ONBRUIKBAAR
-1- De klap.
Het droge bonk-geluid en de enorme stomp die me uit evenwicht brengt, verrassen me compleet. Voor ik besef wat er gebeurt, vliegt mijn boodschappentas uit mijn handen, rollen mijn aankopen over het asfalt, en lig ik op de grond neus aan neus met de bumper van een zwarte SUV. Ik tril van de impact. Op een mum van tijd word ik omringd door een woud van benen, waarvan de bijhorende monden door elkaar heen tegen mij tateren dat ik rustig moet blijven, dat ze een ziekenwagen zullen bellen, dat mijn boodschappen niet belangrijk zijn.
Ik hoest, voel een stekende pijn in mijn ribbenkast en brom koppig: “Nee, nee, geen ambulance! Het is niet erg. Het is niets.”
Een vriendelijke dame bukt zich, put zich uit in verontschuldigingen: ”Gaat het, meneer? Het spijt me vreselijk. Hoe is dat toch kunnen gebeuren? Ik had u echt niet gezien. Zo stom! Heeft u pijn? Als het moet, wil ik u wel naar het ziekenhuis of naar een dokter brengen.”
"Nee, nee, geen dokter," zeg ik uitdrukkelijk.
Ontelbare armen grijpen me vast en helpen me voorzichtig weer op de been. Mijn knieën knikken. De wereld wiebelt.
“Maar zó kan ik een bejaarde man niet laten gaan, hoor. Zeg maar waar u woont, dan breng ik u gauw naar huis.” Aan de dame kleeft een lekker vanillegeurtje. Net als bij tante Cor.
Ik knik, open mijn mond om te antwoorden, zoek naar een straatnaam, een huisnummer, maar vind enkel onsamenhangende puzzelstukjes. Ik kijk haar hulpeloos aan, dan langs haar heen, over het plein op zoek naar een bekende gevel, of zo. Maar ik herken niets.
"U heeft duidelijk even tijd nodig om op uw effen te komen."
"Ik… ik weet niet meer waar ik woon."
"Dat lijkt erop, ja. Weet u wat, ik neem u gauw mee naar mijn huis. Ik moet wel naar een belangrijke afspraak, maar Martje, mijn huishoudster, zal graag op u passen tot ik terug ben. Tegen die tijd schiet uw adres u wel weer te binnen."
Ik knik dankbaar en laat me door een vrijwilliger in de hoge autozetel hijsen. Wanneer we doorrijden, zie ik langs de kant een meisje dat vrolijk naar me zwaait. In haar hand houdt ze lachend een tros bananen in de lucht. Mijn overige boodschappen werden wellicht al platgereden.
-2- Nest
“Ik ben Marjolein Ubachs. Maar, u mag Martje zeggen, zoals iedereen.”
Een enthousiaste jongedame ondersteunt me bij het uitstappen en het beklimmen van de arduinen treden die naar de voordeur leiden. De statige inkom met muren in faux-marbre komt me bekend voor, alsof ik hier eerder ben geweest. De juffrouw duwt me zachtjes een woonkamer in tot bij een pompeuze driezitbank: “Ga hier maar zitten, meneer. Ik breng u dadelijk een kopje koffie.”
Ik kijk rond, zie kasten vol boeken, een reusachtig tv-toestel, en naast me aan de muur het portret van een dame, getekend in houtskool. Haar gezicht spreekt me aan: die neus, die mond, ik ken haar. Denk ik. Zou het familie zijn? Ik heb toch een tante die met een kunstenaar getrouwd is. Hoe heet ze ook alweer? Cor?
Als de juffrouw terug binnenkomt, vraag ik haar: “Is dat niet onze tante Cor? Heeft u haar al ontmoet?”
Ze kijkt naar mij, dan naar de tekening en weer naar mij. Ze glimlacht en zegt: “Dat is mijn mevrouw. Dat is Sylvia Pieters, de dame die u hierheen heeft gebracht. Maar misschien gelijkt het portret ook op uw tante. Dat kan natuurlijk.”
Ze zet een koffie voor me neer en vraagt: ”Heeft meneer er graag een borreltje bij?”
“Nee, bedankt, juffrouw. Als ik met de wagen ben, drink ik nooit.” Dat ik al tien jaar geen auto meer heb, komt niet bij me op.
“U mag me gerust Martje noemen, hoor. En hoe is uw naam?”
