HUIDHONGER

       

-1- Onderdak


Ik stap naar buiten. Met schurend geluid valt de poort achter me dicht. Ik voel me opgewonden en angstig tegelijk. Mijn hart gaat tekeer van hevige emotie: ik realiseer me nu pas echt dat twee volle jaren weg zijn – gewoon verloren. Ik vecht tegen de tranen.
“Voorlopig vrij,” hadden ze gezegd. Het leek te mooi om waar te zijn. Toen de strafuitvoeringsrechtbank besliste om mijn vijf jaar te verminderen tot twee, werd ik duizelig van geluk. De rechter zag verzachtende omstandigheden, waardoor ik een “voorwaardelijke invrijheidstelling” kon genieten. Maar dat woord “voorlopig” blijft resoneren in mijn hoofd. Voorlopig vandaag. Voorlopig morgen….
Slap op mijn benen, houd ik me vast aan de paal van een verkeersbord: Stilstaan verboden. Het gaat ineens allemaal zo snel. Mijn horizon, die in de gevangenis zo beperkt was, lijkt hierbuiten zo oneindig. Het licht is hier te fel. En ik voel me verschrikkelijk overweldigd door het lawaai en de snelheid van het verkeer. Iedereen lijkt haast te hebben. Het tempo van de vrije wereld is waanzinnig.

Wanneer een autootje in volle vaart en al toeterend komt aangereden, schrik ik rot. Het is mijn schoonzus Marie die me komt ophalen. Wat gek, denk ik, dat Marie voor altijd mijn schoonzus blijft, hoewel Vic er niet meer is.
Ik stap in, geef haar een kus op de wang. De korte tocht dwars door de stad lijkt een ritje uit mijn jeugd op zo’n rollercoaster van een pretpark: een vreselijke beproeving.
De auto stopt voor een oude patriciërswoning. Marie houdt een sleutelbosje voor mijn neus: “Hier, zus. Je huissleutels: de grote voor de voordeur, de kleine voor de zolder. Jammer dat ik geen tijd heb om even mee naar binnen te gaan. Ik had graag je gezicht gezien bij je entrée, maar ik moet vliegensvlug terug naar mijn werk. Sorry, hé! Als het goed is, wip ik vanavond nog even binnen, oké?”
”Bedankt, Marie. Ja, heel graag tot straks dan.”
“En, bedankt voor de lift!” roep ik haar nog na. Maar ze sjeest er al plankgas vandoor.

Van op het voetpad bekijk ik het huis. Het is mooi, heeft klasse, zonder aanstellerig te zijn. Het geeft me alvast een goed gevoel.
Het belpaneel naast de voordeur telt drie belletjes. Het onderste is voor het gelijkvloers, dat blijkbaar bewoond is door een meneer of mevrouw A. Vanderkruisen. Volgens het middelste belletje wonen op de eerste verdieping M. et Mme Artaban-Bonnet. En bij het bovenste knopje staat er Muriël Deleuze. Het staat er echt: ik ben de nieuwe huurster van de tweede verdieping.
Marie en Gerards dochter Sofie wil volgend schooljaar op kot. Slimme Gerard zag in deze zolderverdieping een goede investering: “Liever een eigendom afbetalen dan duur te huren”, is zijn motto. “Onze zolder,” zei Marie tegen me, “kan een tussenstop voor jou zijn. Een adempauze om rustig naar iets definitiefs uit te kijken.” Marie is een grote schat. Zonder haar hulp zou deze opstart me harder uitvallen.


