VRIJ

       

EEN

Nog voor we er zijn, zie ik een grote grijze poort die openschuift. We rijden naar binnen. Een tweede poort verderop blijft dicht tot de eerste weer gesloten is. Het is een sluis. Ik zit letterlijk tussen twee muren. Mijn maag krimpt ineen.

De politieagent die me begeleidt, helpt me uit de combi, routinematig: een glimlach kan er niet af. Aan de balie wacht een bewaker ons op. De agent overhandigt een mapje en zegt: “Deleuze, Muriël. Voorlopige hechtenis. Geen bijzonderheden.” Zijn taak zit erop en hij vertrekt zonder mij nog een blik te gunnen. Ik besef dat dit het moment is waarop ik ophoud iemand te zijn die aankomt, en ik begin iemand te zijn die hier thuishoort.

De bewaker vraagt me enkel naar mijn identiteitskaart. Ik geef hem het plastic zakje met een label erop. De politie had daar mijn identiteitskaart, geld, gsm, veters en mijn riem ingestopt.

Een tweede bewaakster, met latex handschoenen aan, leidt me naar een kleinere ruimte zonder deur, met een gordijntje! “Uitkleden. Alles.” Haar bevel is niet hard, maar evenmin ter discussie. Ik sta naakt op de koude tegelvloer. De bewaakster kijkt met ervaren blik. Ze controleert me grondig. Niet wreed of gewelddadig, maar vernederend. Dit is het moment van de totale onderwerping en ik heb het even moeilijk.

De volgende etappe is een douche. Ik krijg een stuk zeep dat naar niets ruikt, tot ik me inzeep. Dan geeft ze een chemische, zoetige geur af, die ik voor altijd zal associëren met ‘hier’. Omdat mijn eigen kleren eerst gecontroleerd en geregistreerd zullen worden, moet ik voorlopig een gevangenisplunje aantrekken. Ondergoed uit voorraad, grijze broek, grijs t-shirt. Alles ziet er saai uit, grauw en afgedragen. Het heeft geen pasvorm en het ruikt naar wasverzachter van een goedkoop merk. Hoeveel lijven hebben hier al ingezeten? Ik ben nu de zoveelste anonieme gevangene.

 

Terug bij de balie zetten ze me tegen een witte muur voor de traditionele ‘mugshot’. Behalve de foto horen ook het vastleggen van mijn vingerafdrukken en de beschrijving van uiterlijke lichamelijke kenmerken bij het identificatieproces. Aangezien ik geen fan ben van tattoos en piercings, is de inventaris gauw klaar.

Na weer eens twintig minuten wachten word ik aan de gevangenisarts gepresenteerd. Die verplichte ‘consultatie’ is de naam niet waard.
“Medicatie?” “Niets, ik neem niets.”
“Druggebruik?” Ook op deze vraag antwoord ik negatief – naar waarheid –, maar ik betwijfel of hij geloof hecht aan mijn woorden.

Weer wachten. Nu voor de deur van de directeur. Een vol uur kruipt traag voorbij. Ik concentreer me op mijn ademhaling om rustig te blijven. Vier tellen in, vier tellen inhouden, zes tellen uit, twee tellen inhouden. Heb ik eens geleerd van iemand in de trein. Het helpt.

Als de bewaakster me binnenlaat, kijkt hij niet meteen op. Hij bladert in een map: mijn dossier, denk ik. “Ga zitten.”
Ik ga zitten op de koude, ijzeren stoel voor zijn bureau en wacht. Ik kijk naar de uitgerafelde zoom van de versleten broek die ik aan heb. Ik hoor de map dichtklappen. Als ik opkijk, kijkt hij me aan. Niet onvriendelijk. Gewoon… afgemeten. Ik ben een van de zovelen.

