ASYMMETRIE

       

 

  1. De verhuizing.

Twee weken geleden sprak mijn moeder haar laatste woorden. Drie woorden. “Wanneer naar huis?”

Een jaar daarvoor was mijn vader gestorven. Pas nadien werd duidelijk hoezeer hij de laatste jaren haar houvast was geweest. Met geduld had hij haar behoed voor vergissingen en ongelukjes. Nu, zonder hem, liep het mis.

Ik moest pleiten als een advocaat om Frans, haar zoon, mijn broer, te overtuigen dat een woonzorgcentrum de enige oplossing was. Hij vond van niet, maar vanuit het buitenland is dat makkelijk gezegd. Het vinden van een geschikte instelling kostte me veel tijd, maar uiteindelijk lukte dat. Zeven maanden geleden verhuisde ze naar paviljoen Camelia.

Ze leek tevreden. De verpleging en ik zagen wel dat ze met de dag stiller werd. Tot ze bleef hangen op die ene vraag. Elk bezoek begon en eindigde met: “Wanneer naar huis?” Tot twee weken geleden.

Men had haar enkele keren van de parking moeten halen. Ze zocht naar mijn auto. De pijnlijke maar noodzakelijke beslissing volgde: beperkte bewegingsvrijheid. Sindsdien zit ze in paviljoen Zinnia. Zij zit nu veilig. En ik ben gerust.

 

  1. De verhuizing. (bis)

{ Ergens moet er een deur zijn. Waarom vind ik die niet meer? En waar is mijn man? Hij liep naast me, altijd zijn hand onder mijn elleboog, zacht maar beslist. Ik wist: zolang die hand er is, raak ik niet verdwaald. Niet in de gangen; niet in de woorden; niet in de uren van de dag of de nacht die steeds meer op elkaar beginnen te lijken.

Maar hij is weg. De kamers zijn ineens groter geworden. De namen van mijn kinderen liggen ergens op mijn tong, maar komen niet meer los. Ik hoor mezelf vragen stellen. Ik ken eigenlijk de antwoorden al, maar de vragen zijn dringender dan de stilte.

Ze brachten me naar Camelia. Camelia, dat klinkt als een bloem die niet verwelkt. Er was een tuin, en ik zat er uren met mijn gezicht naar de zon. De verpleegsters glimlachten en zeiden dat ik gelukkig leek. En ik dacht: ja, misschien ben ik dat ook wel. Zolang ik maar weet dat mijn thuis mij nog verwacht, is er niets aan de hand.

Ik bleef het herhalen, omdat ik vreesde dat ik het anders zou vergeten. Aan iedereen die langskwam vroeg ik: "Wanneer naar huis?" De vraag was geen vraag meer, het was een gebed.

En opeens geen tuin meer. Ze hadden me gezien op de parking, zeiden ze. Ik zocht naar een auto die ik me niet meer kon herinneren. Was ik op weg naar huis? Of liep ik weg van iets? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat het sindsdien Zinnia is.

Zinnia is stiller. De muren zijn hier witter. Het raam kijkt niet meer op de straat, maar op een gang. Er fietsen geen mensen meer voorbij; er lopen nu enkel verpleegsters heen en weer.

Soms hoor ik mijn eigen stem nog, heel ver weg. Een echo is het in een leeg huis. Ik weet niet meer wie ik was, alleen dat er ooit een hand mijn elleboog vasthield. En die hand zoek ik. Ze is thuis. }

 

  1. De afwezigheid.

In de gangen van Zinnia is het stiller dan bij Camelia. De deuren zijn er op slot. Een verpleegster laat me binnen en wijst de weg naar de gemeenschappelijke ruimte.

Moeder zit in een kring. Zeven bewoners, elk in een zetel met armleuningen. Hun ogen zijn open of dicht; het maakt geen verschil. Een hippe, jonge vrouw staat in het midden. Ze is blijkbaar een therapeute en zingt een oud kinderliedje over een klein stationnetje. Sommige bewoners lippen de tekst mee, anderen klappen in hun handen. Moeder staart voor zich uit. De therapeute moedigt hen aan met zachte woorden en gebaren, alsof ze kinderen zijn.

