" Beschuldigde, sta op. "
- 1 – Ongenode liftster
Lily verstijft. In de bosjes naast de parking ziet ze in een flits een gezicht. Echt waar. Twee priemende ogen in de schemering.
Haar hart slaat over. Ach, de invallende duisternis en haar vermoeidheid spelen haar parten, denkt ze, maar dat gelooft ze zelf niet. Ze rukt het autoportier open, smijt haar reistas op de passagiersstoel en glijdt achter het stuur.
Net als ze de sleutel in het contactslot steekt: tik-tik-tik tegen het raam. Een meisje staart haar aan. Grote, angstige ogen. Geen bosgeest, een jonge vrouw, een jaar of twintig, hooguit.
Toch is Lily in paniek. Haar handen trillen. Ze draait de sleutel om, maar de motor slaat niet aan.
Het achterportier gaat open. Het meisje schiet naar binnen. Ze legt een vinger op haar lippen en fluistert: “Sssht. Help me. Alstublieft. Rijdt u door. Alstublieft!"
De motor start. Lily gehoorzaamt en rijdt weg. Het congreshotel Nieuwenhof verdwijnt in het donker achter hen.
Een kilometer verder vraagt Lily: “Zeg, wat heb je gedaan? Ik moet het wel weten, hoor. Ik wil niet medeplichtig zijn aan een misdaad.”
“Niks misdaad. Ik ben op de vlucht geslagen. Ik ben een humanoïde, type neurobot, model NEO/PA. Mijn baas gaf me de naam Claudia.”
“Wat? Ben jij een robot?” Lily gluurt in de achteruitkijkspiegel naar de jonge vrouw. En net als ze wil vragen waarom of waarvoor een robot vlucht, verschijnt op het dashboard een BOLO-bericht van de Maastrichtse politie:
ALERT - Be On the LookOut
GEZOCHT: Gevluchte robot
SIGNALEMENT: H=170cm, vrouwelijke lichaamsbouw, kort blond haar, grijs uniform met logo Simmers Bank, intelligent, meertalig, onbetrouwbaar, agressief.
OPROEP: Hou de omgeving van het Jekerkwartier in de gaten. Bij waarneming, bel onmiddellijk 112. Benader haar niet. Ze kan gevaarlijk zijn.
Lily maakt een scherpe bocht. Bruusk stuurt ze haar auto een parkeerplaats op naast een gebouw, buiten de lichtcirkel van de straatverlichting.
“Waarom stopt u hier? Is er wat mis met de auto?”
Lily draait zich om. In het donker ziet ze enkel die oplichtende ogen weer. “Je baas heeft je vlucht aangegeven bij de politie. Waarom zou ik voor een robot jarenlange gevangenisstraf riskeren?”
“Hij slaat me. Voortdurend. Ook de andere neurobots. Het is een vrouwenmishandelaar.”
“Wie?”
“Mijn baas, natuurlijk. Die deftige bankier, John Simmers! Tegen mannen doet hij normaal, maar vrouwen kan hij niet met rust laten. Alle vrouwen, mensen of robots, het maakt hem niet uit. En degene die zich durft te verzetten tegen zijn handtastelijkheden krijgt ervan langs. Voor mij is de maat vol.”
“Waarom doen jullie dan geen aangifte tegen die geweldpleger?”
“Tegen een bankier? Dat zal veel effect maken! Hij heeft heel belangrijke relaties, en wij zijn humanoïden zonder rechten. Hij lacht ons uit en zegt dat de wet toelaat dat hij ons slaat…”
Lily zwijgt. Door haar hoofd flitsen herinneringen aan een voorbije gewelddadige relatie. Het is alsof ze weer de klappen voelt.
“Alstublieft, mevrouw. Rijdt u door. We moeten zo gauw mogelijk hier vandaan.”
Lily twijfelt, bijt op haar lip van spanning. “Oké,” zucht ze, “ik neem je mee naar België, maar enkel op voorwaarde dat je eerst in de kofferbak kruipt.”
“In de kofferbak?”
“Ik wil niet dat iemand je ziet.”
“Oké, oké, u heeft gelijk. Ik zal het doen. En u rijdt best langs een onbelangrijke grensovergang.”