Ik zoek mijn naam, haal een keer diep adem – extra zuurstof helpt bij het nadenken – ik voel pijn in mijn borst, zou dat mijn hart zijn? Ik denk na, word zenuwachtig, bedenk hoe waardeloos ik ben, wrijf met mijn handen over mijn knieën. Op de salontafel ligt een tijdschrift; het heeft iets vertrouwds, het geeft houvast. “Nest. Mijn naam is Nest.”
“Aha, Nest. En heeft meneer Nest ook een familienaam?”
“Ja, natuurlijk… Maar je mag gewoon Nest zeggen, zoals iedereen.”
Het wringt als een leugen. Ik grijp naar het porseleinen kopje en concentreer me volledig op de koffie, zodat het duidelijk is dat ik niet verder verhoord wil worden. De koffie smaakt sterk en ik complimenteer haar: “Zo lekker als thuis.”
-3- Tuur
Ik schrik wakker. Mijn hele lijf schreeuwt van de pijn. Onder mijn schedel bonst een hevige koppijn. Verdomme, wat is er met mij aan de hand, zeg? Met spleetoogjes tegen het felle licht kijk ik kreunend in het rond. Wat heeft dit te betekenen? Waar ben ik? Is dit weer zo’n nare droom, misschien?
“O, meneer Nest is wakker, zie ik.”
“Wie bent u? Waar ben ik?”
“Ik ben nog steeds Martje Ubachs, en dit is het huis van mevrouw Pieters.”
“Ubachs? Pieters? Wat doe ik hier? Waarom ben ik niet in mijn eigen huis?”
“U heeft een ongelukje gehad en mevrouw heeft u naar hier gebracht om wat te rusten. Ze heeft daarnet laten weten dat ze onderweg is. Ze zal dadelijk hier zijn.”
“Heeft u toevallig een aspirientje? Die migraine is niet te doen.”
“Ja hoor, Nest, ik ga u dat direct bezorgen. Blijf maar rustig zitten.”
Nest? Wat bedoelt die toch met dat nest? Ik wil een aspirine, niets anders. Raar meisje.
Het daglicht is te fel, niet te verdragen. Ik sluit mijn ogen.
Ik loop de supermarkt uit en realiseer me dat ik ook koffie had moeten kopen. Hoe idioot: nu heb ik wél bananen, maar geen koffie. En thee bij cake is niet zo lekker. Zal ik terug binnengaan? Nee, de caissières zullen denken dat ik seniel aan het worden ben. Met thee dan maar. “Auw! Help!!” Mijn benen slaan dubbel, ik val. ”Mijn boodschappen!”
“Meneer! Meneer Nest! Wakker worden.”
“Ik ben aangereden. Ik kan niet opstaan. Help me.”
“Meneer Nest, rustig maar. Het is maar een droom. Hier is uw aspirientje en wat water om door te slikken. Gaat het?”
Ik kijk het brave kind aan: “Ik ken u van ergens. Werkt u ook in de supermarkt?”
“Nee, Nest, ik werk hier bij mevrouw... Oh kijk, ze komt juist binnen. Dag mevrouw. Meneer klaagt over hoofdpijn en ik heb een pijnstiller gegeven. Ik hoop dat u dit goedvindt?”
Een vrouw van middelbare leeftijd komt naar me toe. Een bezorgde blik. Als ze vlakbij is, herken ik weer de vanille: “Hé, dag Cor, kom jij me halen? Dat is goed, want ik wil hier weg. Ik ben misselijk. Mijn lijf voelt alsof ik onder de bus heb gelegen, en mijn kop staat op barsten.”
Tante Cor zet zich tegenover mij, met haar derrière op de lage salontafel. Ze neemt mijn koude, klamme handen in de hare, die aangenaam droog en warm zijn. Cor kijkt me diep in de ogen, zoals ze nog nooit gedaan heeft. Een siddering glijdt over mijn rug.
“Meneer,” ze aarzelt, weet u nog wat er deze morgen is gebeurd? Nee? Ik heb u aangereden. Gelukkig reed ik maar dertig, maar u kreeg toch een serieuze klap. U wilde geen ziekenwagen, omdat u zich oké voelde. Maar nu heb ik de indruk dat het ondertussen slechter met u gaat. Ik stel voor dat we – gewoon om zeker te zijn – toch even langs de spoeddienst rijden. Het is spijtig dat het ongeval is gebeurd, maar het zou nog veel erger zijn, mocht u inwendig toch een letsel hebben dat niet verzorgd wordt.”
