdt dat voor zich. Het is makkelijker de theorie te doceren dan toe te geven dat hij er zelf een aanschouwelijk voorbeeld van is. Wat een circus.]
“En dan hebben we nog de ‘lagen van abstractie’. Achter een simpele kop koffie schuilen wereldwijde handelsketens, financiële systemen, arbeidsomstandigheden, milieu-effecten… Allemaal onzichtbaar, maar allemaal werkelijkheid. We leven in een web van systemen die we niet volledig begrijpen, of die gewoon onzichtbaar zijn, maar waar we wel in moeten functioneren.”
[Ik doorzie het wel, hoor. Ik weet perfect welke keten achter mijn koffie zit. Het probleem is niet dat het onzichtbaar is. Het probleem is dat ‘het zien’ niets verandert. Ik ben even medeplichtig. Een stom radertje in het systeem.]
“Nu zullen jullie vragen: hoe navigeren we hierin? We volgen ‘sociale scripts’, ongeschreven regels over hoe we ons moeten gedragen. En we vertrouwen erop dat het systeem ‘werkt’ en dat iedereen meedoet. Maar af en toe…
[Hij pauzeert en scant de gezichten.]
“… af en toe gebeúrt er iets. Iemand doorziet de onderliggende structuren. Iemand stelt een vraag.”
[Kijkt hij nu naar mij? Weet hij dat ik de draden van het web zie?]
“Maar goed, dat is voor een andere les. Voor vandaag volstaat dat je onthoudt dat samenlevingen ‘niet natuurlijk’ zijn. Ze zijn ‘gemaakt’, en dus niet perfect. En wie weet… misschien zijn jullie de generatie die die constructies gaat heroverwegen.”
[Heroverwegen? Of gewoon stoppen met meedoen? Maar hoe? Ik zou een vraag kunnen stellen, maar dan ben ik voor de rest van het jaar het mikpunt, dat kritische ventje. Bedankt! Het is makkelijker om gewoon het script te volgen. Wat op zich dan weer het bewijs is van zijn toelichting. Grappig.]
“Zijn er vragen?”
[Niemand steekt een hand op. Natuurlijk niet.]
Koor: “De storm die komt, is nog niet te zien. Je voelt hem in het kraken van de kiel en het klappertanden van de zeilen. De zee vergeet, maar vergeeft niet.”
Als een leeglopende lavabo stromen de studenten naar het gat van de timmerman, waar zoals steeds een opstopping ontstaat, omdat niemand op het idee komt om de beide deurvleugels open te zetten. Jurre gunt deze déjà-vu geen blik en speurt naar de schone Helena.
Uiteraard wordt die gestalked door de opdringerige Karl, die haar vermoedelijk overdondert met zijn visie op de les. Jurre tracht als een aal dichterbij te kronkelen, zonder de aanschuivende lijven aan te stoten. Eens binnen gehoorsafstand vangt hij nog net Karls besluit op: “… Ik zou kunnen verkeerd zijn, maar dat is hoogst onwaarschijnlijk.” Die man is de bescheidenheid in persoon.
“Juffrouw Spartanus. Juffrouw Spartanus!” Professor De Vries moet zijn stem forceren om zich hoorbaar te maken, terwijl hij een envelop heen en weer zwaait. Helena verlaat de rij en neemt verbaasd de omslag in ontvangst. Nog een toelichting van hem, een beleefd knikje van haar, en ze laat zich weer meevoeren met de stroom.
Buiten staat Karl haar op te wachten. Als een mimespeler toont hij haar een diepe frons tussen de ogen, gepaard met een eendenbek. Omdat Helena zijn acteertalent niet begrijpt, of gewoon geen zin heeft om hem een verklaring te geven, brengt hij zijn vraag onder woorden: “Wat moest de Vrieseman?”
“Oh, niets.”
“Hoezo, niets? En die envelop dan. Wat zit daarin? Een liefdesbrief?”
“Nee,” reageert Helena gevat, “de examenvragen.”
Karl kijkt haar aan met uitpuilende ogen en knikt met zijn dikke kop voor honderd procent zekerheid: “Ja, inclusief oneerbare voorstellen. Quid pro quo! Weet je wel. Pas maar op, meisje. Zo’n sluwe ouwe vos kent alle truken van de foor.” Hij legt een beschermende arm om Helena’s schouder en zegt: “Ik kan je maar beter onder mijn vleugels nemen. Voor je het weet, heeft hij je in zijn macht.”