Ik ga aan de rand van de kring zitten en kijk toe. De therapeute begint een nieuw lied, dit keer met een eenvoudige beweging: handen op de knieën, handen omhoog, handen weer neer. Twee bewoners doen mee. De anderen niet. Moeder beweegt ook niet. Ze blijft zitten, haar handen gevouwen in haar schoot. Haar houding is rustig. Haar blik leeg. Ik hoop dat ze niet ongelukkig is.

Wanneer de therapeute de sessie beëindigt, zet ik me op een stoel naast mama en zeg: "Ik ben hier." Ze draait haar hoofd, kijkt me aan, maar haar ogen houden me niet vast. Herkent ze me of niet? Het is niet te zeggen.

"Het was een mooi liedje, vond je niet?" Ze zegt niets. Haar handen liggen stil. Ik vertel over Frans, die het zo jammer vindt dat hij zo ver weg woont en dus niet op bezoek kan komen. Ik vertel over haar kleinkinderen, het weer, over mijn tuin waarin de rozen beginnen te bloeien. Moeder luistert, of niet. Het is niet duidelijk.

Na tien minuten sta ik op. Ik buig me voorover en geef haar een zoen op de wang. "Tot ziens, mama."

Ze kijkt op. Haar mond opent zich, alsof er een woord wil komen. Er komt niets. Haar blik dwaalt af naar de muur. Ze is stil. Afwezig. Ze lijkt niet ontevreden.

Ik loop naar de uitgang, terwijl ik vecht tegen de tranen.

 

  1. De afwezigheid. (bis)

{ Hier zitten we weer, in een kring. Het lijkt wel mijn kleuterklasje. De kindjes zien er niet goed uit. Oud en lelijk. Ik ben er een van. Sommigen slapen; dat mag van de juf. Zij staat in het midden en zingt. Ik kon vroeger ook goed zingen, in een klein stationnetje. Ik ken dat liedje ook: ’s morgens in de vroegte. Sommige slapen nog, dat mag. En sommigen bewegen hun lippen. Ik zie het wel.

De juf is blij. Ze klapt in haar handen en wil dat wij dat ook doen. Ik voel mijn handen. Ze liggen op mijn schoot. 
Handen op de knieën. Handen omhoog. Handen neer. Maar mijn handen blijven waar ze zijn. Ze zijn te zwaar. Of ik ben niet sterk genoeg meer. Dat is hetzelfde.

Vlak naast me, een gezicht. Een vrouw zegt: "Ik ben hier." De stem klinkt bekend. Of niet? Ze heeft mooie ogen. Ze zijn zoals die van hem, van vroeger. Het is niet te geloven.

Ze zegt: "Het was een mooi liedje, vond je niet?" Ik denk na. Ik weet het niet. Welk liedje? Ze vertelt over mensen in verre landen. Ik ben vaak in verre landen geweest. Samen met hem die mijn elleboog vasthield. Rozen? In de tuin? De tuin van Camelia is weg. Dat is heel spijtig.

De vrouw geeft me een kus. "Tot ziens, mama." Wie is die vrouw? Zou zij mijn man en mijn kinderen ergens gezien hebben? Ik wil het haar vragen, maar… wat was de vraag? Ik ben het kwijt. Ik wil haar echt iets vragen. Maar ze loopt al weg. Naar het stationnetje. Tuut, tuut, zegt de trein. }

 

  1. De biecht.

Vandaag lijkt moeder een beetje wakkerder. Denk ik. Ik neem haar mee naar haar kamer, dan kan ze rustig het taartje opeten dat ik meeheb, en kan ik met haar praten zonder al die luistervinken in de buurt.

“Mama, ik moet je iets vertellen. Ik heb dit nog aan niemand gezegd, maar jij mag het als eerste weten. Je mag het niet verder vertellen, oké? En zeker niet aan mijn ex, maar ja, die komt jou sowieso nooit bezoeken. Wel: ik ben verliefd.”

{ Ach, verliefd. Mooier kan het leven niet zijn. Zijn zachte blik, zijn glimlach, zijn hand die de mijne vasthield, zijn lippen op mijn mond. Mijn eerste en enige echte liefde… }

Ik zie een glimlach verschijnen op mama’s gezicht.  Ze is vandaag veel aandachtiger. Ik zeg: “Je denkt vast dat ik weer zo'n puberaal verliefdheidje heb, zoals vroeger. Ik heb intussen veertig jaar extra in mijn rugzak, hoor mama. En dat weegt mee. Nee, serieus, er is nu eentje waar ik al even een oogje op heb.