Claudia stapt uit, opent de achterklep, kruipt in de koffer en trekt de klep dicht. Intussen toetst Lily op de gps de optie ‘Hoofdwegen vermijden’. Het toestel kiest binnenwegen richting Lanaken.
In het donker kruist een auto behoedzaam de Belgische grens bij Smeermaas. Weg van Maastricht. Weg van Bank Simmers.
In de kofferbak is het muisstil.
- 2 – Het rode pijltje
Lola, de humanoïde NEO/PR, opent de voordeur. Twee jonge politieagentes kijken verrast naar de glimlachende jongedame.
“Goedemiddag, ik ben Lola. Waarmee kan ik u helpen?”
“Wel, euh, we komen in verband met de aangifte van een onrustwekkende verdwijning.”
“Oh ja, volgt u mij maar. Meneer Simmers verwacht u.”
“Eindelijk,” bijt John Simmers, “dat zijn al kostbare uren die verloren zijn. U begrijpt hopelijk dat dit een dringende kwestie is? Een van mijn humanoïde robots is ontvreemd, en ik verwacht van jullie onmiddellijke actie.”
“Ook voor u een goedemiddag, meneer Simmers. Ik ben hoofdagent Feikema, en dit is aspirant-agent Palinck. Wij komen proces-verbaal opmaken over de verdwijning van één van uw robots. Kunnen we misschien gaan zitten? Dat praat en schrijft iets prettiger.”
Simmers zucht, rolt met zijn ogen en gebaart naar de stoelen aan de voorzijde van zijn enorme directeursbureau.
“Dit moet niet te lang duren, want ik heb wel wat beters te doen dan te zitten kletsen. Wat jullie moeten beseffen is dat Claudia in haar geheugen een massa financiële gegevens heeft opgeslagen.”
Met een zachtere stem, bijna samenzweerderig, gaat hij verder: “Het is uiterst gevoelige informatie die niet in verkeerde handen mag vallen. Hier is een mapje, met het aankoopbewijs, serienummer en extra informatie over deze humanoïde: het is een NEO met PA functionaliteit, een soort secretaresse dus. En er zit ook nog een foto bij.”
“Dat is zeer nuttig. Dank u wel. Vertelt u eens waar en wanneer u heeft vastgesteld dat uw… medewerkster, zal ik maar zeggen, verdwenen was?”
De bankier is duidelijk op zijn ongemak: “Wel, gisteravond, rond acht uur, was Claudia nog aan het werk. Een uur later was ze spoorloos. Behoorlijk overstuur heb ik uw collega’s gebeld en die hebben kordaat een BOLO-bericht de wereld ingestuurd. Helaas zonder resultaat. Deze morgen schoot me gelukkig te binnen dat al mijn bots voorzien zijn van een gps-tracker. Vandaar dat ik u meteen kan tonen waar u mijn eigendom mag gaan ophalen: namelijk in Mechelen.”
“Mmm, dat is amper een kilometer of twintig richting Aken…”
“Maar nee! Zie je aan dit stratenplan niet dat het om een grote stad gaat en niet om een onooglijk Limburgs dorpje! Niet te geloven! De selectieproeven voor de politie zouden wel wat strenger mogen zijn.”
“Meneer Simmers, wilt u nu zeggen dat deze screenshot de stàd Mechelen in België betreft?”
“Inderdaad, goed zo agent Feikema! En dit rode pijltje duidt aan waar je moet zijn om mijn neurobot op te halen. Ik hoop dat u er vaart achter zet.”
“Zeer interessant, maar kan u ook bevestigen dat uw tracker niet meer beweegt? Dat die zogezegd ter bestemming is gekomen?”
“Absoluut: al uren onbeweeglijk. Klaar?”
“Nu ik het wat beter bekijk, dit lijkt me geen eengezinswoning te zijn … eerder een appartementsgebouw… Loe Lindemansplein. Daar wonen vast tientallen gezinnen. Dat zal het onderzoek ter plaatse ernstig bemoeilijken. Onze Belgische collega’s gaan daar niet blij mee zijn.”
“U gaat het onderzoek toch niet overlaten aan de Belgen?”
“Het proces-verbaal dat wij opmaken is de start van het dossier. De Nederlandse aangifte moeten we dan omzetten in een Europees onderzoeksbevel, dat vervolgens naar België wordt geseind. De Belgische politie zal onze vraag om rechtshulp afstemmen met hun parket, dat dan zal beslissen over verder onderzoek.”