Helena schudt de arm van zich af en bevriest zijn versierpoging met: “Handen thuis, Karl. Ik hoef geen bescherming. En ook geen permanente schaduw. Ik bepaal zelf met wie ik contact heb. Daag.”
Amper drie meter achter hen loopt een medestudent met een brede glimlach om de mond…
Op weg naar zijn studentenkamer loopt Jurre door een woud van overpeinzingen. Om Helena’s hart te veroveren, zal hij die twee haantjes moeten uitschakelen. Bij wijze van spreken.
Karl denkt dat zijn spieren en zijn praatjes indruk maken en volstaan om een vrouw voor zich te winnen. Maar Helena’s blik glijdt erlangs. Ze heeft duidelijk geen zin in een man die denkt dat fysieke kracht gelijkstaat aan controle.
Armand De Vries is een ander paar mouwen. Een man met aanzien, overtuigd van zijn manipulatieve kracht. Het opvallende, frequente oogcontact met Helena tijdens de les bezorgt Jurre een gevoel van onmacht. En dan die mysterieuze omslag: die irriteert hem mateloos. De liefdesbriefinsinuatie van Karl erbovenop maakt hem zelfs jaloers. Hoe belachelijk is dat?
Koor: “Hoort! De listenkoning nadert haar. Niet met het zwaard, maar met de gladde tong. Zij, onwetend, hoort zijn zoete zang. Maar daar rijst een rivaal op uit de schaduw, met vuur in 't oog en jeugd op de huid.”
“De Tagliolini al tartufo voor de papa, en… de Lasagna voor de dochter. Zo, eet smakelijk.”
Helena is niet helemaal op haar gemak en hoopt dat ze een hap naar binnen zal krijgen. Toen ze deze morgen het briefje van de prof las, liep er een koude rilling over haar rug:
Juffrouw Spartanus, ik wil iets persoonlijks met je bespreken. Zou je vanavond met mij willen eten bij Casa Siciliana?
Ik leg daar graag uit waarom.
Armand De Vries
Wat wilde die docent met haar bespreken dat niet kon wachten? Het lokaas, een “hapje” in de Casa Siciliana, zag ze wel zitten. Maar waarover zou dit gaan? Ze was heel benieuwd.
De Vries, net zo ongemakkelijk, glimlacht en zegt: “Buon appetito.”
“Smakelijk, professor,” antwoordt Helena.
“Buiten de campus is het gewoon Armand, hoor, Helena.”
Ze schrikt zozeer dat ze zich bijna verslikt.
Terwijl ze eten, hangt er een gespannen stilte boven hun tafeltje.
Wanneer Helena de helft van haar lasagna op heeft, is De Vries al klaar met zijn truffelschotel. Hij veegt zijn mond af, neemt een grote slok van zijn Primitivo-wijn en schraapt zijn keel.
“Helena, eet maar rustig verder hoor. Intussen kan ik al … euh, bon. Met de deur in huis dan maar. Ik vind jou een bijzondere studente. Ik kan het moeilijk onder woorden brengen, maar jij hebt een ongelooflijke présence. Ik heb het gevoel dat jij dingen te vertellen hebt, die de andere studenten zich zelfs niet kunnen inbeelden.”
“Jeetje, dat is me nogal wat. Zoveel complimenten, professor. Ik krijg het gevoel dat u mij een moeilijke lesopdracht gaat geven.”
“Ik heb wel liever dat je Armand zegt. Kijk, ik heb eerbied en bewondering voor jou, Helena, zelfs een stil verlangen. Denk maar niet dat dit een flirtatie is. Het gaat mij dieper dan dat. Het klinkt waarschijnlijk dwaas uit mijn mond, ik weet het. Maar zo voel ik het.”
“Wat wilt u nu eigenlijk zeggen, prof… Armand? Dit voelt heel ongemakkelijk. U bent een getrouwde man, toch?”