En voor je verkeerde veronderstellingen maakt: het is geen losse scharrel, of zoiets. Nee, het was een toevallige ontmoeting in de supermarkt om de hoek. Ouderwets en onverwacht, net als in de goede oude tijd. Zoals in jouw tijd.

Sommigen zullen zeggen dat het wel erg snel is na de scheiding. Die vergeten dat wij eigenlijk mentaal al twee jaar uit elkaar zijn, sinds het aan het licht komen van meneer zijn slippertjes. Die relatie is definitief verleden tijd. Ik kijk nu weer vooruit.

Zeg, misschien ken jij hem ook wel. Hij woont ongeveer honderd meter verderop in mijn straat, aan dezelfde kant, in dat huis met die knalrode deur. Zie je het voor je? Hij is ietsje groter dan ik en ook ietsje ouder. Volle haardos, gladgeschoren kin. Vroeger droeg hij een bril met een streng, zwart montuur. Nu niet meer. Misschien heeft hij zijn ogen laten laseren? Weet je nu wie ik bedoel?”

{ Ja, dat is goed beschreven: een ietsje groter en een ietsje ouder. Hij was de knapste postbode van de hele stad. En dansen, dat hij kon. Hij leerde mij jiven en twisten… en vrijen. }

“Als ik dat lachende gezicht goed begrijp, dan weet je blijkbaar over wie ik het heb. Ja, Kasper. Dan weet je misschien ook nog dat zijn vrouw een jaar of twee geleden gestorven is. Sindsdien heeft hij een hond die hij elke ochtend en elke avond uitlaat. Telkens hij voorbij ons huis komt, zwaait hij. En ik zwaai terug. En dat ging al een hele tijd zo, tot we vorige week in de supermarkt letterlijk op elkaar botsten. Ik bedoel wel dat we met onze winkelkarretjes botsten.”

{ De botsing was verschrikkelijk. Dat vader toevallig die dag zijn werk moest verliezen en zodoende onverwacht in het tuinhuisje verscheen. O, het kot was te klein! Mijn lieve postbode moest vluchten met zijn broek in zijn hand. Mijn vader bracht zijn postzak met brieven naar de postmeester, die mijn lieve schat op staande voet ontsloeg. En ik mocht hem nooit meer zien. Ik heb hem ook nooit meer gezien. }

Mijn moeder begint onrustig te wiebelen. Ze zoekt iets. Wanneer ze haar zakdoek uit haar mouw tevoorschijn haalt, is het om haar tranen te deppen. Met dat botsen heb ik haar vast doen schrikken.
“Sorry, mama. Het was geen échte botsing. Ik wou gewoon zeggen dat het ijs meteen gebroken was. Oei, nee, er was niets gebroken. Er was niets ergs aan de hand. Het was een hele fijne ontmoeting. We hebben daar tussen de groenten en het fruit minstens een uur staan kletsen. En net zoals ik had verwacht – en gehoopt - is hij een hele aangename man. Dus, mams, tranen van vreugde zijn op hun plaats, maar geen tranen van verdriet.”

{ Mijn vader dwong me om alle contact te verbreken. En in mijn tijd dulden ouders geen tegenspraak. De liefde van mijn leven vertrok naar het einde van de wereld. Gelukkig had hij in mijn buik een heel mooi geschenk achtergelaten: een bloem van een dochter. }

 

  1. De trouvaille.

Ik ben doodop wanneer ik vandaag Zinnia binnenstap. Alle bewoners zitten in de zeteltjes, verspreid in de gemeenschappelijke ruimte. Ik ga bij mijn moeder zitten, neem haar hand vast en laat haar eerst even wennen aan mijn aanwezigheid. Ik zou haar het goede nieuws willen vertellen dat haar huisje verkocht is, maar dat doe ik niet. Het zou haar zeker pijn doen en angstig maken. Dat ik haar spullen en papa’s prularia van 60 jaar of langer aan het opruimen ben, verzwijg ik ook maar wijselijk. Wel neem ik uit mijn handtas een oude foto en hou die voorzichtig voor haar neus.

"Kijk eens, mams, wat een prachtige vondst ik vandaag gedaan heb in jouw huisje. Ik was even aan het opruimen en toen ontdekte ik in een oude handtas deze foto. Die zat in een zijvakje, samen met deze brief van een zekere Michel. Is dat de jongen op de foto? Is dat een oud liefje geweest, misschien?”