-2- Zoolbia & Bamieh


Ali is nerveus. Ali is altijd nerveus, maar vandaag nerveuzer dan anders. Vandaag arriveert de nieuwe bewoonster van de zolder. Het is voor Ali een nieuwe kans om goed contact te leggen met iemand. Daar is hij niet zo handig in. Met het stel van de eerste verdieping ging het al mis op de eerste dag dat ze hier introkken. Ali wilde zich direct van zijn beste kant laten zien, en nog voor ze met elkaar hadden kennisgemaakt, had hij een van de verhuisdozen opgepakt om die naar boven te dragen. Madame Artaban was onmiddellijk tegen hem uitgevlogen. Ze verdacht die araab ervan haar waardevolle bezittingen te willen stelen. Ze zou de politie bellen en de verhuizers zouden moeten getuigen.
Gelukkig voor Ali kwam mevrouw Marie tussenbeide. Ze stelde het echtpaar gerust: ze kende de jongeman van beneden, hij deed geen vlieg kwaad, had een hart van goud en wilde ongevraagd altijd helpen. Dat zei ze allemaal in het Frans, en het hielp. Het liep die middag dus goed af, maar Ali bleef sindsdien op zijn hoede, telkens hij die arabofobe Fransen tegenkwam.

Maar vandaag arriveert de nieuwe bewoonster van de zolder. Ali is al de hele voormiddag in de weer voor Muriël. Muriël is het schoonzusje van mevrouw Marie, die hem dat in vertrouwen heeft verteld. Die Muriël heeft een moeilijke tijd achter de rug – meer wou Marie niet kwijt – en moet hier tot rust kunnen komen. Ali beloofde haar niet lastig te zullen vallen.
Hij maakt een zoet toetje volgens een Iraans recept. Als welkomstgebaar. Hopelijk valt het aanbieden van een lekkernij als Zoolbia & Bamieh niet onder de noemer ‘lastigvallen’. Stom dat hij dat gisteren niet gevraagd heeft aan mevrouw Marie.
Terwijl hij de knapperige, gefrituurde onderdelen drenkt in de geurige siroop op basis van saffraan en rozenwater, ziet hij door het raam het autootje van mevrouw Marie stoppen. Een jonge vrouw stapt uit en de auto rijdt onmiddellijk door. Dat zal Muriël zijn. Ali schat haar rond de dertig. Van op het voetpad kijkt ze keurend naar het huis. Ali duikt weg: hij wil zich niet laten zien. Waarom niet, is ook voor hemzelf een raadsel.
Wanneer hij de voordeur hoort opengaan, twijfelt hij tussen haar nu te begroeten of straks zijn dessert naar boven te brengen. Met gespannen aandacht luistert Ali hoe ze de trap oploopt. Het dessert zal dan voor straks zijn.


-3- White Lotus


Pff. Hoge verdiepingen, dus vele treden te beklimmen. Het ganse huis oogt zeer verzorgd en schoon. En er hangt een lekkere baklucht in de trappenhal. Bij het betreden van mijn zolder valt het op hoe licht de kamer is. Als ik op mijn tenen ga staan, kan ik net door de dakramen kijken en het vele groen van de tuinen in me opnemen. In de hoek van de leefkamer is er een knus Ikea-keukenblok geplaatst. Ik trek de ijskast open: melk, boter, eieren, kaas en zelfs een flesje witte wijn. Dat is zusterliefde. Mijn korte verkenningstocht eindigt bij de slaapkamer met daarnaast een kleine badkamer met wc.

De aanblik van het grappige, vierkante zitbad is me te machtig. Ik kan me niet snel genoeg uitkleden, terwijl het vollopen van het bad klinkt als muziek in mijn oren. Ook hier heeft ze alles voorzien wat een vrouw nodig heeft: van Soft Skin-badschuim tot scheermesjes. Bedankt, lieve Marie!
Voorzichtig laat ik me zakken in het warme water. Het is een ietsje té warm, maar dat geeft niet. Ik sluit mijn ogen. De warmte maakt mijn lijf en mijn geest los. En in de verte geen geroep, geen deuren die dichtslaan. Stilte, en geen haast.