Ik trek een boos gezicht, zoals ik dat geregeld in de spiegel oefen. “Ik ben oud en wijs genoeg, en ik zei al: Ik.Heb.Geen.Dokter.Nodig! Ik wil naar huis. Verdomme, Cor, ik spreek toch geen Chinees?”
“Ach, mijn beste man, wie Cor ook moge zijn, ik ben Sylvia Pieters. Trouwens, herinnert u zich uw eigen naam al?”
Het meisje springt op: “Meneer heet met zijn voornaam: Nest.”
Haar enthousiasme geeft een pijnscheut in mijn kop en ik blaf met schorre stem: “Nee! ’t Is Tuur! Niks Nest, verdomme.”
Ze bijt op haar lip en kijkt me gekwetst en wantrouwig aan.
“Tuur. Dat is een mooie voornaam. Jij bent dus Tuur,” herhaalt de dame. “En: Tuur Wie? Als ik vragen mag?”
Weer verzandt de zoekopdracht in mijn mulle brein. Er wil zich geen familienaam aanbieden. Vermoeid haal ik mijn schouders op: “Ik weet het niet. Ik wil slapen.”
“Oké, Tuur. Als jij liever een bed dan een dokter wil; jouw keuze. Een goede nachtrust brengt zeker raad. En morgenvroeg, heb jij een helder hoofd, en kan jij ons precies vertellen waar je woont.
Kom, Martje, we brengen onze bezoeker naar de gastenkamer.”
-4- Porte-manteau
Mijn maandelijkse rapport is altijd het bewijs van mijn waarde geweest. Vijftien jaar ervaring, strategisch inzicht, onmisbare analyse – de directeur van de firma prees het elke week. Tot nu. Op deze uitgeregende vrijdag 1 oktober 1976 toont hij triomfantelijk het rapport van de maand september, terwijl ik nog maar net aan die berekeningen begonnen ben.
“Onze jonge stagiaire, Martje Ubachs, heeft dit met de computer in twee uur afgeleverd,” zegt hij, alsof hij het zelf heeft gedaan. Ik sta er sprakeloos naar te gapen.
"Prima werk," benadrukt mijn baas. En in die twee woorden hoor ik het vonnis: mijn kennis en ondervinding zijn plotseling overbodig, niet door gebrek aan kwaliteit, maar door een blik op de klok. Waar ik vijf dagen over doe, daar heeft Martje en de computer slechts enkele uren voor nodig.
De firma maakt de optelsom en ‘laat me gaan’. Ik ben niet meer nuttig, overbodig. Ik voel hoe mijn bijdrage, mijn bestaansrecht mij ontglipt. Maar het zal geen waar zijn! Ik laat me niet kisten…
Ik open mijn ogen en staar in complete duisternis. Ik strek mijn arm om het lampje op mijn nachtkastje aan te knippen, maar ik zwaai in de leegte. Mijn nachtkastje staat niet waar het altijd staat. Wat is dat voor onzin? Ik merk nu ook dat ik mijn kleren nog aan heb. Nee, dit is niet mijn pyjama. Was ik gisteren dronken, misschien?
Terwijl ik probeer recht te komen, overvallen mij duizend pijnen, van in mijn haar tot in mijn tenen. Met veel gekreun en tandengeknars lukt het me om op de rand van het bed te gaan zitten. Ik zwaai nog een keer in het donker, maar tevergeefs: het nachtkastje is verdwenen. Als ik eindelijk rechtop sta, stap ik voorzichtig op de tast langs de muur, op zoek naar de deur. Maar ook die is niet waar ze moet zijn! Dit is toch te gek voor woorden. Weer zo’n klotedroom zeker?
Wanneer ik eindelijk een schakelaar tegenkom en het licht aansteek, kan ik mijn ogen niet geloven. Wat een rommelkamer. Tegen de ene muur een stapel kartonnen dozen, tegen de andere het bed waarin ik lag. Tegen de derde staat een ouderwetse naaimachine onder een raam. De laatste muur heeft gelukkig een deur. Ik snap niet wat ik hier doe. Wegwezen!
Ik raap mijn schoenen op en sluip de kamer uit. Op de overloop gaat automatisch een lampje branden wanneer ik nader. Dat weet ik erg te waarderen. Zo stil mogelijk daal ik op mijn kousen de houten trap af. Hier en daar kraakt heimelijk een trede. Beneden in de hal zie ik een antieke porte-manteau: nog gauw grabbel ik daar een paraplu uit mee. Op straat is het frisjes. Het bleke schijnsel van de volle maan laadt mijn batterij op. Met in mijn ene hand de paraplu en in de andere mijn schoenen, maak ik dat ik wegkom.