Mama pakt de vergeelde foto beet, staart naar het lachende gezicht van de jongeman en wordt zichtbaar emotioneel. Terwijl ze de foto tegen haar platte boezem drukt, begint ze zacht te janken en te schokken; haar gezicht verkrampt van verdriet. Ze mompelt wat, maar ik kan het niet verstaan.

“Mijn lieve jongen… mijn lieve postbode…”

Ik meen iets van ‘postbode’ of zo te horen, maar weet even niet wat ik ervan moet denken. Voor het eerst in weken hoor ik haar stem. Ik dacht oprecht haar een plezier te doen met deze souvenirs. Maar ze is totaal overstuur. En die brief kan het nog erger maken.
“Rustig maar, mama. Wil je een slokje water drinken? Nee? Wil je graag de foto hier houden? Prima. Ja, je mag ze blijven vasthouden. En de brief: wat doe ik met de brief? Wil je die nu graag lezen, of liever een volgende keer? Dan neem ik hem nu terug mee. Wat wil je?”
Ze kijkt me met droevige ogen aan en gesticuleert dat ze wil dat ik haar de brief voorlees. Ik hou mijn hart vast voor de reactie.

Lieve Marie-José,

Ik weet niet of deze brief u ooit zal bereiken, maar ik moet hem schrijven. Het is nu drie maanden geleden dat ik in de haven van Antwerpen aan boord ging van de "Reina del Plata", met niets anders dan een hart vol schaamte, omdat uw vader ons betrapte. Ik zie u nog elke dag voor me, zo schoon met uw haren los, met uw geur van versgebakken brood.

Ik heb werk gevonden bij een geëmigreerde Oostendse visser, in de haven van La Boca. Met hun zoon Firmin kan ik goed opschieten. De visgronden hier zijn rijk, en de scheepsruimen worden snel gevuld. De toekomst lijkt rooskleurig, als tenminste de verkoop op gang zou willen komen. De Argentijnen zijn echte vleeseters. Toch werk ik hard, van zonsopgang tot zonsondergang. Mijn handen zijn kapot door het zoute water.

Waarom ik dat doe? Voor ú, liefste Marie-José. Ik spaar elke cent. Over een jaar, misschien minder, heb ik genoeg voor uw ticket. Dan komt u naar Argentinië, ver weg van uw vader, ver weg van alle zorgen.

Ik stuur u deze brief in de hoop dat hij niet door uw vader onderschept wordt. Maar ik moest hem schrijven. Ik hou van u, Marie-José. Meer dan ooit!

Tot spoedig weerziens. Uw Michel

Mijn moeder zit er roerloos bij. Ze heeft zeer aandachtig geluisterd. Haar blik is naar haar schoot gericht, naar de foto in haar handen. Ze bijt zich op haar onderlip en zwijgt.

 

  1. De ingeving.

Niet te geloven wat mijn ouders wisten te verzamelen. En het dan bijhouden in de stellige overtuiging het allemaal ooit nog nodig te hebben. Ik moest zelfs verlof op het werk nemen om hun huisje tijdig leeg te maken. Ik voel mijn armen niet meer, en mijn schouders, én mijn rug. Ik had beter een container laten komen in plaats van al die ritten met mijn autootje naar het recyclagepark. En het ergst van al: nu staan er nog vier volle verhuisdozen bij mij thuis in de hal. Dingen met emotionele waarde die ik niet kon weggooien, die ik samen met mijn broer Frans zal moeten bekijken, bevoelen, beoordelen, en dan vermoedelijk toch ook maar weggooien.

Vandaag het ouderlijke huisje van boven tot beneden gepoetst en dan de sleutel naar de kopers gebracht. Iedereen tevreden en ik doodmoe. Ik heb mezelf een gembersapje uitgeschonken en plof op mijn chaise-longue met het enige fotoboek dat ik gevonden heb.

De eerste foto is eigenlijk een kaart, hun huwelijksaankondiging: ‘Met de zegen van God en onze ouders nodigen wij, Marie-José Weytens & Frans Steens, u uit om onze bruiloft te vieren op zaterdag 25 september 1971.’
September? Verbouwereerd herlees ik de kaart. Hoezo, september? In ons kleinburgerlijk gezinnetje vierden we de huwelijksverjaardagen van mijn ouders altijd op 25 maart. Dat feestje stond zowat symbool voor het begin van de lente.