Als ik het bad uitkom, is mijn geluksgevoel maximaal: eindelijk ben ik die gevangenisgeur kwijt. Ik snuffel aan mezelf, maar ontdek enkel het White Lotus-aroma van het badwater. Een superzachte, nieuwe badhanddoek streelt mijn huid. Ik voel me helemaal herboren. In de spiegel zie ik mezelf stralen, zoals ik in twee jaar niet meer heb gestraald. Dat, ondanks de dringende noodzaak van een kappersbezoek.
Wanneer ik in m’n turkooizen lievelingskleedje en op mijn blote voeten het koffiezetapparaat uitprobeer, wordt er op de deur geklopt. Tiens, bezoek? Marie kan het nog niet zijn…


-4- Engels, Frans of Nederlands


Ik open aarzelend de deur en sta oog in oog met een voorname man van middelbare leeftijd. Hij glimlacht, knikt en zegt: “Philippe Artaban, votre voisin du dessous. Je passe juste vous souhaiter la bienvenue. Ça vous dit une petite douceur ?” Hij reikt me een bordje aan met exotisch ogend gebak, waarvan ik de heerlijke geur op de trap al had opgemerkt.
Ik neem het bord aan en verontschuldig me voor mijn onkunde: “Sorry, no French. English?”
Op een hautaine manier reageert hij met: “English is no problem, of course not, maar Nederlands kan ook wel, hoor.” Ongevraagd komt hij naar binnen, om vervolgens als een deurwaarder de hele inboedel te taxeren. Ik ben danig in de war: zijn vriendelijke gebaar met warm gebak strookt niet met zijn houding.

“I have a feeling we’ll get on very well together, Miss Deleuze… Miss Muriël.” Hij spreekt het uit alsof hij mijn naam proeft. Tegelijkertijd meen ik in zijn ogen de dierlijke, hongerige blik te zien die me herinnert aan achterbakse medegevangenen. Inwendig hoor ik Corazon weer die dergelijke confrontatie afblokte met een dreigende ‘Rot op!’. Maar misschien is dat buiten de gevangenismuren ongepast. Ik geef hem voorlopig nog het voordeel van de twijfel en vraag of hij een koffie wenst.
“To be honest, I’d had something more fun in mind,...” zegt hij, terwijl hij met zijn vinger over mijn wang aait.
“Stop it,” bijt ik van me af, “I think you better leave now.”

“Wow, that’s a lot of big talk for a naughty girl who just got out of prison. I’m sure you long for certain things that I can give you, my dear.”
Dat had hij met zijn grijnslach beter niet gezegd. De schotel met de stroperige hapjes die ik nog vastheb, kieper ik op zijn nette driedelige pak. “Salope!” vloekt hij. Als hij fors uithaalt om mij te slaan, neemt de adrenaline het over en belandt mijn vuist op zijn neus. Bloed druppelt op zijn witte hemd en op zijn zijden das. Woedend brult hij: “Tu vas le payer cher : cette histoire n'en restera pas là.”
Met zijn bloedende neus in de hand trekt hij de deur open, stormt naar buiten en botst op een bleke jongeman die daar geschrokken aan de grond genageld staat. Hij duwt brutaal de jongen opzij, gaat de trap af en raast verder: “Complètement folle, cette pute! Je vais déposer une plainte. Merde!”

 

-5- De lont in het kruitvat brandt


Wanneer meneer Artaban uit het zicht en buiten gehoorsafstand is, komt de jongeman in de deuropening staan: “Gaat het, mevrouw?”.
Ik schud mijn hoofd: “Nee, het gaat helemaal niet. Iets ergers op mijn eerste dag in vrijheid had me niet kunnen overkomen.”
Ik plof neer op een stoel: tien minuten geleden was ik euforisch gelukkig. Nu voel ik me klein, vernederd en onmachtig. Ik zou kunnen wenen, maar laat het niet toe.
Nog steeds staat hij er bedeesd bij. Ik kijk hem vragend aan.
“Ik ben Ali,” zegt hij voorzichtig, “ik woon op het gelijkvloers.”
“Dag Ali. Ik ben Muriël. Ik ben…”
“… de schoonzus van mevrouw Marie. Ze had me van uw komst verwittigd. Welkom in de Germaine de Staëlstraat 37,” zegt hij vriendelijk. “Zo jammer dat meneer Philippe u heeft lastiggevallen. Hij en zijn vrouw zijn geen lieve mensen. Ik vind het niet erg dat u mijn bord heeft stukgemaakt. Wel spijtig dat u de Zoolbia & Bamieh niet heeft kunnen proeven. Ik zal voor u snel nieuwe maken.” Ali heeft nog maar zelden zoveel zinnen achter elkaar gezegd.
“Jouw bord?” vraag ik, “jouw tractatie? Hij deed alsof híj het had gemaakt. Dat maakt zijn versierpoging nog degoutanter.”