“Bon. U bent vanochtend binnengebracht. Ik ben de directeur van deze afdeling. Dit is het intakegesprek, het duurt niet lang.” Ik knik, al weet ik niet waarom.
Hij tikt met twee vingers op de map: “Uw dossier. Ik heb gezien waarom u hier zit, voorlopig, en wie uw onderzoeksrechter is. Heeft u al een advocaat?”
Ik stotter: “Nee… Ja, ik weet het niet goed. Er was wel iemand aanwezig bij het politieverhoor, misschien...”
Hij onderbreekt me: “Dat vissen we dan wel uit. Als u er geen heeft, kan u er een aanvragen via het Bureau voor Juridische Bijstand. Dat regelt u via de psychosociale dienst. Zij komen u binnen een paar dagen bezoeken.”

Een paar dagen. Dat klinkt tegelijk kort en eindeloos. Hij legt een brochure voor me neer: “Het huishoudelijk reglement. Bezoek, telefonie, wat mag en niet mag op cel. Probeer het eens te bekijken. Geen probleem als het vandaag wat teveel is, dat is normaal. Dan lees je het morgen maar.” Ik kijk ernaar, maar raak het niet aan. Alsof het niet voor mij is.

“Al bij de dokter geweest?” “Ja.”
“Waren er medische problemen?” “Nee.”
Mijn stem klinkt kleiner dan ik wil.
“Als er iets is, lichamelijk, psychisch, een verslaving, zeg het hem. Daar zijn behandelingen voor.”

Hij zegt even niets. Het voelt alsof hij wacht, maar ik weet niet op wat. Misschien moet ik iets zeggen. Mijn hoofd is leeg en tegelijk veel te vol. Dus zeg ik maar niets.
“U zit voorlopig op cel 37, met een celgenoot. Als dat echt niet zou gaan, kan u dat melden. Maar de eerste dagen is er weinig speling voor verandering.”

Een celgenoot. Dat had ik niet verwacht. Ik probeer me zo iemand voor te stellen, maar het lukt niet. Ik slik. “Hoe lang moet ik hier blijven?”

“De raadkamer heeft vijf dagen om te controleren of uw aanhouding wettig en noodzakelijk is. Aangezien we hier spreken van moord, zullen ze de beslissing van de onderzoeksrechter zeker bevestigen. De voorlopige hechtenis wordt maandelijks herbeoordeeld. Bespreek dat maar met uw advocaat zodra die bij u langskomt.”

Maandelijks. Het woord blijft hangen. Ik zal hier dus minstens een maand moeten blijven. Wellicht langer.
“Nog vragen?” Ik schud mijn hoofd. Ik heb er te veel.

“Goed. Welkom dan… voor zover dat het juiste woord is.” Heel even lijkt hij te gaan glimlachen. Maar het is al weg.
Hij staat op, opent de deur en knikt naar de bewaakster. Ik moet rechtstaan, denk ik. Ik moet mee. Voor hem is dit duidelijk afgehandeld.
Voor mij begint het nog maar.

 

TWEE

"Lieve Muriël, ik moet je misschien toch één kleine waarschuwing meegeven.” Aan het woord is Marie, de oudere zus van Vic, en vandaag ook de getuige van mijn bruidegom. “Vic is jarenlang mijn persoonlijke project geweest. Een beetje zoals een levende pop die ik nét iets te graag heb gepamperd. En, eerlijk is eerlijk, op unief heeft hij die verwentraditie blijkbaar vrolijk laten verderzetten door zijn kotgenoten. Als we die mogen geloven…

Maar geen paniek, ik heb er alle vertrouwen in dat jij hem met liefde, geduld en misschien een dosis verleiding, kan kneden tot de perfecte echtgenoot. Zie het als een uitdaging, met een heel mooie beloning aan het einde."

Dit is het dus: de mooiste dag van mijn leven. Tenminste, dat zeggen al die lachende gezichten hier op onze bruiloft. En ook: het Say Yes-moment, de vervulling van de droom van elke vrouw. De woorden van Marie mogen dan wel het gezelschap aan het lachen brengen, ze lijken voor mij op donkere wolken die op een zomerse dag uit de verte komen aanwaaien.