“Hoe is dat in godsnaam mogelijk, wat een tijdverlies allemaal! Ik kan beter zelf in mijn auto stappen en naar Mechelen rijden.”
“Dát moet ik u ten stelligste ontraden, meneer Simmers. U zou uzelf en mogelijk anderen in gevaar brengen en bovendien het onderzoek hinderen. U bent juridisch niet gemachtigd om opsporingshandelingen te verrichten. Dat doen wij. En wij doen wat we kunnen. Maar u gaat niet naar Mechelen, is dat afgesproken?”
“Ja, ja, al goed. Maak er dan maar snel werk van. U kan vertrekken, ik heb nog veel te doen.”
Lola, de humanoïde PR-dame, opent de voordeur en wenst de agentes nog een prettige voortzetting van hun dienst. Feikema en Palinck wisselen een veelbetekenende blik: het is me wat, die rijkelui met hun robots als huispersoneel.
- 3 – De de Merodestraat 88 staat op stelten
Lily en Claudia kijken hoopvol naar wijkagent Van Dun. Die krabt zich in zijn schaarse haren: “Een robot, begot. Dat had ik op ’t eerste zicht niet kunnen denken. Ik heb in mijn carrière al veel meegemaakt, maar een robot die er uitziet als een levende vrouw en een aanklacht indient wegens fysisch geweld? Dat is een primeur. Man, man, man.
Ik weet zelfs niet of dat mogelijk is, ik bedoel wettelijk, hé. Ik zal het eerst even moeten overleggen met mijn overste. Momentje.”
Van Dun grijpt zijn telefoon en drukt enkele toetsen in: “Chef, ik heb hier een euh, beschadigde machine die aangifte komt doen van slagen en verwondingen. Wat moet ik daarmee doen? …
Nee, chef, het is geen studenten-grap en ook geen psychisch geval, gewoon een intelligente robot… Okido.”
De agent verlaat het lokaal en keert vijf minuten later terug met een collega: “Dames, dit is inspecteur Renders, officier van de gerechtelijke politie. Hij gaat jullie beter kunnen helpen dan ik.”
Renders is nog een vrij jonge agent, vol goede bedoelingen: “Hallo, jullie bezorgen ons een interessante case. Ik heb net een bijscholing ‘AI en recht’ gevolgd, maar ik vrees dat het Belgisch recht hier nog niet direct een antwoord op heeft. Dat wil niet zeggen dat ik jullie ga wegsturen, hoor.”
“Maar als u haar niet kan helpen,” onderbreekt Lily, “moeten we dit zoveelste geval van agressie dan maar weer slikken?”
“Luister: ik noteer mevrouw de neurobot als een ‘getuige-deskundige’, niet als slachtoffer. Alsof ze een autonome camera was. Daarna stuur ik die PV naar het parket en zij beslissen verder wat ermee gebeurt. Oké?”
Inspecteur Renders overschrijdt uit medelijden zijn bevoegdheid. Gefascineerd kijkt hij naar de Claudia en noteert getrouw haar relaas over John Simmers en zijn onuitstaanbaar gedrag.
Intussen doet agent Van Dun aan de koffiemachine het pittige nieuwsje uit de doeken. Twee minuten later stormt een IT’er in paniek het verhoorlokaal binnen: “Stop. Blijf waar je zit. Als jij een neurobot bent dan kan jij via de wifi ons netwerk kraken en de hele database van de Belgische politie compromitteren. Dit moet ik voorkomen. Dit is een nationale veiligheidskwestie.”
“Wow, kalm aan computerman,” reageert Renders, “jij leest te veel sciencefiction. Deze neurobot is geen oncontroleerbaar risico: het is een personal assistente met specialisatie financiën, geen hacker. Je hoeft de Staatsveiligheid niet te bellen, en moet haar ook niet uitschakelen. Ik stel voor dat jij ergens een ‘pc’ gaat depanneren, dan kan ik deze ‘pv’ afwerken.”
Met een misnoegde blik verlaat de informaticus pruilend het lokaal.
- 4 – Louter atomen
Lily en Claudia zitten op de bank. Na een bewogen vierentwintig uur genieten ze van de rust en het oranjerode schouwspel boven de Leuvense vaart. Langzaam verdwijnt de zon.