-5- Pissijnen
Achter mijn rug hoor ik een auto stoppen. Iemand stapt uit. Hopelijk heeft die het niet gemunt op mijn schoenen en paraplu die naast me liggen. Dringende zaken gaan voor, dus doe ik rustig verder.
“Hé wel, bompa! Wat zijn dat voor manieren?”
Vanuit mijn ooghoek zie ik een politieagent. Die kerels verschijnen ook alleen maar als je ze niet nodig hebt. Zo hoffelijk mogelijk zeg ik: “Bonsoir, mon capitaine. Als het is om te zeggen dat ik hier niet mag pissen, rijd dan maar door. Jullie zouden beter onze pissijnen terugzetten: voor de oorlog stond de stad er nog vol van.”
“Het is niet omdat er tegenwoordig onvoldoende openbaar sanitair is, dat meneer gelijk waar zijn behoefte mag doen. Tenzij dat hier uw eigen voortuin is?”
Ondertussen ben ik klaar en heb ik mijn privézaak weer opgeborgen. Ik kijk over de haag en bestudeer de voorgevel: “Nee, dit huis komt mij niet bekend voor. Je suis désolé, capitaine. En moest u toevallig mijn adres weten? Dat zou mij veel zoekwerk besparen.”
De politieman bekijkt me alsof ik een mop heb verteld. Maar als hij ziet dat ik doodserieus blijf, gaat er bij hem een belletje rinkelen.
“U weet niet meer waar u woont?”
“Non.”
“En, weet u nog hoe u heet?”
“Certainement. Sans aucun doute.”
“Wel? Hoe heet u dan?”
“Nest. Nest Ubachs. À vos ordres, mon capitaine.”
“Meneer Ubachs, u mag met mij een ritje maken en op het bureau zullen we dan samen uw adres opzoeken… nadat u eerst in het zakje heeft mogen blazen. Kom, stap maar in.”
“P’tite minute, mon capitaine. Mijn wapens niet vergeten. Anders gaat de vijand ermee lopen. À la guerre comme à la guerre, n’est-ce pas?”
Ik verbijt de pijn en raap paraplu en schoenen van het voetpad op. Onderweg wil de agent ondanks mijn aandringen de sirene niet opzetten. “Niet tijdens de nacht, kameraad” is zijn verontschuldiging, alsof dat belangrijker is dan een beetje goodwill tonen naar een collega-nachtbraker toe.
-6- De schacht
Onze patrouillewagen wordt plotseling tegengehouden door een gesticulerende gummiknuppel. Ik weet maar al te goed dat die Feldwebel ons gaat afblaffen met: “Ihren Ausweis, und schnell!” Maar dat gebeurt niet. Integendeel, hij verzoekt zijn collega vriendelijk om even assistentie te verlenen: een studentikoze braspartij loopt uit de hand en de agenten zijn in de minderheid.
Mijn hulpvaardige chauffeur kijkt me onderzoekend aan en vraagt: “Gaat gij overal afblijven, en dapper ons voertuig bewaken tot ik terug ben, bompa?” Met mijn ernstigste uitdrukking knik ik coöperatief ja en salueer. Hij lacht, salueert terug en loopt dan de Feldwebel achterna.
Ons voertuig bewaken! Wat een belachelijke opdracht. Een oud zeer borrelt op: mijn ervaring en expertise worden weer eens genegeerd. Een functie van niemendal krijg ik, terwijl ze achter mijn rug fluisteren dat ik niet meer mee kan. Als ik niet meer nodig ben, dat ze me dan ineens dumpen: ‘quantité négligeable’.
De boordapparatuur laat zich af en toe horen met een tuut. Ineens zegt een krakende stem: “Aandacht, alle eenheden zone binnenstad. Overlast groep studenten. Café De Schacht, Hoogstraat 78. Dringend verzoek tot versterking.”
Afwisselend klinken nu andere stemmen van eenheden die hun tussenkomst bevestigen. En dan breekt hier in de straat de hel los: van verschillende kanten komen politievoertuigen aangestormd. Met zwaailichten èn loeiende sirenes! Nu mag het dan wel, hypocrieten.
Het wordt me hier veel te druk. Ik neem de paraplu en steek mijn schoenen onder mijn arm, stap uit de auto en wandel rustig weg. Op naar een gezelligere buurt. En hopelijk vind ik een apotheek die vroeg opengaat, want die ribbenkast en dat brein van mij, die zijn niet te genieten.