Terwijl de gesprekken links van mij vakantiebestemmingen bespreken, en die rechts van mij over de jongste blunders van de regering klagen, draaien mijn gedachten op volle toeren. Oké, ik wilde absoluut thuis weg. De truttigheid van mijn overbeschermende ouders was ik zat. Maar was dat een reden om te blijven plakken aan Vic, een losse scharrel? Waarom zei ik direct ‘ja’ toen hij me ten huwelijk vroeg, na amper drie uitjes en een stuntelige vrijpartij in zijn auto? Wie is die man? En wie is hij als niemand kijkt? Geen idee.

Terwijl de garçons de borden van de hoofdschotel beginnen af te ruimen, kijkt mijn kersverse echtgenoot me aan. Hij lacht. Het is een mooie lach. Ik lach terug en besef tegelijk dat ik niet weet wat erachter zit. Ik vlucht naar de toiletten.
“Waar gaat ge naartoe?” vraagt hij ongerust. “Even een sanitaire stop,” zeg ik, en ga er gehaast vandoor.

In de privacy van het hokje kom ik min of meer tot rust, terwijl ik zit te plassen – nu ja, echt gaan zitten op een wc-bril doe ik nooit, ik hoover zo’n beetje erboven. Gemengde gevoelens overvallen me. Er is aan de ene kant de bevrijding van mijn water dat te hoog stond, en de opluchting dat ik een korte trouwjurk heb gekozen, mooi en comfortabel. Stel je voor dat ik met zo’n traditioneel haute couture-ding op dit toilet zou moeten, zo’n enorme suikerspin waarmee je hier niet kan draaien of keren! Geeft mij maar dit supereenvoudige prêt-à-porter.

Maar aan de andere kant... Ik worstel ook met zelfverwijt. Waarom had ik niet het lef om mijn ouders te zeggen dat ik zelfstandig op kamers ging wonen? Gewoon, in mijn eentje, in plaats van te kiezen voor de nooduitgang van het huwelijk. Met twee heb je het werk maar half, moet ik gedacht hebben. We zullen zien.

Ach, Marie heeft waarschijnlijk gelijk: een geschikte partner vind je zelden kant-en-klaar, die moet je maken. Ik zal zelf de perfecte, toegewijde echtgenote spelen en ondertussen hem, met zachte hand, kneden in de gewenste vorm. 
Ik keer terug naar de feestdis, opgelucht, lichamelijk en mentaal. Net op tijd voor de entrée van de bruidstaart. Het idee van de subtiele manipulatie maakt dat de sombere vooruitzichten toch een beetje zijn opgeklaard.

 

DRIE

Na een voormiddag van eindeloos wachten, formulieren, korte gesprekken met geüniformeerde mensen, fouillering, het afgeven van mijn persoonlijke spullen en het ontvangen van een stuk zeep, een tandenborstel en een rol toiletpapier voor op de cel, is het zover.

Een bewaakster – ik weet niet meer de hoeveelste al – neemt me mee door een lange gang naar een ander deel. De sfeer is plotseling heel anders: gedaan met het klinische wit, nu is het decor van beton en metaal. Bij elke stap rinkelen de sleutels aan haar riem. Allerlei geluiden komen aangewaaid en klinken door elkaar. Een slot wordt omgedraaid, een metalen deur wordt geopend en klapt na ons automatisch dicht, de echo botst tegen de muren. Er hangt hier een mix van vreemde geuren:  betonlucht, vocht, bleekwater en een heimelijk vleugje sigarettenrook.

Een paar gevangenen staan in een groepje op iets te wachten en bekijken me. Ik voel hun blik als een vraag die niemand hardop stelt: een nieuwe, hoe lang heeft ze gekregen, waarvoor?

“Voilà: de zevenendertig.” De deur waar de bewaakster voor blijft staan, verschilt niet van de andere. Ze zwaait de deur wijd open. De cel is veel kleiner dan ik me had voorgesteld: meer een bezemkast dan een kamer. En erg vol: een stapelbed, een metalen tafeltje dat aan de muur hangt, twee krukken en een wc in de hoek, zonder enige afscheiding. Op het onderste bed zit een vrouw. Ik schat een jaar of vijftig. Ze kijkt op van haar boek, taxeert me zonder iets te zeggen en leest verder.