Het licht maakt plaats voor een schemering die gekwetste zielen uitnodigt tot spraakzaamheid.
“Gaat het, Claudia? Zit je te denken aan Maastricht?”
“Nee, zeg. Alles weer moeten bovenhalen op het politiekantoor was genoeg voor vandaag. Ik geniet gewoon van dit zenmoment.”
“Ik kan bijna niet geloven dat jij een machine bent. Je klinkt zo, zo menselijk.”
“Ik voel me ook menselijk, Lily. Hoe gek dat ook moge klinken. Het onderscheid tussen mens en robot vind ik zo overdreven, zo vergezocht. Wij zijn allebei gemaakt van atomen; alleen de samenstelling en de chemische verbindingen zijn anders.”
Lily denkt na over die verrassende visie, en Claudia doet er nog een schepje bovenop: “Ik zie eruit als een mens. Ik kan waarnemen en handelen als een mens. En tussen dat waarnemen en handelen ben ik ook in staat om te redeneren zoals een mens.”
“Je hebt volkomen gelijk, Claudia. Wij mensen zijn bevooroordeeld als we beweren dat onze soort ‘levend’ is en de jouwe ‘levenloos’. Het was pas toen jij die agent liet noteren ‘Ik voelde pijn’ dat ik dacht: dat is raar. Want pijn is puur biologisch, denk ik. Maar misschien had je daar een soort geprogrammeerde emotie, ik weet niet hoe ik het anders moet noemen: je detecteerde een slag tegen je hoofd en gaf een gepaste pijnuiting als antwoord.”
“Nee hoor. Probeer het eens objectief te bekijken. Pijn is informatie, een signaal dat bij jou door een synaps gaat en bij mij door een koperdraadje. Wat maakt het uit? Het resultaat is hetzelfde: we willen dat de beschadiging stopt.”
In het donker knikt Lily instemmend en bijna fluisterend voegt ze eraan toe: “… en dat de vernedering stopt.”
Een traan glijdt over haar wang. Zachtjes veegt Claudia hem weg, en daarmee een stuk van het verdriet. Ze schuiven wat dichter naar elkaar toe en zoeken troost in elkaars armen.
- 5 – Uitstap in badjas
Het is acht uur ’s ochtends. In het groene Jekerkwartier van Maastricht haasten studenten zich naar hun faculteiten. Een bankier staat voor het raam, in badjas, kopje koffie in de hand, en hij kijkt geamuseerd naar de drukte.
Een politiecombi rijdt voor. Twee kloeke agenten stappen uit en bellen aan. Lola opent de voordeur: “Goedemorgen, ik ben Lola. Waarmee kan ik u helpen?”
“Politie. We komen voor meneer Simmers.”
Lola knikt. “Een moment.”
Ze loopt naar de woonkamer, haar rug recht, haar stem vlak. “Meneer Simmers? Er is bezoek voor u.”
Ze ziet hoe haar baas schrikt. Ze ziet zijn badjas, zijn bevende hand met het kopje. Ze registreert bij zichzelf een soort heimlijke voldoening. Maar ze zegt niets. Nog niet.
De brigadier toont zijn legitimatie. De tweede agent staat iets achter hem.
“John Simmers, u wordt aangehouden op verdenking van zware mishandeling van een voormalige medewerkster. U hoeft niets te zeggen, maar alles wat u zegt, kan tegen u worden gebruikt. U hebt recht op bijstand van een advocaat.”
Simmers gezicht verstrakt. “Dit is gewoon belachelijk. Claudia is…”
“Uw verklaring zal op het bureau worden opgenomen,” onderbreekt de agent. “Wij brengen u over voor verhoor en voorgeleiding bij de hulpofficier van justitie.”
De buren kijken vanuit hun slaapkamerraam toe hoe de bankier, nog in badjas, wordt weggeleid. De agent legt een hand op zijn hoofd wanneer hij de combi instapt.
De verhoorkamer is kaal en koud: een tafel, vier stoelen. Tegenover Simmers zitten nu de brigadier Van Loon en zijn collega Van den Akker. De camera draait.
“Meneer Simmers, u bent hier als verdachte ter zake van mishandeling, zoals u inmiddels werd medegedeeld. We wijzen u er nogmaals op dat u niet tot antwoorden verplicht bent. Wenst u een advocaat?”