-7- Margarita
De opkomende zon maakt dat ik mij stilaan beter begin te voelen. Haar warmte geeft me de broodnodige vitaliteit. De pijn is hier en daar nog aanwezig, maar ze hindert me nu minder. Of ik kan het al beter verdragen.
De omgeving waarin ik me nu bevind, is me totaal onbekend. Aan een bushalte bestudeer ik het bord waarop de bestemming en de tussenstops vermeld staan, in de hoop iets te herkennen. Een vrouw die op de bus wacht, spreekt me aan: “Kan ik u helpen, meneer? Dit is de halte van lijn 12. Als u iets op lijn 8 zoekt, die halte is daar,” en ze wijst met haar vinger naar een paal, een eindje verder.
Mijn lege blik verraadt wellicht dat ik geen benul heb van wat ze me vraagt. Ik glimlach en richt me dan terug naar de lijst. Ze is duidelijk van het behulpzame type en geeft haar reddingspoging niet op: “Als u zegt waar u naartoe wil, kan ik gerichter helpen.”
Om het gezeur te doen ophouden, zeg ik: “Hoogstraat 78.”
Nu bekijkt ze me pas écht ongerust: ”Oei, geen van deze bussen gaat die richting uit. Ik vrees eigenlijk dat u dan naar daar moet, vanwaar u kwam. Het zal ook te ver zijn om te voet te doen. Zeker als u zere voeten heeft.” Daarbij wijst ze naar mijn schoenen die ik nog steeds in mijn arm houd.
Ik bedank haar beleefd en ga vervolgens tien meter verder het bordje van lijn 8 bestuderen. Tot mijn opluchting arriveert bus 12, en zie ik haar opstappen. Bij het vertrek blijft ze mij moederlijk ongerust nastaren.
Ik wandel nog enkele straten verder en kom aan een plantsoen met vier bomen en een bank. Ik ben blij dat ik na al dat lopen even kan gaan zitten. Groen en rust, meer moet een mens niet hebben. Ik sluit mijn ogen en geniet van het zonnetje op mijn gezicht.
De ober zet twee ijskoude Margarita’s op het tafeltje tussen onze ligstoelen. Als er iets onze wittebroodsweken typeert, is het dit lichtgroene, bijna doorzichtige drankje. We toasten nogmaals op ons geluk, proeven het prikkelende zoute randje en dan de koude mix van limoensap, sinaasappelschil en de tequila. De zoute, zoete en aardse smaken blijven in mijn mond hangen… “Mmmm.”
Wanneer ik mijn ogen langzaam open, heeft het wijdse strand van hotel Amares in Acapulco plaatsgemaakt voor een groen hoekje in de stad, en de verwonderde blik van een meisje, dat nu naast me op de bank zit. Zonder dat ze me om uitleg heeft gevraagd, adviseer ik: “Onthoud goed, op je honeymoon moet je Margarita’s drinken. Een souvenir om niet meer te vergeten.”
Haar vragende uitdrukking verandert in een droevige: “Ik zal nooit trouwen.” Nu is het mijn beurt om verbazing te tonen en ik wacht op het waarom.
“De jongens vinden me lelijk. Enkel meisjes willen naast me zitten in de klas.”
Terwijl ik haar taxeer, zeg ik beslist: “Jij bent helemaal niet lelijk! Die jongens hebben er geen verstand van. Over een jaar of drie staan diezelfde heren in de rij voor je. En ik kan het weten, want in mijn professionele leven was ik human resources manager.”
Het arme meisje knikt heel ernstig ten bewijze dat de ware inhoud van mijn vaktermen haar ontgaat. Het belangrijkste is dat ze enigszins gerustgesteld is.
“Dan zal ik hun commentaren en briefjes nog maar wat trotseren,” zucht ze dapper. Ze staat op, neemt haar boekentas en glimlacht.
“Bedankt voor de troost, meneer.”
En dan gaat ze op weg, naar school, veronderstel ik.
"Laat je vooral nooit wijsmaken dat je niet deugt, meisje," roep ik haar nog na.
-8- Met alle Chinezen
Ik converseer nog een tijdje – woordenloos – met de vier bomen om me heen. Bomen zijn vrienden; ze raden mijn gedachten en geven me altijd gelijk. Ook als ik er compleet naast zit.