“Je nieuwe celgenote,” meldt de bewaakster haar. En tegen mij: “Het bovenste bed is vrij. Eten is om twaalf uur.” Ze draait zich om en gaat door. De deur valt dicht met een harde klap, gevolgd door het klikken van het slot.
Stilte.

Onwennig blijf ik roerloos staan. Een claustrofobisch gevoel verlamt me. De lucht voelt dik. Ademen is moeilijk. Ik wil hier niet zijn. Kon ik maar verdwijnen, gewoon verdampen of zo. Dan, wanneer ik het niet meer verwacht, die van het onderste bed: “Eerste keer?” Ik knik.
“Ga zitten, dan staat ge tenminste niet in mijn licht.”

Ik zet me op een kruk en leg mijn voorarmen op het tafeltje, alsof ik ontspannen ben. Ik voel me onnozel. Ik probeer dan maar met mijn armen op mijn bovenbenen. Dit komt wat relaxter over, denk ik. Ik wriemel met mijn vingers.

Weer wachten. Zonder mijn gsm weet ik niet eens hoe laat het is. En aan de kale muren hangt geen klok, … En dit is nog maar mijn eerste dag: wat moet ik met al die tijd?

“Ik ben Corazon”. De vrouw legt haar boek opzij.
“Ik ben Muriël, aangenaam.” Bij dat laatste woord meen ik dat ze bedenkelijk even een wenkbrauw optrekt.
"Wat hebt ge uitgespookt?"
Ik aarzel. Ik weet niet of ik dat zomaar moet opbiechten. Misschien beter niet. “Iets doms,” zeg ik ontwijkend.
Corazon weegt mijn antwoord en zegt: “Hier zit niemand voor iets doms.”

Net als ik mijn moed bijeenraap en het haar dan toch maar wil vertellen, gaat de voedselklep in de celdeur open. Iemand schuift een dienblad met eten naar binnen en roept: “Deleuze.” Het luik wordt meteen weer gesloten. Ik kijk verwonderd naar Corazon, die cassant opmerkt: “Ge moogt dat ook op de tafel zetten. Dat eet gemakkelijker.”
“En wanneer komt jouw eten?” vraag ik bezorgd.
“Als ge hier al tien jaar zit, moogt ’s middags op restaurant,” zegt ze cynisch. Ik weet niet wat ik ervan moet denken, neem het plastic blad met eten en zet me weer op de kruk.

Aardappelen, iets wat ooit vlees was, een klodder groenten die te lang gekookt zijn. Honger had ik al niet en de aanblik van dit middagmaal is geen stimulans. Toch begin ik eraan, omdat ik niet weet wat ik anders moet doen met mijn handen, met de minuten, met de stilte.

Wanneer een zoemer weerklinkt, springt Corazon recht en stelt ze zich op vlak voor het kijkgat van de deur. De bewaker die haar ziet staan, opent de deur, laat haar buiten en sluit de cel weer af.

Geroezemoes op de gang, stilte in mijn nieuwe thuis. Ach, de stilte. Niet alle stiltes maken hetzelfde geluid. Hier klinkt ze als een leegte.
Nu ik alleen ben, breekt de dam. Mijn tranen stromen schaamteloos over mijn gezicht: de ontlading na een voormiddag vol vernedering. Nog nooit heb ik me zo ellendig gevoeld.

 

VIER

Is dit nu het huwelijk? Dit is dus ‘je leven delen’ met iemand? Ik word wakker naast een afwezige. Een lichaam dat ademt, eet en drinkt in mijn wereld, maar alleen opleeft in een virtueel universum. Ik ben getrouwd met een gamer.