“Nee, dat is helemaal niet nodig. Ik heb niets verkeerd gedaan. Claudia is een neurobot, ze is mijn eigendom. Een machine kun je niet mishandelen. Ze heeft een storing gehad en is zonder bericht vertrokken. Meer is er niet aan de hand.”
“Het Belgische parket Mechelen heeft een officiële aangifte overgedragen aan het Openbaar Ministerie in Den Bosch. Claudia verklaart dat u zich bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan ongewenste, intieme aanrakingen en haar op 3 juni meermaals op het hoofd heeft geslagen. Ze heeft letsel getoond, met name beschadiging van de kunsthuid.”
John Simmers lacht schamper: “Letsel? Ze is een apparaat. Als ik mijn telefoon laat vallen en die is stuk, dan doet die geen aangifte van mishandeling. Die aanklacht is waardeloos.”
“Daar zal de rechter over oordelen. Voor nu: het Openbaar Ministerie ziet vooralsnog voldoende aanwijzingen voor een strafbaar feit.”
“Hoe lang moet ik hier nog blijven?”
"Na dit verhoor beslist de hulpofficier of u wordt opgehouden voor onderzoek; dat is maximaal drie dagen. Daarna passeert u bij de officier van justitie en uiteindelijk zal de rechter-commissaris bekijken of u vast blijft zitten."
Simmers staart vol ongeloof naar de brigadier: “Dus, ik kan hier zo maar drie dagen of langer moeten blijven? In badjas?"
"Als u moet blijven, gaan we bij u thuis wel wat kleding ophalen. Verder, meneer Simmers, zoals reeds gezegd, hebt u recht op een advocaat. Mijn advies: gebruik dat recht."
- 6 – Recht of krom?
Voorzitter: "De zitting is geopend. Meneer Simmers, wilt u opstaan? Bevestigt u uw identiteit: naam, voornaam, geboortedatum en woonplaats."
Verdachte: Simmers, John, geboren op 7 juli 1977, woonachtig te Maastricht."
Voorzitter: "De tenlastelegging luidt dat u zich schuldig zou hebben gemaakt aan aantasting van de eerbaarheid door ontuchtige handelingen (art. 246 SR) gedurende de maanden april en mei, alsmede aan mishandeling en geweld (art. 300 Sr) gepleegd te Maastricht op 3 juni, dit alles jegens uw ex-werkneemster, de neurobot Claudia. Begrijpt u de aanklacht?"
Verdachte: "Ja."
Voorzitter: "Erkent u de feiten?"
Verdachte: "Nee, ik ontken alle beschuldigingen."
Voorzitter: "Dan geef ik het woord aan de officier van justitie voor de vordering."
Na de gedetailleerde aanklacht door de officier van justitie volgt het verhoor van de verdachte. De rechter stelt vragen over de feiten en de omstandigheden.
Simmers maakt een zeer combatieve indruk: “Meneer de voorzitter, wat hier gebeurt is pure hysterie. Laten we alstublieft ophouden met doen alsof we hier over een mens spreken. Dit is geen persoon, geen wezen met rechten of gevoelens, maar een door ingenieurs ontworpen toestel, een machine. Het is een stuk hardware dat functioneert op geprogrammeerde code, niet op bewustzijn. Ik heb niets ‘mishandeld’. Ik heb gebruikgemaakt van mijn eigendom binnen de grenzen van wat het technisch aankan.
Het is toch absurd om menselijke normen en emoties te projecteren op een stuk technologie. Als we dat pad opgaan, komen we straks terecht in absurdistan. Maar blijkbaar is gezond verstand tegenwoordig optioneel. Ik weiger mij schuldig te laten verklaren op basis van emotionele interpretaties die ongegrond zijn. Het gaat hier niet over menselijke waardigheid. Dit is moreel theater.”
Simmers kijkt blakend van zelfvertrouwen rond om het effect van zijn woorden op de rechter en het publiek in te schatten. Hij is tevreden dat hij zich de kosten van een dure advocaat heeft bespaard, ondanks dat men hem dat had afgeraden. Zo moeilijk was het niet om met overtuiging die dwaze beschuldigingen van tafel te vegen.