“Zit er maar niet over in, mevrouw Muriël. Hij gaat dit geen tweede keer riskeren: hij is een bange, blanke man. Hij was al bang voor zijn vrouw, en nu is hij ook bang voor u. Maar u moet wel oppassen: hij is vals. Zijn dreiging om klacht neer te leggen zou hij wel durven uitvoeren. Ik ken hem goed genoeg. Die man is niet vies van een leugen, als hem dat goed uitkomt.”
Een benauwdheid overvalt me. Ik krijg geen lucht meer. Ik zie me reeds opnieuw in een cel belanden. Moet ik vechten of vluchten?


-6- De keuze


“Als er een klacht komt wegens agressie, ben ik de pineut.” Ik praat tegen Ali, die nu eindelijk ook is gaan zitten. “Op de rechtbank zullen ze denken: ‘Zie je wel, ze kan zich niet beheersen.’ Ze gaan me terug opsluiten en me de volle vijf jaar laten uitzitten.”
“Je moet hem vóór zijn,” zegt Ali. “Jij moet aangifte doen wegens stalking en bedreiging, voordat hij kan gaan zeuren over zijn chique kostuum en een bloedneus. Je moet ze als eerste gaan vertellen dat je uit zelfverdediging hebt gehandeld. Je werd aangevallen door een man die tweemaal zo groot is.”
“Ik weet het niet, Ali. Misschien doet hij wel géén aangifte en dan heb ik mezelf onnodig in de problemen gebracht.”
“Nee, mevrouw Muriël, nee. Geen risico nemen, alsjeblieft. Als jij eerst spreekt, laat je zien dat je eerlijk bent. En ik wil best meegaan, als getuige. Ik heb het wel niet gezien, maar ik heb alles gehoord. En bovendien zal ik ook een klacht neerleggen, omdat hij mijn Zoolbia & Bamieh gestolen had.”
Ali heeft gelijk. Ik wil geen passief slachtoffer zijn en in paniek wegkruipen. Ik wil die enge vent voor zijn en als eerste bij de politie aankloppen.

Het is een hele geruststelling te merken dat ik absoluut serieus word genomen op het politiebureau. De inspecteur die het gesprek leidt, is discreet en geduldig.
"Ik ben net vrij. Ik werd in mijn nieuwe woonst al direct lastiggevallen door mijn buurman. Hij kwam ongevraagd langs en was erg opdringerig; platvloers ondanks zijn dure woorden. Ik voelde me bedreigd in mijn eigen huis en uit paniek heb ik een bord eten omgegooid om hem op afstand te houden. Toen hij me dan wilde slaan, heb ik me verdedigd. Hij hield er een bloedneus aan over. Ik wil niet dat hij mij als agressief hier komt afschilderen, want ik ben het slachtoffer."
De inspecteur heeft geluisterd naar mijn verhaal en een officieel proces-verbaal opgesteld. Dan is het de beurt aan Ali. Heel omstandig doet hij uit de doeken wat er is gebeurd: van zijn lekkere surprise, de diefstal daarvan door buurman Artaban, tot en met het afluisteren van de belaging op mijn zolder. De agent moest hem doen stoppen, of hij had ook nog het recept voor het Iraanse toetje gedicteerd.