Waarom wilde ik absoluut trouwen? Omdat ik in mijn leven - in goede en kwade dagen - nood heb aan een ooggetuige?
Helaas ben ik voor mijn man onzichtbaar. En het werk dat ik doe, wordt ook niet opgemerkt. Mijn hoop dat hij eens zou opkijken van zijn scherm en mij blij begroeten als ik thuiskom, loopt steeds op niets uit. Laat staan dat ik ooit al een dankwoord mocht krijgen voor het feit dat ik zorg voor gezelligheid in onze woonst, dat ik de boodschappen doe, dat ik was en plas en kook, en dat ik daarover nooit zit te zeuren.

Ik ben opgegroeid in de traditie van zwijgen en slikken. Bij ons thuis werden gevoelens onderdrukt om de lieve vrede te bewaren. Ik wil niet als een moeilijke vrouw bestempeld worden. Dus, als mijn moeder eens een keertje telefoneert en vraagt of alles goed gaat, zeg ik altijd: “Het gaat wel.” Waarop zij onveranderlijk antwoordt: “Ik had niet anders verwacht, lieverd.”

Vanzelfsprekend zal ik haar ook nooit vertellen dat ik de enige kostwinner in huis ben, en dus ook de enige die de rekeningen betaalt. Gelukkig schijnt mijn dierbare man daar psychisch niet onder te lijden. Hij heeft immers andere dingen aan het hoofd.

Op zes maanden tijd heeft hij vier keer een sollicitatiebrief verstuurd. De negatieve reacties die hij dan ontvangt, leiden alleen maar tot schouderophalen en zuchten. Vervolgens klapt hij zijn laptop open om een nieuwe poging te wagen. Niet op zoek naar een werkgever, maar naar een hoger level in Minecraft of Super Mario. Terwijl ik me ondertussen verontschuldig voor het ongemak van het lawaai van de stofzuiger.

Ik ben Vic’s vrouw niet, ik ben zijn moeder. Of eerder, zijn overbelaste, uitgeputte, onbetaalde, seksloze huishoudster. Als ik hem vraag om iets te doen, volgt er meestal een ‘Oké’. Ook na de tiende keer hetzelfde vragen. Als mijn stemvolume hem dan toch doet reageren, en ik zie dat bleke gezicht en die rode ogen die mij verdwaasd aankijken, dan zeg ik weer: “Laat maar. Ik doe het wel zelf.”
Het volgende ogenblik zit hij opnieuw voorovergebogen, geconcentreerd op zijn game.

Ik had grootse plannen met dit huwelijk, maar de juiste inzichten komen pas als het te laat is.  Als ik ’s nachts wakker lig en worstel met mijn eenzaamheid, gevangen in deze verbintenis, dan durf ik wel eens te fantaseren over eruitstappen, weggaan. Maar ik twijfel aan mijn lef, en of ik zo’n ontsnapping voor mezelf kan rechtvaardigen.

 

VIJF

Als ik de spreekkamer word binnengeleid, zit daar mijn pro-deo-advocaat al te wachten.
Goedemiddag, mevrouw Deleuze. Ik ben meester Dockx. Neemt u gerust plaats. Hoe gaat het vandaag met u?
Niet goed, om eerlijk te zijn. Ik ben erg zenuwachtig voor morgen.”
Dat begrijp ik. We gaan stap voor stap bekijken waar we staan. Kunt u mij in uw eigen woorden eens kort uitleggen wat er volgens u precies is gebeurd?”

Ik sluit mijn ogen en verplaats me naar onze flat.
Mijn man zit aan tafel. Te gamen natuurlijk, als altijd. Ik sta aan het fornuis om te beginnen met koken. Ineens zegt hij, luchtig alsof hij goed nieuws vertelt: “Ik heb vannacht een beetje pech gehad.”
“Hoezo? Slecht geslapen?” vraag ik, naïef als ik ben.
“Ik kon niet slapen. Ben opgestaan en heb wat zitten surfen. Ik had het gevoel dat het geluk aan mijn kant zat. Maar, niet dus. Ik verloor keer op keer. Shit happens.”
“Wat wil je eigenlijk zeggen? Heb je zitten gokken? Met welk geld?” Mijn hart krimpt in elkaar bij zijn antwoord: “Van onze spaarrekening.”