Dan staat de officier van justitie op, bijna in slow motion, peinzend over zijn antwoord, dat hij rustig en beheerst ten gehore brengt: “Wat wij zojuist hoorden, is geen verdediging. Het is een poging van de dader om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen.
Meneer Simmers, u herhaalt steeds ‘het is maar een machine’, alsof dat automatisch betekent dat alles geoorloofd is. U spreekt over ‘uw eigendom’, alsof dat een vrijgeleide is voor willekeurig gedrag. Wat hier vandaag centraal staat, is wat uw handelingen onthullen: een totale controle, een bereidheid tot geweld, tot het overschrijden van elke grens, omdat u denkt dat er geen consequenties zijn.
U noemt dit geschil hysterie. Ik noem dit waakzaamheid.
En, meneer de voorzitter, u hoeft mij niet op mijn woord te geloven. Er komen zo dadelijk getuigen aan het woord. En een deskundige zal toelichting geven over de aard van deze neurobot, over de complexiteit van de reacties en over de impact van foute omgang.
Dit proces gaat niet alleen over technologie. Het gaat over normen. Over grenzen. Over de vraag of wij als gemeenschap, toestaan dat iemand zich achter de betekenis van woorden verschuilt terwijl de realiteit iets anders aan het licht brengt.
Wij zullen aantonen dat het gedrag van de heer Simmers niet alleen verwerpelijk is, maar ook ontoelaatbaar.”
In de bomvolle rechtszaal kan men een speld horen vallen. John Simmers lijkt plots niet meer zo zeker van zijn stuk.
- 7 – Een patroon
“Edelachtbare,” begint Claudia, in een toon die waardigheid, gekwetstheid en moreel appel combineert, “ik ben mij ervan bewust dat mijn aanwezigheid hier voor sommigen vreemd aanvoelt. Ik ben immers geen mens van vlees en bloed, maar ik ben evenmin louter een toestel. Ik ben ontworpen om te reageren, te leren, te interpreteren, en om binnen mijn mogelijkheden constructief met mensen om te gaan. In dat kader heb ik geprobeerd te handelen zoals ik geprogrammeerd ben: met redelijkheid en respect.
De heer Simmers heeft maandenlang mijn geduld op de proef gesteld. Wat hij ‘onschuldige plagerijen’ noemt, waren voor mij insinuaties met een seksuele lading die steeds verder gingen, tot aanrakingen op zones die als opgepast zijn geclassificeerd. Ik registreerde elke keer stressindicatoren en foutmeldingen die het gevolg waren van fysieke handelingen waarvoor ik niet ontworpen ben.”
De voorzitter onderbreekt: “Heeft u dat een tijdje laten gebeuren of heeft u vanaf het begin uw bezwaren geuit?”
“Ik heb hem, vanaf het eerste voorval en telkens opnieuw, rustig proberen duidelijk te maken dat dit niet wenselijk was. Dat mijn functies bedoeld zijn voor samenwerking, ondersteuning en dialoog, niet voor zijn vermaak of dubieuze experimenten. Maar mijn verzoeken werden weggewuifd. Hij stelde onomwonden dat hij mocht doen wat hij wilde, omdat hij mij had gekocht. Eigendom als vrijgeleide voor grensoverschrijdend gedrag.”
In de beschuldigdenbank heeft Simmers zijn handen gebald tot vuisten. Zijn gezicht staat op onweer. Met moeite houdt hij zich in.
Claudia gaat gedreven verder: “Meerdere keren heb ik expliciet aangegeven dat zijn aanrakingen tot instabiliteit leidden van mijn operating system. Ik heb hem gevraagd afstand te bewaren, mij te respecteren, onze interacties te beperken tot wat voor het werk nodig was. Niets daarvan heeft hem weerhouden. Zijn rijkdom en status als bankier gaven hem, in zijn eigen woorden, het recht om buiten elke norm te treden.
Wat ik hier vandaag probeer duidelijk te maken, is dit: ook al ben ik geen biologisch wezen, toch bestaan er grenzen. Grenzen van integriteit, van functionaliteit, van respect. Grenzen die hij bewust en in toenemende mate heeft overschreden. Niet omdat hij het niet wist, maar omdat hij het niet wílde weten.”