“Ja, en dat is net het probleem: mijn vrouw, ze wil me niet meer.” Professor De Vries haalt diep adem en stort dan zijn hart uit:
“Ik herinner me het exacte moment, vorige herfst, waarop ik me dat realiseerde. Ik wilde haar kussen. Ze verstijfde en deed een stap opzij: Nu niet, ik ben moe. Moe. Weer dat woord. Ik dacht: ze wil me niet meer. Misschien nooit meer.”
Helena voelt zich hier helemaal niet prettig bij. Ze weet zich geen houding te geven bij het feit dat hij vertelt over zijn huwelijk alsof ze niet zijn studente is, maar zijn therapeut.
“Sorry professor, maar ik denk dat u beter niet verdergaat.”
“Laat me uitspreken, alsjeblieft Helena. Dit is belangrijk. Ik vroeg mezelf af: wanneer keek ze me nog aan alsof ze me wilde. Wanneer was de laatste échte kus? Ik was altijd de initiatiefnemer. En altijd de afgewezene. Bovendien gaf ik ook nog mezelf altijd de schuld.”
Helena eet verder. Met muizebeetjes. Ze kan amper doorslikken. Maar ze eet om haar ongemak te verbergen.
De Vries laat nu compleet zijn vertrouwde, dominante houding varen. Hij realiseert zich wel dat hij erg ver gaat met deze biecht, maar tegenover Helena verliest hij zijn terughoudendheid.
Na een denkpauze gaat hij verder: “Het vuur is uitgegaan. Er rest mij enkel een koud bed. Ik heb alles geprobeerd: ik ben gaan sporten, ben afgevallen, heb nieuwe kleren gekocht. Ze zei: Je ziet er goed uit. En keerde zich weer om, naar haar tv-soap.
Ik verzorgde een etentje bij kaarslicht. Twee uur stilte. Toen ging haar telefoon. Een vriendin. Ze nam op. En ik zag hoe ze een ander mens werd. Lachend. Grappen makend. Verhalen vertellend. Zoals ze vroeger tegen mij was. Ik zat daar te kijken hoe ze opbloeide voor iemand anders. Twintig minuten wachtte ik als een vreemde bezoeker. Toen ze eindelijk ophing, keek ze me aan alsof ze vergeten was dat ik er zat, en informeerde nonchalant: Sorry, waar hadden we het ook alweer over? Ik wilde het niet meer weten.
Uiteindelijk vroeg ik: Vind je me nog steeds aantrekkelijk? Ze rolde met haar ogen en zei: Doe toch niet zo puberachtig.
Ze heeft geen behoefte meer aan mij; dat is de rauwe waarheid. Ze trekt zich terug. Ik voel de kilte. Het houdt me wakker ’s nachts, als ik naast haar lig, verlangend, op tien centimeter, mijlenver. Ik ben nog slechts een huisgenoot. Niet meer de man die ze begeert.”
Zijn woordenvloed houdt even op. Helena ziet hem lijden. Tevergeefs zoekt ze een troostend woord.
Op fluistertoon neemt hij de draad weer op: “Ik vraag me af: wat hebben andere mannen dat ik niet heb? Is te betrouwbaar zijn hetzelfde als onzichtbaar zijn? En in mijn hoofd herhaal ik honderd keer de gesprekken die ik met haar heb gevoerd… of beter, die ik nooit durfde te voeren.”
De Vries zwijgt. Hij ziet er plots tien jaar ouder uit.
“Wat erg,” reageert Helena vol empathie. “En met al dat piekeren, hoe kan u overdag nog blijven functioneren?”
“Ach, overdag hebben we onze rollen te vervullen. Plichten die onze hersenen volledig in beslag nemen. Ik sta dan les te geven in de collegezaal, aan een bende onverschillige studenten.
En dan zie ik jou zitten, Helena, aandachtig luisterend. Dan komt er een kalmte over me heen, die alle stress verdrijft.”
Helena zwijgt. Ze voelt zich met de minuut benauwder. Dit gaat de foute kant op. “Waarom ging u dan al niet weg?” vraagt ze.
“Ach, opgegroeid in een streng, traditioneel milieu, gebrainwashed om steeds ‘het juiste te doen’. En dat mijn vrouw de dochter is van de rector die mij heeft aangesteld, geeft een morele verplichting. Ik ben de helft van mijn leven kwijt, maar voor het eerst vind ik de moed om te revolteren.”