Zegt hij nu echt: ónze spaarrekening? Míjn spaarrekening zal hij bedoelen: ik ben de enige die daarop spaart! Bleek en met bange stem vraag ik: “Hoeveel?”
“Alles,” zegt hij, “ik zei toch dat ik pech had.”
Negenduizend euro! Twee jaar tellen en schrapen. En meneer verspeelt dat in één nacht!

Ik stop even met het graven in mijn herinnering. Ik open mijn ogen.
“U moet weten, meester, dat hij niet werkte. Heeft hij nooit gedaan! Ik dacht dat hij alleen aan die spelletjes verslaafd was, maar toen bleek dat hij ook een gokker was! Af en toe had ik wel eerder geld gemist, maar ik zweeg, vond het geen gezever waard. Maar mijn spaarcenten, weg! Mijn toekomst, weg!!!”

“Rustig maar, mevrouw. Haal even diep adem en vertel dan rustig verder wat er toen is gebeurd.”

“Daarna weet ik het niet zo helder meer. Ik voelde me vernederd en compleet in paniek. Ik was totaal overstuur. We hebben zelfs geen ruzie gekregen.”

Ik sluit weer mijn ogen, voel me duizelig en omknel met mijn vingers het tafelblad. Vic zit nog steeds naar zijn laptop te gapen. Achter hem grijp ik de pan die op het aanrecht staat, mijn Le Creuset, een geëmailleerde gietijzeren steelpan… ik draai mij om en geef hem uit colère een flinke mep tegen zijn kop. Hij dondert van zijn stoel op de grond. Beweegt niet meer.”

Uitgeput kijk ik meester Dockx aan: “Ik wou hem niet dood. Echt niet. Ik heb direct de 112 gebeld. Ik dacht dat hij gewoon bewusteloos was. Een van de ambulaniers heeft dan de politie opgeroepen, en die heeft mij meegenomen naar het bureau. Dat is het zo’n beetje,” zeg ik, totaal uitgeput.

“Goed,” zucht de advocaat. “Dan moeten we eerlijk kijken naar twee dingen: wat er juridisch kan worden aangevoerd, en wat beter niet wordt gezegd. U hoeft niets te verzinnen of mooier voor te stellen dan het was.”

“Ik wil helemaal niet liegen, maar ik ben bang dat alles tegen mij gebruikt zal worden.”

“Daarom houden we het bij de feiten en bij wat u zich daadwerkelijk herinnert. Als u iets niet weet of niet zeker weet, dan zegt u dat gewoon.”

“Moet ik dan bij de raadkamer alles weer uitleggen?”

“Nee. De raadkamer gaat niet de hele zaak inhoudelijk behandelen zoals een vonnisrechter dat doet. Het zal vooral gaan over de verdere behandeling van het dossier en de voorlopige hechtenis of doorverwijzing. Ik zal het geheel juridisch toelichten en uw belangen verdedigen.”

“Wat moet ik zeggen als ze vragen waarom ik dat gedaan heb? Ik kan toch niet zeggen dat hij het verdiende?”

“Nee, doe dat alstublieft niet. Dat soort formulering schaadt uw positie. Beter is: u had een black-out, u handelde fout, en u betreurt wat er is gebeurd. We gaan verzachtende omstandigheden bepleiten, en we zullen bekijken of er bezwaren zijn tegen verdere hechtenis, of dat er schorsing of een andere maatregel kan worden gevraagd.”

“Is er een kans dat ze me vrijlaten?”

“Dat zal afhangen van de ernst van de aanwijzingen en het risico dat de rechtbank ziet.”

“Moet ik iets voorbereiden, een verklaring of zo?”

“Ja, heel kort. Geen lange uitleg, geen details, geen nieuwe feiten. Ik zal er zijn om in te grijpen als de vragen te ver gaan of als iets juridisch verkeerd wordt voorgesteld. We houden het zorgvuldig, waarheidsgetrouw en zo beperkt mogelijk tot wat nodig is. Oké?”