Ik schuif het glas gembersap aan de kant en schenk me een flinke borrel Jägermeister in. Dat heb ik nodig na het besef dat mijn geboorte op 2 januari 1972 niet negen, maar drie maanden na dat ‘heilige sacrament van het huwelijk’ valt. En nog wel ‘met Gods zegen’, nota bene. Dat er geen foto’s zijn gemaakt van de hoogzwangere bruid en van de hitsige bruidegom is ineens heel begrijpelijk. De hypocrisie van die verjaardagen zullen we maar toeschrijven aan de kneuterige tijdsgeest van de kerk, die verloofden verbood om voor het huwelijk aan hun vleselijke verlangens toe te geven. Zeker weten dat ik het daar volgende keer graag eens met mama over wil hebben.

 

  1. Het oh-shit-moment.

De hoofdzuster van afdeling Zinnia opent de deur voor mij: “U gaat uw mama niet herkennen,” zegt ze al lachend. “Sinds u haar die jeugdfoto van uw papa gaf, is Marie-José weer het zonnetje in huis. Die foto laat ze niet meer los. Ik heb ze voor haar in een fotokadertje gestoken ter bescherming.”

“Ongelooflijk. Dat is fantastisch nieuws, zuster. Maar, als ik even mag verduidelijken: de persoon op die foto is niet mijn vader. Het is een jeugdvriendje van mijn moeder. Haar eerste liefje, denk ik.”

“Wat gek dat ze zich daarin vergist, nu ze weer zo alert en communicatief is. Ik heb haar op haar woord geloofd toen ze me de foto toonde en zei: Dit is Michel, de vader van ons Micheline. Ach ja, door de dementie kan haar waarheid soms afwijken van de uwe. Dat komt door de geleidelijke beschadigingen in haar hersenen, niet door kwade wil, hoor.”

Ik loop door tot in de gemeenschappelijke ruimte. Daar zit ze voor het raam te puzzelen. De afbeelding op de doos stelt een fonteintje voor met een paar vogels eromheen. De puzzel telt vijfendertig stukken. Ze is zo geconcentreerd dat ze mijn aanwezigheid niet opmerkt. En ik wil haar ook niet storen. Geduldig wacht ik tot het laatste stukje op zijn plaats valt.

“Dag mama. Ik ben het, Micheline. Wat zie jij er goed uit.” Ze kijkt me aan. Haar blik is krachtig en ze kijkt onderzoekend in mijn ogen. “Dag schatje. Kijk, ik ben net klaar. Mooi, hé. Zullen we naar mijn kamer gaan?”

De zuster heeft niet overdreven: mijn moeder is opnieuw aanwezig. Gewoontegetrouw wil ik haar in de gang ondersteunen, maar in plaats van rustig te wandelen, trekt zij mij als een locomotief vooruit. In de kamer grijpt ze onmiddellijk naar het fotokader. Ze toont me enthousiast de foto van Michel en vraagt: “Ken jij die knapperd? Dat is Michel Buermans, onze postbode,… jouw vader.”

Ik schenk haar een toegeeflijke glimlach. Het eerste advies dat ik ooit kreeg over ‘hoe omgaan met dementen’ was immers: nooit tegenspreken, niet corrigeren. Geruststellen is de boodschap.

“Dat ziet er me inderdaad een heel knappe jongeman uit. Jullie postbode, zei je?”
“Ja. En elke dag stond ik hem op te wachten. Moeilijk was dat niet, want hij was enorm punctueel, altijd stipt op tijd. In het begin was Michel heel verlegen; hij durfde me amper aan te kijken. Ik moest zelf de eerste stap zetten. Hem aanmoedigen. Toen hij eindelijk sprak, was hij niet meer te stoppen. Hij was heel belezen en vertelde dat hij later wilde reizen, de hele wereld wilde zien, samen met mij. Ach, kind, dat was de mooiste tijd van mijn leven.”

Het is ontroerend om haar gezicht te zien met die gelukzalige uitdrukking. Het contrast kan niet groter zijn tussen haar dagelijkse gevecht met de realiteit en deze woordenvloed met warme herinneringen.