Helena knikt vol begrip. Ze hoopt dat door zijn nuchtere analyse zijn emoties zijn geluwd. Terwijl ze nadenkt over een exitstrategie, legt De Vries zijn hand op de hare. Zacht. Wanhopig.
“Helena, ik weet dat het leeftijdsverschil groot is, maar zou jij, … wil jij mij beter leren kennen? Niet hier. Op een rustigere plek, zodat we het formele, het afstandelijke dat er nu nog tussen ons bestaat, dat we …”
“Wel, wel, wel. Kijk eens aan: de oude zak lust ook nog een groen blaadje!” Karl staat grijnzend, wijdbeens voor hun tafeltje, de handen in zijn heupen.
“Hoe durf jij een prof zo aan te spreken?” blaft Helena terug, terwijl ze snel haar hand intrekt. “Onbeschofte nietsnut!”
Karl schrikt: die felle reactie van haar heeft hij niet verwacht. Hij kwam een bestelde pizza afhalen, zag toevallig die twee bekende gezichten, de klauw van het roofdier op het pootje van de prooi, en dacht Helena te kunnen bevrijden. En dan dit verwijt!
Armand duikt weer in zijn rol van prof De Vries en doet haar teken dat zij niet op deze provocatie moet ingaan. Hij kijkt de brutale student aan en zegt met gezaghebbende stem: “Wat dapper van je, jongeman. Ik kan merken dat je op deze gelegenheid hebt gewacht om me dit eens te kunnen zeggen. Jouw probleem, vriend, is dat je arrogantie verward met eerlijkheid. Je klinkt als iemand die behoefte heeft om gezien te worden, maar hoe luider je roept, des te kleiner je lijkt.”
Karl opent zijn mond voor een venijnige tegenaanval, maar de prof steekt kalm zijn hand op: “We kunnen al raden wat je nog allemaal wil uitkramen. Je luide stem heb je al laten horen. Nu moet je eerst beslissen of je ook iets te zeggen hebt. Dat is iets heel anders.”
Karl kan wel vuurspuwen, maar staat sprakeloos en probeert na te denken. Zo’n academisch gelul is normaal zijn trigger om fysiek geweld te gebruiken. Hij voelt echter dat het hele café de adem inhoudt, de ogen op hem gericht. Wijselijk druipt hij af, met gebalde vuisten en het vaste voornemen het hier niet bij te laten.
Koor: “Door het web van koningswoorden heen ziet hij de begeerte en de lust! Hij eist het zuivere recht, naar waarheid en eer, en wacht het oordeel van de Goden.”
In een schaduwrijk hoekje van de cafetaria knabbelt Jurre op een koffiekoek. Hij merkt niet eens dat die niet meer vers en niet lekker is.
Zijn gedachten zijn bij Helena. Of meer precies, bij de omslag die De Vries haar in de hand duwde bij het verlaten van de aula. Ondanks zijn bedenkingen bij de vele pogingen van De Vries om oogcontact te verkrijgen met Helena, schuift hij welwillend de amoureuze optie terzijde. Zou een prof iemand die hij genegen is publiekelijk de examenvragen doorspelen? Het lijkt Jurre weinig waarschijnlijk. Maar wat dan wel? Een verzoek om te bemiddelen bij een welstellend familielid voor steun aan een van zijn projecten? Dat zou goed kunnen. Een onderzoeksopdracht? Ook mogelijk.
Een lachsalvo vanuit een andere hoek brengt hem weer naar hier en nu. Karl staat bij een groepje losers succesvol te gesticuleren. Het is te ver weg, daarom gaat Jurre heel onopvallend bij de koffieautomaat hangen, om Karls prietpraat te kunnen volgen.
“Het toppunt is nog dat ik door de strapatsen van die ouwe snoeper mijn pizza vergeten af te halen ben. Miljaar! En die schijnheilige wist het dan nog zo te draaien dat alle klanten dachten dat ik de schurk was, terwijl ík hém betrapte met die hete Helena! Ge moet toch maar lef hebben. En morgen staat die met een lijkbiddersgezicht weer voor onze neus, les te geven over De geconstrueerde werkelijkheid. Il faut le faire!”