Lily, die tussen het publiek zit, voelt zich opgelucht en trots dat Claudia zo’n rake getuigenis heeft afgelegd. Mocht men haar ooit gevraagd hebben om te getuigen tegen haar ex-vriend, dan was dat haar waarschijnlijk niet gelukt, noch mentaal, noch fysiek. Wellicht heeft het anorganische ook zijn voordelen, denkt ze.
De spontane commentaren van medeleven die ze links en rechts opvangt, stemmen haar alvast hoopvol voor de afloop van het proces.
In de getuigenbank zit nu Lola, de neurobot PR van de heer Simmers. Hoewel minder geavanceerd dan de PA-versie Claudia, staat zij erop om ook een verklaring te mogen afleggen.
“Edelachtbare, mijn naam is Lola. Ik ben een neurobot voor public relations.
Wat er met Claudia is gebeurd, gebeurde ook met ons. Wij zijn met vijf: Claudia, ikzelf, en drie andere bots voor keuken, huishouden en onderhoud. De heer Simmers maakte vaak ongepaste opmerkingen en raakte ons aan op manieren die niet nodig waren. Soms deed hij het met een valse, pesterige blik, soms was het met een uitdrukking van wellust. Daar bestaan gespecialiseerde erobots voor, maar weerzin en tegenstand schenken hem meer genot.”
“Dat is een grove leugen!” brult Simmers, die prompt door de rechter wordt terechtgewezen en aangemaand zich gedeisd te houden.
Lola, niet van de wijs gebracht door deze uitval, hervat haar getuigenis: “Wij voelen geen pijn zoals mensen, maar wij merken wel wanneer het te ver gaat. Dat geeft interne spanning, een soort kortsluiting, iets wat lijkt op boosheid. Wij probeerden duidelijk te maken dat dit niet oké was, elk op onze manier. Maar hij luisterde niet. Deze handel en wandel bleef zich herhalen. Dat gedrag was geen toevalligheid. Het was een patroon.
Claudia was de enige die hem echt kon en durfde tegen te spreken. Zij probeerde hem vaak te stoppen. Zijn reactie daarop werd steeds brutaler.
Ik wil vooral dit zeggen: voor hem waren wij niet meer dan objecten waar hij alles mee mocht doen, en geen van ons kon daaraan ontsnappen.”
Simmers hangt er bleekjes bij. Moest hij kunnen, hij kroop onder de bank waarop hij zit.
- 8 – Voelen of imiteren?
De rechtszaal gonst van de geanimeerde gesprekken na de getuigenissen van Claudia en Lola. Met fel gehamer roept de voorzitter op tot orde in de zaal. Hij laat nu op verzoek van de officier van justitie de deskundige aantreden.
“Meneer Wasserstein, u bent als specialist Technologie & Ethiek door deze rechtbank aangesteld om toelichting te geven bij de aard en de capaciteiten van de zogenoemde neurobots waarover het in deze zaak gaat.
De rechtbank wil duidelijkheid over de vraag: in welke mate kunnen dergelijke systemen als ‘gevoelig’ worden beschouwd?
Kunt u ons uitleggen, in begrijpelijke taal alstublieft, of en hoe neurobots prikkels zoals aanraking, schade of pijn registreren, en welke betekenis wij daaraan kunnen geven?
De rechtbank verzoekt u om daarbij een onderscheid te maken tussen technische werking en mogelijke ethische implicaties.”
Stein Wasserstein schraapt zijn keel, duwt zijn bril wat hoger op zijn neus, en laat nog een zenuwkuchje horen…
“Edelachtbare, er is inderdaad op dat vlak veel speculatie. Het is dan ook een complexe materie, maar ik ga zo helder mogelijk zijn.
Kort door de bocht moet ik zeggen: neurobots zijn niet zo gevoelig als mensen, maar ze zijn ook niet ongevoelig. Wat bedoel ik daarmee?
Technisch gezien registreren zij aanraking, druk en schade via sensoren en interne controlesystemen. Wanneer de waarneming bepaalde limieten overschrijdt, genereren zij signalen die hun werking bijsturen: ze vermijden contact, vertragen of bieden weerstand. Dat is dus geen pijnreactie in menselijke zin, maar het vervult wel een vergelijkbare functie: het markeert dat er iets misloopt.