“Van thuis mocht ik enkel in gezelschap van mijn buurmeisje Roos naar de kermis. Daar stonden Michel en zijn maat ons op te wachten. In de donkerte van het spookhuis, tussen rammelende skeletten en zwevende heksen, kreeg ik mijn eerste zoen. Michel was een goede zoener. De weken die volgden, werden we compleet verzot op elkaar. Op een zonovergoten lentedag zijn we koortsig in het tuinhuisje beland. Het ging van teder liefkozen tot onstuimig vrijen. Wij werden één en de wereld om ons heen bestond niet meer.”

Ik heb mijn moeder in geen jaren zo vitaal gezien, zo rad van tong! Maar ineens stokt haar verhaal. Over haar vurige blik daalt plotseling een droevige sluier. Haar heldere zegging hapert en met moeite krijgt ze het vervolg over haar lippen.

“Het was net alsof de hemel openscheurde. De deur vloog open en daar stond mijn vader, die tekeerging als een gek. Hij zou mijn vrijer vermoord hebben, had ik niet de weg versperd. Michel greep zijn kleren en vluchtte weg, halfnaakt en overstuur. Ik ving de klappen op die voor hem bestemd waren.” Mama staart verstijfd naar de muur. Ik neem haar magere hand in mijn hand en wacht.

“Vader bracht de postzak met brieven naar de postmeester en diende een klacht in. Michel werd op staande voet ontslagen. Een maand later, toen duidelijk was dat we elkaar niet meer mochten en konden zien, trok hij alsnog de wijde wereld in. Alleen!”

Terwijl ze stilletjes begint te snikken, neem ik haar in mijn armen. Hongerig klampt ze zich aan mij vast. Wanneer ze eindelijk haar greep lost, neemt ze mijn gezicht tussen haar handen, kijkt me oneindig diep in de ogen en zucht: “Gelukkig heeft hij mij jou nog kunnen schenken.”

Dat wat ik onderhuids voelde aankomen, maar keer op keer heb weggeduwd, dat kan ik nu niet langer ontwijken. Dus toch.

 

  1. De mist.

De opleving was wellicht van korte duur. En alsof ze nog even orde op zaken wou stellen, maakte ze haar verhaal af: “Toen ik na enkele maanden huisarrest in verwachting bleek te zijn, werd in overleg met meneer pastoor naarstig naar een “vader” gezocht. Frans Steens, een diepgelovige vrijgezel, werd overtuigd dat hij de uitverkorene was. Deze saaie piet, elf jaar ouder dan ik, heeft me een burgerlijk huisje en een zoon bezorgd. Ik heb me als vrouw en als moeder vlijtig van mijn taken gekweten, maar in mijn hart ben ik blijven verlangen naar mijn lieve postbode."
Na een diepe zucht gaat ze verder: "Meer dan eens heb ik mijn valies ingeladen, vastberaden naar Argentinië te vluchten, maar telkens heb ik alle kleren weer in de kast gehangen en me aan de bereiding van het avondeten gezet.” Ze staart weer naar de oude foto en voegt er nog aan toe: “Van Michel heb ik niets meer vernomen. Was hij me vergeten? Of werden zijn brieven onderschept? Nooit zal ik het zeker weten.”

Terwijl mama stilaan weer verdwaalt in de mist van haar geheugen, ben ik wakkerder dan ooit. Het verlangen om mijn echte vader te vinden voelt als een oplaaiend vuur.
Zelf ben ik niet zo handig met computers, maar buurman Kasper heeft van mij maar een halve vraag nodig of hij plant zich met plezier voor mijn pc.

Hij duikt op het internet en begint te surfen. Vrij snel weet hij ene Michel Buermans te vinden, geboren in Mechelen in 1949, en uit het bevolkingsregister geschrapt wegens vertrek naar Argentinië in 1971. Bingo!
Ik beloon Kasper voor dit eerste succesje met een koffie en versgebakken chocoladecake.

De databank van het Centro de Estudios Migratorios Latinoamericano bevestigt wel de aankomst van mijn vader in Buenos Aires, maar van zijn inburgering in La Boca geen spoor. Zij aan zij, onze hoofden vlak bij elkaar, staren we beiden naar het scherm en wachten in spanning op verdere zoekresultaten. “Ik heb hem,” roept Kasper, en opgetogen geef ik hem tot mijn eigen verrassing een kus op zijn wang. Voorbarig, zo blijkt.

Op een site bedoeld voor adoptiekinderen op zoek naar hun familie, springt tussen al die Latijns-Amerikaans klinkende apellidos de naam Buermans eruit. Maar stomverbaasd kijken we naar de toegevoegde opmerking: emigró a España en 2001. Heeft papa na dertig jaar zijn nieuwe vaderland plots geruild voor Spanje?