Wanneer ik terug op de zolder kom, zit Marie op haar knieën de smurrie en de scherven op te ruimen. Ze kijkt me aan en zegt al lachend: “Zo te zien vond je de verrassing van Ali veel te zoet.”
Als ik wil reageren en mijn mond open doe, komt er geen geluid, maar barst ik in tranen uit. De spanning van die bewogen namiddag moet er even af voordat ik haar op de hoogte kan brengen van mijn onrustwekkende situatie.


-7- Onverwacht bezoek


“En? Hoe voelt dat daar in de buitenwereld?” Corazon is reuzeblij dat ik op haar vraag om op bezoek te komen ben ingegaan. In de spreekkamer van de gevangenis hangt ze aan mijn lippen.
“Ik leef nu twee weken in vrijheid, waarvan ik al vier dagen ben gaan werken. Je weet dat ik vanuit de gevangenis al had gesolliciteerd voor de job van zorgkundige in het wzc Arkelhof. Wel, vorige week heb ik de proeven met succes afgelegd en deze week mocht ik beginnen. Ik heb heel fijne collega’s die me steunen en raad geven. En de oudjes die we moeten verzorgen, die zijn, euh, hoe zal ik zeggen? Die zijn er in alle soorten: grappige en droevige, pientere en demente, gemakkelijke en moeilijke. Maar ik ga elke dag met een goed gevoel naar het werk, gewoon omdat ik me nu nuttig weet.”
“Dat klinkt allemaal geweldig, sweety. En, heb je al een vrijer aan de haak?”
“Nee, Corazon, daar ben ik nog niet aan toe. Ik verlang er wel naar, maar ik ga het dit keer rustig aan doen. We zien wel.”
“Denk eraan: rust, roest!”
“Ja, ja. Ik weet het. Hoe is het met je nieuwe celgenote?”
“Ach, een triestig geval. Ze jankt dag en nacht, ze zegt niks, ze eet niks… ik zal blij zijn dat ik er binnenkort vanaf ben.”
“Oei, heb je gevraagd om haar te verplaatsen?”
“Nee, hoor. Zij mag blijven. Ik volg jouw voorbeeld.”
“Wat? Corazon, krijg jij ook een voorwaardelijke invrijheidstelling?”
“Yeap! Toen het bij jou zo vlotjes ging, dacht ik: hoog tijd dat ik het ook nog eens vraag. Ik denk dat ze door het acute plaatsgebrek wat soepeler geworden zijn. Dus ja, over drie dagen loop ik op vrije voeten.”
“O, Corazon, wat fantastisch. Dat gaan we vieren. En waar ga je ergens wonen?”
“Wel, mijn lieve Muriël, wat goed dat je dat ter sprake brengt. Ik heb in mijn dossier gezet dat ik intrek bij mijn ex, wetende dat die snul dat volmondig bevestigt als men het hem zou vragen. Maar geen haar op mijn kop dat eraan denkt: die ziet me nooit meer. Kijk, liefje, als ik nu een paar dagen bij jou op de bank mag slapen, heb ik genoeg tijd om mijn zaakjes te regelen, en dan ga ik jou daar eeuwig dankbaar voor zijn. Wat denk je? Deal?”
“Komen we daarmee dan niet in de problemen? Wij, allebei? Ze gaan dat controleren, hoor.”
“Doe nu niet in je broek voor zo’n akkefietje. Jij mag toch bezoek ontvangen, en ik mag toch op visite gaan. Ik ga daar geen toestemming voor vragen; dan kan er ook niemand moeilijk over doen. En, het is trouwens maar voor een paar nachtjes. Beloofd!”
“Hoe kan ik jou dat weigeren? Jij die mijn leven drastisch en ten goede hebt bijgestuurd. Oké. Deal!”