Jurre krijgt een beklemmend gevoel in de borststreek. Dus toch. Een van de meest rauwe en universele pijnen van het bestaan overvalt hem. De jaloezie is dubbel: hij is jaloers op hem, omdat hij haar heeft, en jaloers op haar, omdat zij hem kiest. Zo voelt het. Maar Jurre weet wel zeker dat Helena De Vries niet boven hem verkiest. Zij is vast en zeker in de val gelopen. De ervaren rokkenjager heeft natuurlijk geprofiteerd van zijn intellectuele overwicht, van zijn status en zijn geld. Het universum is uit balans gebracht. Jurre is overtuigd dat hem hier een taak wacht.
Koor: “De wijze besnuffelt de val, hij wijkt, hij vlucht langs zijpaden. Maar de ontkoming is slechts uitstel van recht. De jonge held ziet alles, hoort alles en wacht.”
De aula klinkt vandaag uitzonderlijk gedempt. Honderdtwintig studenten bespreken en sourdine de jongste roddel van de campus.
Jurre zit trouw op de achterste rij en observeert. Helena is afwezig. Professor De Vries is, zoals gebruikelijk, te laat. Veel te laat. Het academisch kwartiertje is reeds een half uur, wanneer een van de voorste-bankzitsters nieuwsgierig gaat kijken wat in het mapje zit dat op de katheder klaarligt. Het geroesemoes valt stil. Iedereen kijkt gespannen toe terwijl ze leest. De mond van de blonde krullebol valt open. Ze kijkt in de zaal en zegt: “Hij komt niet!”
“Wat schrijft hij?” roept iemand, waarop ze begint voor te lezen:
“Goedemorgen allemaal. Na De Geconstrueerde Werkelijkheid behandelen we vandaag: De Ethiek van de Waarnemer. Wie construeert wiens werkelijkheid?
Jullie hebben mij vorige week geobserveerd. Jullie zagen een prof die zijn status gebruikt. Die 'status' bestaat alleen omdat jullie hem erkennen. Door mij vandaag te willen 'betrappen', bevestigen jullie mijn macht. Jullie zijn dus medeplichtig aan mijn constructie.
Maar waar ben ik? Zolang ik hier vooraan sta, besta ik in jullie hoofden als die manipulator. Door weg te blijven, ontneem ik jullie het object van jullie kritiek. Jullie kunnen mij niet betrappen, want ik ben er niet. Bespreek nu onderling wat dit met jullie doet."
[De lepe vos. Dat heeft hij knap bedacht. Dat moet ik hem nageven. En kijk maar wat hier nu gebeurt: de een vindt dat hij laf is, de ander dat hij een genie is. Ze construeren in zijn afwezigheid een nog grotere, machtigere versie van hem. Door hen te dwingen om te erkennen dat zijn macht niet in zijn lichaam zit, maar in hun collectieve verlangen om hem te vellen, is hij de winnaar van het spel… Tenzij…]
Jurre springt op en vraagt het woord. Het duurt even tot men stil is en wil luisteren. Hij aarzelt. Wat bezielt hem? Dit is niet normaal. Met trillende benen begint hij te spreken, en het klinkt alsof hij dat vaker doet:
“De Vries heeft slim voorzien waar dit op zou uitdraaien, namelijk dat we elkaar bestrijden. De enige manier om een manipulator, pardon een constructivist, te verslaan, is door niet mee te spelen in zijn toneelstuk. Als we in de les blijven, bevestigen we zijn autoriteit. Als we de les verlaten, construeren we onze eigen werkelijkheid waarin hij irrelevant is. Zijn vraag van vandaag is: wie construeert wiens werkelijkheid? Ons antwoord moet zijn: De werkelijkheid is geen feit; ze is een keuze. En door te blijven, kiezen we voor zijn spel. Wel, ik doe alvast niet meer mee. Bye, bye!”
Terwijl Jurre de trappen afdaalt richting de deur, begint Karl in zijn handen te klappen. Weldra volgt een donderend applaus. De aula loopt leeg. Jammer dat Helena zijn triomf heeft gemist…
Koor: “De oude vos heeft zijn spel gespeeld, misbruikte macht, begeerde wat niet mocht. De jonge held geeft gestalte aan de wil der Goden: Wie de wet verbreekt, moet de wet ontmoeten.”
Hij had het goed voorbereid, niet in handelingen, maar in gedachten. De daad was het sluitstuk van consequent redeneren dat hij maandenlang had aangescherpt tot het onweerlegbaar werd. In zijn hoofd was het geen moord, maar een correctie: het wegnemen van een fout die zich als autoriteit had vermomd.