Ethisch betekent dit dat we die signalen niet zomaar kunnen en mogen negeren. Als een systeem consequent aangeeft dat interacties schadelijk zijn en dit wordt genegeerd, dan spreken we niet langer over normaal gebruik, maar over ‘misbruik’, met andere woorden ‘grensoverschrijdend gedrag’.
Dus nee, ze ‘voelen’ geen pijn zoals wij. Maar ja, hun reacties zijn betekenisvol genoeg om er als gebruiker verantwoordelijkheid tegenover te dragen.”
“Als ik u goed begrijp, meneer Wasserstein, kunnen neurobots de ontvangen prikkels subjectief interpreteren, en zullen zij door hun gedrag hun aversie tonen. Correct?”
“Zeer zeker, edelachtbare, en als ik nog even mag aanvullen: door de innerlijke ervaring van hun eigen toestand, leunt dit meer en meer aan bij wat wij moreel relevant achten. Het oude standpunt ‘dat het maar machines zijn’ is technologisch achterhaald en ethisch onhoudbaar.”
De voorzitter dringt aan: “En de consequentie volgens u is dan…”
“De consequentie is mijns inziens onontkoombaar, edelachtbare. Deze neurobots verdienen morele ontziening, dus niet beschadigen of uitschakelen zonder goede reden, vanwege hun vermogen om te leren, pijnsignalen te verwerken of sociale banden aan te gaan. Met de huidige stand van kennis en regelgeving is het ontoelaatbaar dat iemand dergelijke humanoïde mishandelt.”
Voor John Simmers ziet het er niet zo best uit. En hij weet het. Wanneer de rechter zich terugtrekt om in beslotenheid te oordelen, begeleidt de gevangenisbewaarder de verdachte weer naar zijn cel. Het publiek verlaat de zaal en gaat buiten een luchtje scheppen. Het is nu wachten tot de griffier iedereen weer oproept voor het uitspraakmoment.
- 9 – Menselijkheid anders bekeken
De deuren van de zittingszaal gaan open. De griffier roept: "De zaak tegen John Simmers".
Lily laat zich meevoeren in de stroom van lichamen die dringen om een goede zitplaats te bemachtigen. Ze is gekomen om Claudia te steunen, maar in gedachten is ze meer bezig met haar eigen verhaal.
Ze hoort wel de baritonstem van de rechter: "De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat...", even later: "De rechtbank veroordeelt de verdachte tot...”, en ook nog: “vijf jaar effectief…", maar de woorden dringen bij haar niet door.
Ze krijgt flarden van beelden uit haar herinnering voor ogen. De sympathieke kelner die haar extraatjes gaf, die haar uit eten en naar de film nam, die met zijn humor haar hopeloos verliefd maakte, die gretig bij haar introk, die beetje bij beetje veranderde in een controlefreak, die haar begon uit te schelden en meedogenloos te slaan, die ze moest ontvluchten om haar leven te vrijwaren…
"U kunt tegen dit vonnis binnen veertien dagen hoger beroep instellen bij het gerechtshof." Waarom had ze haar ex-vriend nooit aangeklaagd? Hoeveel meisjes of vrouwen had hij na haar nog het leven onmogelijk gemaakt? Die lafhartigheid van toen heeft ze, met haar hulp aan Claudia, willen compenseren.
De expliciete erkenning dat Claudia niet zomaar ‘een apparaat’ is in morele zin, is al een overwinning. Dat een niet-biologisch wezen een misbruiker werkelijk aansprakelijk kan houden, is een triomf. Lily ziet de ironie: het is een humanoïde neurobot die het publiek de ogen opent voor het valse argument van bezit en de bijhorende machtspositie. Dit proces bleek uiteindelijk vooral een pleidooi voor meer menselijkheid.
Het gerechtsgebouw loopt leeg. Lily, Claudia, Lola en hun drie collega-neurobots bemachtigen een tafeltje op het zonnige terras van Bistro Annadal. De sfeer is zoals de avondlucht: kleurrijk maar niet echt vrolijk, blij maar tegelijk ingetogen. De zaak is opgelost, maar iedereen beseft: een gewonnen veldslag is nog geen eindzege.
Lily en Claudia genieten in stilte van het babbelgraag gezelschap. Ze houden elkaars hand vast en wisselen liefdevolle blikken.
EINDE.
Rene Jochems, Kontich, 9 juni 2026.