-8- Workout


“Wat een fijne buurman heb jij, sweety,” zegt Corazon, nadat ze in de tuin een sigaretje is gaan roken. Op mijn kleine zolder wil ik absoluut niet in haar rookwolk zitten.
“Ja, Ali is inderdaad een toffe jongen. Ik heb er al een paar leuke gesprekjes mee gevoerd.”
“Ali? De man zei dat hij Philippe heet! En hij ziet er echt niet uit als een Ali, hoor schat.”
“OMG. Het was dus mijn buurman van de eerste verdieping. In dat geval moet ik jou dringend nog wat opbiechten. Het gaat over de dag dat ik hier introk. Mijn kennismaking met de hoffelijke meneer Philippe Artaban. Ga er maar even voor zitten.”

Met grote ogen en een stralende glimlach aanhoort Corazon mijn verslag, tot en met de aangifte.
“Muriël, sweety, ik ben apetrots op je! Dat heb je schitterend aangepakt. God lieveheer, ik had een vlieg willen zijn om dat te kunnen meemaken. Geweldig! En is de politie hem daarna komen verhoren?”
“Geen idee. Ik heb er sindsdien niets meer over vernomen. Hij heeft waarschijnlijk het lef niet gehad om een klacht in te dienen. Of het parket heeft de zaak geseponeerd. De stilte daarrond vind ik frustrerend.”
“Hmm, interessant. Wat doet die meneer Philippe, weet je dat?”
“Poh, rentenieren misschien. Hij gaat niet uit werken en loopt erbij als een gepensioneerde bankdirecteur. Het interesseert me geen barst.”
“Mij wel. En je weet nog wel, bankdirecteuren zijn mijn specialiteit. Heeft hij toevallig ook een madame Tartetatan?”
Met moeite bedwing ik een lachbui: “Je meent dat toch niet, Corazon. Wil je die nu echt proberen om die geile bok te versieren?”
“Niet proberen, gewoon doen. Die man loopt te snuffelen, dat zie ik zo. Gaat zijn madame nooit eens een dagje shoppen met haar vriendinnen?”
“Daar let ik niet op. Maar ik weet wel – van Ali, die het weet van de bakker – dat madame Artaban op dinsdag- en op donderdagavond gaat bridgen. Ze noemt dat haar brain workout.
“Prima, dan hebben Philippe en ik vanavond het kot vrij voor een uitgebreide body workout.”
“Je meent het nog ook! Zorg wel dat je daar rond middernacht weer weg bent, want anders staat het huis op stelten.”
“Tja, of ik dan al met hem klaar ben, dat zal moeten blijken. Maar, no worries, sweety, ik heb in mijn leven al meer echtscheidingen in gang gezet.”


-9- Theo & Bahar


Ali is een masterchef! “Allemaal geleerd van mijn mama,” zegt hij fier. “Als kleine jongen mocht ik haar altijd helpen.”
Hij heeft me uitgenodigd om een Khoresh-e bademjan te komen eten. Als ik bij hem op het gelijkvloers binnenkom, word ik overweldigd door de heerlijkste geuren. Midden op de overvloedig gedekte tafel staat een grote serveerschaal met het dampende Iraanse stoofgerecht. Ik zie aubergines, tomaten en stukken vlees, ik vermoed lam. Daarnaast, in kleinere schalen, is er ook nog rijst, dadels, abrikozen, kruiden en brood.
Mijn gastheer schept op ceremoniële wijze onze borden flink vol.
“Goh, Ali! Dat is hier de hoorn des overvloeds! Al die moeite die je voor mij doet. We gaan dat met ons tweetjes wel niet opkrijgen.”
“Geen probleem, mevrouw Muriël. Wat over is, krijg je mee in een potje. Je zal zien dat het morgen nog lekkerder is.”

Vervolgens serveert hij in mooie, oude glazen een vreemd drankje. “Bij rijke stoofgerechten hoort een verfrissende Doogh. Dit is een traditionele drank op basis van yoghurt: licht gezouten, een beetje zurig. Als je het niet lust, kan ik ook muntthee zetten.”
De melkachtige vloeistof proeft erg fris en is een aangenaam contrast met de vleesschotel. Ik geniet ten volle van al die exotische smaken. Toch is het een hele opgave om mijn aandacht bij het tafelen te houden, wanneer voortdurend gestommel en gesmoorde kreten door het plafond heen weerklinken.