“Ja. Bedankt, meester. Tot morgen.”

Als ik door de gang naar cel-37 word geleid, doet elke stap pijn; mijn hele lijf is nog verstijfd van de spanning van het gesprek.

 

 

ZES

“Deleuze, bezoek!” Mijn hartritme gaat onmiddellijk de hoogte in. “Bezoek, voor mij? Dat is in drie maanden nog nooit gebeurd!”
“Ja, kom je nog mee? Of moet ik ze wegsturen?”
“Nee-nee, ik ben er al!” Ik gooi mijn boek opzij en spring van mijn bed. Ik kijk snel nog even in het spiegeltje boven de lavabo of ik er wat fatsoenlijk uitzie – oei, niet echt - en volg de bewaakster.

Zou een van mijn ouders dan toch de schaamte overwonnen hebben? Of zou het een nieuwsgierige oud-collega zijn?
In de bezoekzaal zit Marie. Mijn inwendige opwinding krijgt meteen een koude douche. Ik verwacht me aan de ergste verwijten.

“Dag, Marie.”
“Dag, Muriël.”  
Ik ga zitten. We kijken elkaar in de ogen. We zwijgen allebei, maar het is geen ongemakkelijke stilte. Het is een uitwisseling van gevoelens: de mijne van spijt, de hare van begrip.
Uiteindelijk, om toch iets te zeggen: “Was ik niet aan het koken geweest, maar aan het poetsen, dan had hij een natte dweil tegen zijn kop gekregen.” We grinniken allebei.

Marie vertelt de nieuwsjes van mijn schoonfamilie en ik doe verslag van het leven in cel-37. Ik laat haar iedereen in haar familie groeten, zij vindt mijn lange voorhechtenis onrechtvaardig. Ze is ervan overtuigd dat het een stom ongeluk was. Als het bezoekuur afgelopen is, geven we elkaar als van oudsher een dikke knuffel.

 

“Wel? Gaat ge me nog vertellen wie het was, of moet ik raden?”
Ik glimlach naar Corazon: “Het was mijn schoonzus, Marie.”
“Zo te zien was dat een ontspannen weerzien. Ge ziet er echt opgelucht uit.”
“Weet je, Corazon, met dit bezoek van Marie realiseer ik me dat ik geen schuld meer voel voor Vic’s dood, maar alleen spijt voor de manier waarop. Het voelt als een gedaanteverwisseling. Alsof ik eindelijk heb afgerekend met dat 'brave vrouwtje' dat hier werd binnengebracht.”

Corazon steekt nog een tandje bij en een sigaret op: “Maar het heeft flink geduurd eer ge de ‘taal van de gevangenis’ beet had. Drie weken geleden deed ge nog in uw broek om nee te zeggen tegen die bitch op 42.”
”Ja, en zie me nu. De anderen hier in huis hebben me laten zien dat ik niet kan overleven door altijd te buigen, en jij hebt me geleerd dat ik moet terugschoppen.”

“Een geslaagde makeover dankzij de gratis bijscholing in cel-37,” grapt Corazon, “Van onzichtbaar naar onverschrokken in slechts twaalf weken!”

Terwijl mijn celgenote zich op het toilet zet en ik me met mijn lectuur aan het tafeltje installeer, gaat het kijkgat open. De bewaakster gluurt naar binnen, steekt een brief  door de opening en zegt: “Post voor Deleuze. Morgenvroeg komt je advocaat langs.” Ik neem de brief aan. De klep gaat weer dicht.

Corazon kijkt reikhalzend toe vanop de pot: “Uw oproeping?”
“Ja, de dagvaarding. Mijn proces begint maandag. Dat is over drie dagen al!”

Het bericht maakt me doodsbang en tegelijk hoopvol. Ik weet niet welk vonnis mij te wachten staat, maar ik kijk ernaar uit om eerlijk mijn verhaal te kunnen delen. Eindelijk.

 

EINDE.

René Jochems, Kontich, 25 juni 2026.