De professor was voor hem een symbool geworden van macht die zichzelf handhaaft door anderen klein te maken. Hij had hem doorzien, meende hij. Achter het gezag ontdekte hij de leegte: een meelijwekkende mens. Daarna bleef slechts het besluit tot zuivering over.
Toen het zover was, voelde hij geen woede, geen opluchting. Alleen de rust van iemand die een laatste stap zet in een redenering die allang voltooid is. De wereld zou het moord noemen. Dat wist hij. Maar de wereld vergiste zich wel vaker, vooral wanneer zij moest oordelen over wat zij niet had durven begrijpen.
Hij had geen straf voltrokken, hield hij zichzelf voor. Een grens had hij getrokken, waar anderen eindeloos aarzelden. Dat die grens door een mensenleven liep, beschouwde hij niet als een bezwaar. Het was het bewijs dat hij had gehandeld, waar voordien iedereen had weggekeken.
Koor: “Geen sterveling weet hoe ver hij reiken kan, tenzij hij verder gaat dan het betaamt. Alleen de stap voorbij de grens onthult waar de grens ligt.”
Het is bijna middernacht en Jurre zet er flink de pas in. Hij verlaat de parking die leeg is, op de wagen van De Vries na. Met de verbetenheid van een topsporter stapt hij door de verlaten straten van de buitenwijk. In zijn hoofd ziet hij de slowmotionbeelden van de confrontatie met de professor.
De Vries had gewoontegetrouw weer tot laat gewerkt aan het manuscript van zijn volgende boek. Hij wist meteen dat er iets mis was: bij zijn auto stond iemand hem op te wachten. Jurre bemerkt dat zijn docent nerveus is, bang zelfs. Hij confronteert hem onmiddellijk met het machtsmisbruik door zijn positie, met het grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van bepaalde vrouwelijke studenten.
De Vries reageert verward. Hij ziet er kwetsbaar uit wanneer hij probeert de aantijgingen te ontkennen. Jurre onderbreekt hem; hij heeft geen verklaring nodig, hij weet genoeg en wil een morele veroordeling uitspreken. De professor heeft geen zin in dergelijke klucht, draait zich naar zijn auto en wil instappen.
Met al zijn kracht haalt Jurre uit en geeft de man een zware klap in de nek. De Vries wankelt, grijpt naar zijn keel, valt achterover met zijn hoofd tegen een boordsteen. Bewegingloos ligt hij op zijn rug. De sterren van de nachtelijke hemel weerspiegelen in zijn lege ogen.
Een ogenblik staat Jurre verrast. Onmiddellijk echter doorziet hij de betekenis van wat is gebeurd. Dit is geen ongeluk, denkt hij, maar noodzaak; geen moord, maar correctie. Hij wilde de prof doen stoppen. Hij wilde hem tonen dat zijn geconstrueerde macht niet onaantastbaar is. Het noodlot heeft beslist.
Hij vergewist zich van het feit dat op en om de parking geen getuigen aanwezig zijn, en rolt vervolgens het levenloze lichaam in de nabijgelegen gracht. Met enkele afgerukte takken zorgt hij voor de nodige discretie.
Voor Jurre is daarmee de zaak afgedaan. Morgen kan hij zijn opwachting maken bij de bevrijde Helena. De kou bijt in zijn huid. Hij versnelt zijn pas op zoek naar warmte.
Koor: “De held heeft de draak verslagen en treedt voor de maagd met open hand: Gij zijt vrij, spreekt hij, wees mijn koningin. Doch zij verheft haar stem in toorn ontstoken: Gij hebt mij niet gered, gij hebt enkel een ander verdreven. Ik was al vrij, ik wachtte niet op u.”
In alle vroegte komt Helena haar studentenverblijf uit. Na zijn nachtelijke omzwerving staat de ingebeelde held haar al een tijdje op te wachten. “Hoi, Helena. Ik ben Jurre. Misschien heb je me al eens zien zitten in de aula, meestal achteraan…”
“Nee, ik denk het niet, of misschien toch, heel vaag. Er zijn daar ook zo veel studenten.” Hoewel hij dat antwoord had verwacht, is het toch de pijnlijke bevestiging niet te worden opgemerkt.