Dat is wel anders met mijn vrouw. Die raadt ook mijn gedachten en geeft me altijd ongelijk. Ook als ik het bij het rechte eind heb. Man, wat hebben we al geruzied. Over alles en over niets. Ik mag er niet aan denken dat ik thuis was gekomen zónder koffie. Ze zit zich vast af te vragen hoe lang ik nog ga wegblijven. Even wat boodschappen halen naar de supermarkt, ja.
Aan de overzijde van het pleintje zie ik plotseling een bekend gezicht: dat is het meisje dat er met mijn bananen vandoor ging! Ze loopt daar zo onschuldig te wezen dat ze mij nu niet alleen bedrogen doet voelen, maar ook als een complete idioot. Dit kan ik niet zomaar laten passeren. Die bananen had ik zorgvuldig uitgezocht: zonder pesticides gekweekt in Colombia. Zonder die bananen, geen cake. Zonder cake, geen bezoek van Cor. Zonder tante Cor... is er niets om voor naar huis te gaan.
Mijn verontwaardiging voelt als een zweepslag. Zo snel als mijn oude knoken het nog toelaten sta ik op, werp ik een vluchtige blik op mijn schoenen – ze nu aantrekken is tijdverlies, ik zal ze straks komen halen – grijp mijn paraplu als potentiële wapenstok, en zet er flink de pas in.
Het zou best kunnen dat ze mijn achtervolging in de gaten heeft, want ze neemt hoe langer hoe meer voorsprong, ondanks haar korte beentjes en mijn lange. Maar hebben zal ik ze…
Rauw gierende remmen!!!
Een verpletterende slag, die voelt als een explosie. Het rukt elke gedachte uit mijn hoofd en katapulteert me weg. Ik zie de straat draaien als een carrousel en smak keihard ergens tegenaan. Mijn adem stokt. De kleuren van de wereld verbleken tot wit licht. Ik hoor enkel nog ruis.
-9- Van Genechten
Langzaam kom ik uit een leegte weer boven drijven. Om me heen hangt een dikke mist. Mijn lijf voelt loodzwaar met een venijnige pijn op meerdere plekken. Mijn kop klopt als die van een hyperactieve specht. Van verre sijpelt er geluid binnen, stemmen, vermengd met een vervelend gepiep vlakbij. Met bovenmenselijke inspanning kan ik mijn oogleden een beetje opentrekken: ik lig op mijn rug, zie een plafond, een metalen stang waaraan een grote driehoek bungelt, en een schaduw die zich over me heen buigt.
Een zachte stem spreekt me aan: ”Dag meneer, weet u waar u bent? Nee? U bent in het AZ, op de afdeling Intensieve Zorgen, meneer. U bent door een auto aangereden. U heeft veel geluk gehad, weet u dat? Nee? Ja, geloof het maar van zuster met veel ervaring: iemand van vijfentachtig jaar komt er meestal niet zo goed vanaf. Het is echt een meevaller, hoor. De gebroken ribben zijn geïmmobiliseerd, zodat u met de nodige pijnstilling rustig kan ademen. En u heeft ook een bekkenringfractuur, die is geopereerd om het bekken te stabiliseren. We gaan u hier goed verzorgen, zodat u snel weer op de been bent en naar huis naar het vrouwtje kan. Voelt u nu pijn?”
Ik probeer te antwoorden, maar mijn keel voelt rauw en mijn woorden haperen. Bij gebrek aan klank schud ik voorzichtig nee, maar die geringe beweging doet vreselijk pijn. Ik knik voorzichtig nog snel ja, maar dat ziet mijn engelbewaarder niet meer. Ze staat reeds mijn buurman of buurvrouw aan te moedigen, achter het gordijntje dat de patiënten scheidt.
“Comment ça va, Van Genechten?” vraagt de kapitein.
“Ça va, capitaine. L’infirmière dit que j'ai eu de la chance.”
“Tant mieux! Ik heb je vanavond nodig: er doet zich een onverwachte kans voor om terrein te winnen. Volgens het hoofdkwartier heeft de vijand haar zwaartepunt verplaatst naar de sluis verderop. Jij bent de enige verkenner die hier de alternatieve routes kent. Donc, je peux compter sur toi?”
Ik slik. De pijn lijkt opeens nog veel heviger. Net als ik mijn mond opendoe om me te verontschuldigen, bukt mijn overste zich en fluistert in mijn oor: “Ik weet wel dat je pijn hebt, Van Genechten, maar ik zal de dokter vragen om jou een extra spuitje te geven. Een paar uur pijn, om honderden levens te sparen. Tu en es capable, j'en suis sûr. Verzamelen bij zonsondergang aan de westelijke wachtpost. Zorg dat je er bent, Van Genechten. Ik reken erop!”