Kasper surft links en rechts en ontdekt dat rond de eeuwwisseling een financiële crisis en de daaropvolgende instorting van het banksysteem de helft van de Argentijnen in de armoede heeft gestort, met een massale uitwijking tot gevolg. Weer zijn we het spoor bijster.

 

  1. Een speld in de hooiberg

Kasper is moe en ik ben teleurgesteld. Ter versterking heb ik een stevige boerenomelet gebakken. Hij laat het zich smaken. Ik krijg nauwelijks een hap binnen, maar geniet van zijn eetlust.

Kasper heeft duidelijk ook een wilskrachtig kantje: vastbesloten Michel terug te vinden gaat hij opnieuw aan de slag. Hij worstelt zich door verslagen uit Buenos Aires die getuigen van de chaotische toestanden aan de ambassades, waar duizenden kandidaat-vertrekkers in de rij staan voor een reisvisum. In Spanje vindt hij rapporten over de strenge immigratiewet en klachten over het laaggekwalificeerde werk voor de immigranten. Helaas komt de naam van vader nergens boven water.

Ik geef het op en ga naar bed. Kasper wil een goede indruk maken, denk ik, want hij zoekt dapper verder.
Ik droom dat ik word gekust, maar als ik mijn ogen open, zit Kasper op zijn knieën naast het bed en fluistert: “Ik heb je papa gevonden. Hij woont in Oostende.”

Ogenblikkelijk ben ik klaarwakker: “Oostende?!”
“Zeker weten.” Fier toont hij mij de printout van een artikeltje uit de Krant van West-Vlaanderen uit 2004: “Ex-geëmigreerde Vlaming vindt nieuw leven in Oostendse visafslag”. Het stukje maakt gewag van Michel Buermans, een van de nieuwe gezichten in de drukke, heroplevende vismijn.

De tranen lopen over mijn wangen terwijl ik Kasper in een innige omhelzing in mijn bed hijs en platknijp.

 

  1. De samenzwering.

Een nieuwe dag, een nieuwe kans. Wanneer ik in de leefkamer kom, wacht er mij op de tafel een lekker ontbijt en zit mijn modellief reeds te tokkelen op de computer.

Onmiddellijk krijg ik een stand van zaken: “Via het Rijksregister kunnen wij, simpele garnalen, verdomme niets opvragen. Ik heb dan maar contact gezocht met de Oostendse vismijn, maar die is een tijdje geleden met die van Zeebrugge gefuseerd tot de Vlaamse Visveiling. De behulpzame juffrouw van de personeelsdienst vond wel in de oude bestanden een werknemer genaamd Michel Buermans, en die ging in 2016 met pensioen. Jammer genoeg is het adres dat ze van hem heeft niet meer actueel, want het maandelijkse personeelsblad wordt sinds enige tijd door Bpost teruggestuurd met de vermelding ‘Onbezorgbaar’. Uit compassie is de lieve dame nu bij de oudere collega’s gaan informeren of iemand nog nieuws heeft over Michel.”

Nu pas realiseer ik me ten volle dat de vrolijke jongeman op de foto inmiddels ook een zeventiger is. “Hij is reeds tien jaar op rust,” zeg ik luidop, en het klinkt bijna als een overlijdensbericht. “Komaan, nog even volhouden,“ reageert Kasper, “we gaan hem zeker vinden.”

Een kwartiertje later piept zijn gsm. Een krakende stem met sappig dialect valt meteen met de deur in huis: “HallôFirmin Dedecker ier! K' was collega van Michel in Oostende, en lange daarvôor in Argentinië. En wien wilt da ollemoale weetn? En voe wadde? Wiene ziej gie eigentlijk?"
Omdat ik zelf zit te trillen van emotie, laat ik Kasper uitleggen wat er aan de hand is. Hij doet dat kort en zakelijk, zonder omwegen.

De spontane reactie van vriend Firmin liegt er niet om: “Ja zeg, mo vint toch, nie te geloovn. Michel is nooit getrouwd en j' dacht kinderloos te zyn. Man, man, man. Da zal em nogol doen verschietn. Moa, j' goat gelukkig zyn hoor, zéker weetn. Stel die dochter mo gerust! Michel stelt 't redelik goed. Je weunt in het Godtschalck, e klêen woonzorgcentrum vlakbie Fort Napoleon.”