De bescheiden Ali heeft ook nog zijn fameus Zoolbia & Bamieh als dessert gemaakt. Dat had ik nog tegoed. De authentieke gerechten maken ook zijn tong los. Hij vertelt honderduit over zijn ouders: hoe de jonge dokter Theo Vanderkruisen naar Turkije trok om daar in een vluchtelingenkamp te gaan helpen en verliefd werd op Bahar, een knappe Iraanse verpleegster. Hoe het in verwachting zijnde koppel zich later in België vestigde, en hoe een volgende missie in Afghanistan Theo fataal werd. Met een krop in de keel beëindigt Ali zijn familieverhaal: “Volgens mama was hij een âdam-e mehrabân, een door en door goed mens. Maar papa heeft zijn kleine jongen nooit gekend.”

“Ach, lieve Ali, dat is inderdaad heel jammer, maar je hebt één grote troost: jij hebt duidelijk zijn goede genen geërfd.”
Ik neem hem in mijn armen en druk hem stevig tegen me aan. Een warme knuffel waar we beiden erg aan toe zijn. Zo blijven we staan, ineengehaakt, alsof loslaten onmogelijk en onwenselijk is. Het is een eeuwigheid geleden dat zo’n omhelzing in stille overgave zo aan mijn verlangen tegemoetkwam, los van romantiek.
Wanneer we elkaar weer loslaten, weten we geen van beiden wat te zeggen. We glimlachen naar elkaar, dankbaar en ook een beetje gegeneerd voor de getoonde kwetsbaarheid.
“Duizendmaal dank, Ali, voor deze onvergetelijke avond.”
“Bedankt om te komen, mevrouw Muriël. Bedankt om te luisteren, en bedankt voor je vriendschap.”
Bij het buitengaan stopt hij me een Tupperware in de hand. Genoeg om morgen samen met mijn logee van te smullen.


-10- Grensovergang


Bij het passeren van de eerste verdieping valt het me op dat het daar, na de luidruchtige uitspattingen, nu wel heel rustig is. Boven aangekomen verwondert het me dat Corazon nog niet terug lijkt te zijn.
“Corazon, ben jij op het toilet?” Geen reactie. Ik hoop maar dat ze daar beneden niet naast Artaban ligt te snurken!

In de badkamer valt het me op dat haar toiletspullen verdwenen zijn. Heel raar. Ik begrijp er niks van.
Ik steek wat meer lichten aan en kijk nauwkeurig rond. Haar kleren en haar sporttas zijn ook weg!
Op de salontafel ligt een haastig gekrabbeld briefje: ‘Die loser kon mijn tempo niet volgen. Ik ben weg voordat ze me hiervoor laten opdraaien. Bedankt voor alles, sweety. Dikke kus!’

Amper twee minuten later klinkt een ijzige gil door het ganse huis. Thuisgekomen heeft de bedrogen echtgenote, in de ravage van haar bed, tussen de doordrenkte lakens, haar overspelige en zielloze wederhelft aangetroffen. Wanneer even later de ambulanciers zich buigen over de bleke, stijve man, met nog een vermoeden van een glimlach op de lippen, kunnen zij enkel het overlijden bevestigen.

Pas rond drie uur in de nacht wordt het weer stil. Ik lig in bed, maar slapen is er niet bij. Mijn gedachten zijn bij Corazon. Niet bezorgd over wat ze beneden heeft uitgespookt, wel over waar ze midden in de nacht naartoe is gevlucht. De kans is groot dat ze intussen niet meer in het land vertoeft, dat ze op weg is naar het schuiloord van een oude kompaan, naar een kluis met een buit waarvoor ze al die vervlogen jaren heeft gebromd.
Bordurend op dit fijne perspectief, val ik ten langen leste in slaap.

EINDE.

Rene Jochems, Kontich, 11 juli 2026.