Nog een laatste doordringende blik en weg is hij. Behalve de pijn voel ik nu ook een aanzwellende angst. Die is niet min, maar ik mag de manschappen niet teleurstellen.
-10- Georgette
“Tuur?... Tuur?”
Ik probeer te zien wie mij roept, maar moet geduld oefenen tot het troebele beeld zich scherpstelt.
“Tuur. Koekoek. Ge herkent mij toch nog?”
Ik zie een vage schim en zoek zo ver mogelijk in mijn geheugen, maar krijg enkel een acute waarschuwing voor mogelijke conflicten. Het feit dat ik hier tussen tralies in dat bed lig, gebonden aan draadjes en buisjes, maakt vluchten onmogelijk. Ik ben a priori de verliezende partij: ik kan maar beter op veilig spelen en stom en doof blijven.
“Nu nog schoner. Natuurlijk kent ge mij, zeg. Ik ben uw vrouw. Ik ben Georgette. Probeert ge weer de plezantste te zijn?”
Het is vast een valstrik. Die vrouw wil me erin luizen. Waar blijft de verpleegster nu toch. Zij zou mij goed verzorgen. Zij moet mij verdedigen. Ik zal me voorlopig gedeisd houden en spaar het beetje kracht dat ik nog heb om me te weren, als dat mens me zou aanvallen.
“Zeg, lieve echtgenoot, gij hebt mij nogal in angst laten zitten, weet ge dat? Ik zat daar gisteren maar te wachten op die boodschappen, vooral op de bananen, want ik moest die cake nog bakken voor tante Cor, die op bezoek kwam. Enfin, tegen dat ze arriveerde, was ik al zo over mijn toeren, dat een koffietje en een stukske cake niet meer van doen waren. Gisterenavond ben ik samen met haar nog naar de politie geweest: aangifte gaan doen van mijne vermiste man. Vreselijk! Dat is iets wat ik geen enkele echtgenote toewens. Het was precies alsof ik uw begrafenis aan het regelen was.
Zeg, al die apparatuur met dat gepiep, is dat wel nodig? Ik word daar horendol van. Enfin, waar was ik gebleven.
Ah ja, vannacht heb ik uiteraard geen oog toegedaan. Deze morgen nog altijd geen nieuws. Man, man, ik was echt doodongerust. Allez, dacht ik, waar hangt die nu uit? Hij zal toch niet bij een ander zitten, zeker? Haha, da's om te lachen. Gij zoudt zoiets nooit doen, hé lieve schat?
En dan, totaal onverwacht, deze namiddag een telefoontje van het commissariaat: ‘Goed nieuws, mevrouw. We hebben uw man gevonden. Hij heeft een ongevalletje gehad en wordt momenteel in het AZ geopereerd.’ Goed nieuws noemen ze dat. Ik had den daver op mijn lijf toen ik mijn gsm weer wegstak.
En nu, het toppunt van al: weet ge hoe dat ze u hebben geïdentificeerd – want meneer was weeral op stap zonder zijne portefeuille, natuurlijk – wel, ge zult verschieten. De agent die deze morgen het ongeval moest gaan opmeten, was toevallig – gelukkig zou ik zeggen – dezelfde die gisteren ’een verwarde oude man’ had opgepikt. Hij herkende u direct, omdat ge geen schoenen aan had. Nu vraag ik me wel af: waar hebt gij uw schoenen kwijtgespeeld. Enfin, die politieman was content dat hij u beet had, nadat ge gisteren van hem zijt gaan lopen! Hé, wel, merci. Gij doet mij nogal wat aan de hand, hé Tuur. Tuur? Tuur, hoort ge mij nog? Tuur?!
Zuster! Zuster, ik denk dat mijne man in de coma is gevallen!”
Ik heb nog niet de helft gehoord van wat ze heeft gezegd. Zoals gewoonlijk. Ogen toehouden en niet reageren. De verpleegster zal me hopelijk wel komen bevrijden. Dit is gewoon niet te doen. Dan heb ik nog liever dat eentonige gepiep dan dit getater.