De uren die volgen voelen als een complot: wij en Firmin zijn de samenzweerders die Marie-José en Michel gaan samenbrengen.

“Mevrouw Steens, we begrijpen dat dit voor u belangrijk is, maar we willen vermijden dat het uw moeder te veel ontregelt. Bij dementie zijn emoties soms hevig en een ontmoeting met een vroegere geliefde kan heel intens binnenkomen.”

Ik stel de zorgkundige van Zinnia gerust dat we de ontmoeting in een rustige omgeving plannen, zodat we in de gaten kunnen houden hoe mama reageert. Dat deze man geen risico is, maar mogelijk net een bron van rust en herkenning. En zo mogen we met haar op weg naar de kust.

 

  1. Het lot.

In een salonnetje van het WZC Godtschalck staan ze een ogenblik onbeweeglijk tegenover elkaar. Michel, zijn lichaam afgetakeld na een leven van hard labeur, zijn verstand nog scherp als een mes. Marie-José, haar lichaam nog soepel ondanks de jaren, maar haar geest moet zich een weg zoeken door een dichte nevel.

Ze kijkt verbaasd naar de vreemde man die voor haar staat.

{ Wie is dat? Ken ik deze man? Ik weet het niet, maar ik voel iets. }

Hij is duidelijk ontroerd, steekt beide handen uit, open en uitnodigend. Haar handen spiegelen zijn beweging. Ze staan nu hand in hand, oog in oog, beide met tranen die nog net niet overlopen.
Hij glimlacht en zegt zacht: “Marie-José…”
Zij knikt, en in een fluisterende zucht antwoordt ze: “Michel…” terwijl ze één hand losmaakt en zijn gezicht aanraakt, alsof ze zich wil vergewissen dat hij echt daar is.

Onopvallend trek ik Kasper en Firmin aan de mouwen, ten teken dat wij hier niet meer nodig zijn. We laten moeder en vader rustig bijpraten, op hun manier, met of zonder woorden.

In de cafetaria van Godtschalck doen we ons tegoed aan een versgebakken wafel met slagroom. Firmin vertelt intussen in zijn sappig Oostends hoe zijn ouders met hem en zijn zus de miserie in België achterlieten om fortuin te maken in Argentinië. Dat laatste bleek algauw minder vanzelfsprekend, zelfs niet met de noeste hulp van de werkzoekende Michel Buermans.

Geholpen door streekbier De Zwoane kregen we van Firmin ook nog het relaas van het overlijden van zijn ouders, gevolgd door de crisis die hen na de eeuwwisseling naar Spanje deed vluchten. Daar viel voor Argentijnse Belgen niets te rapen, waardoor hij opnieuw terechtkwam in de Vismijn van Oostende, de vroegere werkplek van zijn vader zaliger. Toen na enkele maanden ook vriend Michel hier zijn anker uitgooide, kon voor beide vrienden de leut niet op.

Het bracht onze aandacht weer bij Michel en Marie-José, waarop Firmin met een knipoog vroeg: “Moa, moen we die twi nie ne keer goan controllere?”

Op weg naar het salonnetje houdt iemand van de directie ons staande: “Mevrouw Steens? Ik kom net van bij meneer Buermans. Hij heeft een aanvraag ingediend voor samenwoonst met mevrouw Marie-José Weytens. Dat is uw moeder, heb ik begrepen. Kijk, voor onze instelling is dat geen probleem. Ik kan zelfs het papierwerk vandaag nog doorsturen, zodat het ook voor de verzekering in orde is dat mevrouw ineens hier kan blijven. U bekijkt dan maar wanneer het u past om haar spulletjes te verhuizen.”

Ik sta perplex.
Omdat mijn antwoord wat lang op zich laat wachten, voegt ze er een beetje dubbelzinnig aan toe: “Ach, die oudjes met al hun levenservaring weten dat je leuke dingen niet moet uitstellen.”

Ook Kasper maakt van mijn sprakeloosheid gebruik en doet er nog een flinke schep verrassing bovenop: “Binnenkort kunnen we twee huwelijken tegelijk organiseren…”.

Tenslotte zet Firmin me compleet schaakmat met een aanbod dat ik niet kan weigeren: “En ‘k zal wel getuugen spelen voe de twi koppels!”

 

EINDE

René Jochems, Kontich, 1 augustus 2026.