“Zou ik je kunnen spreken, nù, misschien daar op die bank?” Ze is compleet verrast, maar omdat er van die jongen geen dreiging uitgaat, zegt zij: “Oké, als het zo belangrijk is. Maar niet te lang, want ik moet naar de bakker.”
Wanneer ze neerzitten, kijkt Helena hem met grote ogen vol verwachting aan. Voor Jurre is haar uitnodigende blik misleidend. Terwijl zij alleen beleefd probeert te achterhalen waarom hij haar aanspreekt, leest hij er onmiddellijk intimiteit en erkenning in.
De lucht is geladen. Jurre heeft de voorbije uren zijn woorden gewikt en gewogen: nu nog geen openlijke liefdesverklaring, maar op zoek naar dankbaarheid en verbondenheid. Met plechtige toon vertelt hij: “Helena, De Vries is weg. Ik heb ervoor gezorgd dat hij jou nooit meer lastigvalt.”
Helena tracht de betekenis van zijn woorden te begrijpen: “Hoe bedoel je, weg?”
“Ik heb hem opgeruimd. Good riddance.”
“Zeg jij nu dat je professor De Vries hebt vermoord? Ben jij gek, misschien?”
“Helena, alsjeblieft, ik deed het voor jou! Hij had jou in zijn macht. Hij misbruikte zijn status om jou…”
“Maar man, jij bent écht gek!” Helena houdt zich in om het niet uit te schreeuwen. Ze bekijkt Jurre met ontzetting en afgrijzen.
“De Vries had mij helemaal niet in zijn macht. Ik heb hem zelfs afgewezen, zijn les gemeden, en had hem indien nodig aangeklaagd. Waar bemoei jij je mee? Dit is mijn leven, mijn keuze.”
“Helena, sinds ik jou ken, voelt het alsof ik eindelijk iemand gevonden heb die bij me past.”
“Maar jij kent me helemaal niet, idioot! Jij weet niets van mij. Ik val niet op jou, zoals ik ook nooit op De Vries of op Karl of eender welke man zou vallen. Snap je ’t? Ik val niet op mannen. Jullie stonden nooit op hetzelfde toneel als ik. En nu wil ik verder niets met jou en je moord te maken hebben. Rot op!”
Helena maakt zich uit de voeten. Jurre zit perplex. Hij dacht rivaal, redder, held te zijn. Hij blijft achter met niets dan leegte in plaats van hoop.
Koor: “De koning is dood, keert nimmer weer. De maagd is vrij, maar niet voor hem. Geen dank, geen liefde, geen genade. Slechts de rekening rest, een lege daad, een laatste plicht. De held staat in de as van zijn eigen triomf.”
Jurre zit op de bank en observeert het verkeer. Al die mensen op weg naar ergens en nergens. En niemand staat erbij stil dat niets van ons is. Niet het huis dat we gezellig inrichten. Niet die zomer waarin we gelukkig waren. En zeker niet de mensen die we graag zien en willen vasthouden. Het leven leent ons alles uit. En op een dag, een klop op de deur, en het leven komt alles weer ophalen.
Mooie gedachte, denkt Jurre: de zonsondergang is prachtig omdat die verdwijnt. Hij denkt aan Helena, aan De Vries, en aan de tijd die hij verspilde aan gelijk willen hebben, aan winnen en vasthouden. Wat hield hij nu uiteindelijk over?
Langzaam staat hij op en loopt zonder aarzeling een aantal straten door. Hij stapt een politiebureau binnen, wendt zich aan het loket tot de planton en zegt sober: “Ik wil een verklaring afleggen over de dood van professor Armand De Vries.”
Wanneer men naar zijn naam vraagt, valt er een korte stilte voor hij antwoordt. Voor het eerst zegt hij niet wat hij denkt dat de wereld moet begrijpen, maar alleen wie hij is.
Koor: “De stilte keert terug over de heuvels van Attika. Het theater is leeg, de fakkels gedoofd.
Een jonge stem klonk uit de schaduwen, en het werd weer stil. De Goden zwijgen.
Het gras groeit over de greppel. En de morgen komt, ook zonder hem.”
EINDE
Rene Jochems, Kontich, 25 augustus 2026.