De Rode Kruis-zuster zit duidelijk op mijn golflengte. Ze is vastberaden om het er niet bij te laten. “Ik heb alles gehoord wat uw kapitein heeft gezegd. Dat is pure chantage! Primo, u bent medisch niet in staat om op te staan, en dus zeker niet om opnieuw deel te nemen aan een volgende veldslag. En secundo, ik ga nu naar de chirurg en vraag hem om u per direct naar een ander veldhospitaal over te laten brengen, buiten het bereik van uw irritante kapitein. U heeft rust nodig om kunnen te herstellen. Punt uit.”
-11- Coup de marteau
Niet mijn beschermengel, maar de hoofdverpleegkundige van de IC-afdeling brengt professioneel, maar onverbiddelijk, de wandelende radio naar de wachtzaal. Georgette protesteert, smeekt en dreigt, maar krijgt te horen dat de prioriteit van de ziekenzorg naar de patiënt gaat en niet naar de bezoekers. “Ik beloof u: ik kom u persoonlijk halen zodra uw man weer bij bewustzijn is of wanneer er zich een verandering voordoet.”
De kapitein staat te vloeken en te tieren omdat hij vanavond zijn cruciale sleutelfiguur moet missen bij het meer dan waarschijnlijk belangrijkste offensief van het westelijke front. Half verdoofd, half helder aanhoor ik zijn Franse tirade. Mijn brancard staat gelukkig buiten zijn gezichtsveld, in een donkere hoek van de operatietent, in afwachting van het beloofde transport. De dokter stuurt hem zonder medelijden wandelen: “Je comprends tout à fait vos inquiétudes et la gravité de la situation, capitaine. Mais ce n’est pas avec mes patients, qui sont à l’article de la mort, que vous remporterez la bataille. Je suis désolé.”
De kapitein is in alle staten en vervloekt de hele medische component en hun waanzinnige ideaal om zelfs in de voorste gevechtslinies een beetje menselijkheid na te streven.
Ik lig te zweten en te woelen. Een hevige pijn steekt plots op, niet aan de operatiewonde, maar dieper. Ze boort zich meedogenloos in mijn onderbuik. Mijn hart gaat tekeer als een razende. Ik kan niet meer… ik voel me wegzakken… alles wordt zwart voor mijn ogen.
De nachtzuster komt op de fel piepende monitor af, ziet op het scherm de alarmerende cijfers: bloeddruk naar beneden, hartslag omhoog. Ze bevoelt mijn huid die ijskoud en klam is, trekt het laken opzij en checkt de wond en grijpt onmiddellijk haar mobieltje. “Ik verwittig de dokter,” zegt ze kalm tegen zichzelf, maar haar ogen verraden een crisissituatie.
Ik voel me danig schuldig dat ik de kapitein bij de beslissende aanval in de steek laat. En met hem de brave soldaten van de drie pelotons die zonder een betrouwbare gids de strijd moeten aangaan. Ik vrees het ergste.
Ik kom weer bij terwijl het in de kamer heel druk wordt. Ik hoor het woord ‘nabloeding’ vallen. Witte en blauwe broekpakken dansen door elkaar, infuuslijnen worden geopend, zakken bloed opgehangen. Mijn bed wordt onder de voorbijflitsende lichten van de gang richting operatiekamer gerold.
In de OK gebeurt alles snel en stil tegelijk. De chirurg zoekt de bron van de bloeding. Er worden klemmen gezet, hechtingen gemaakt, maar de druk blijft vallen, mijn hart blijft jagen. Uiteindelijk hoor ik de monotone stem van de anesthesist: ”We verliezen hem”.
Ik voel een hand op mijn schouder: de legerdokter brengt me zoals beloofd het operationeel rapport. Ik neem de handgeschreven notitie aan en lees: ‘Raid Coup de marteau - Opération échouée - Embuscade! - Résistance ennemie écrasante - Taux de pertes : 97 % des effectifs de combat - Objectif stratégique non atteint - Compagnie temporairement retirée des missions de combat.’
De zinloosheid van de oorlog. De nutteloosheid. Ik draag de verantwoordelijkheid mijn leven lang mee. Ik heb die dode jongens op mijn kerfstok. De schaamte snijdt diep in mijn ziel.
De pijn verliest langzaam zijn betekenis en zakt weg, als een golf die zich terugtrekt in zee. De stemmen rondom mij spreken zacht verder, maar nu in een onbegrijpelijke taal. De levendige piepjes van de hartmonitor gaan over in één lange toon. Die klinkt steeds droeviger, steeds verder weg. Het gewicht van mijn lijf lost op, alsof ik uit mijn eigen lichaam stap.
En nu? Waarheen?
EINDE
Rene Jochems, 21 juli 2026.