Vier begrafenissen en een huwelijk

   

    

Woensdag 21 december 2016

Het was december. De kortste dag van het jaar.

In de stille ziekenhuiskamer lag Greg te sterven. Hij wist het. Wij wisten het. Niemand zei het.

Zaki was overgekomen uit Luxemburg. Zijn vrouw, Beatriz, lag daar in het ziekenhuis na een spoedoperatie voor een hersentumor. Hij kon niet lang blijven. Terwijl hij zijn spullen bijeenraapte om te vertrekken, keek Greg hem aan vanaf het bed. Broos, onder de medicatie, maar nog altijd Greg: “Wil je dat ik met je meega?”

Zaki lachte. Hij begreep dat dit de laatste woorden waren die hij van zijn vriend zou horen. Ze omhelsden elkaar. Toen omhelsde hij mij en verliet wenend de kamer.

Vier dagen later was Greg dood.

Die middag in Wilrijk was de laatste keer dat we met z’n drieën in dezelfde kamer zaten. Drie mannen die ooit, jong en onervaren, dachten de wereld te zullen veroveren. Nu zaten daar drie oude vrienden. Meer was het niet. Minder ook niet.

We spraken over vroeger. Over overmoed, lachen, chaos en nachten die eindeloos leken. Niet over de ruzies. Niet over de bitterheid. Dat telde niet meer. Wat overbleef was dit: drie mannen die elkaar als tieners hadden gevonden en elkaar figuurlijk nooit hadden losgelaten, ook niet toen ze dachten van wel.

Greg had pijn. Maar zijn humor was intact, zijn geest bleef helder. Hij dacht nog aan anderen terwijl zijn eigen tijd opraakte.

Ik bleef nog even langer. We spraken zacht, zoals broers spreken wanneer de tijd kort is. Geen grote woorden. Alleen dat wat nog overbleef.

Toen vertrok ook ik.

 

Donderdag 5 januari 2017

Begin januari en het vriest de stenen uit de grond. Het is een ouderwetse winter met veel sneeuw, veel strooizout, veel pannes. Meer schuivend dan rijdend raak ik heelhuids en tijdig in het crematorium. Ik begroet, kus en condoleer Jacqueline, de weduwe van Greg. Enkele kennissen schud ik de hand en zet me dan een beetje apart in afwachting dat we de aula binnen mogen. Net als ik mijn gsm op stil wil zetten, een berichtje van Zaki: “Zit vast, kettingbotsing A12 Aartselaar. Ongedeerd. Tot gauw. Hoop ik.” Ik stuur een duimpje retour en zet mijn mobieltje uit.

In de wachtruimte leek de opkomst nog mee te vallen, ondanks het weer. In een zaal met honderd zitjes echter, lijkt een dertigtal mensen op een krentenbrood van een gierige bakker.

De herdenkingsdienst opent met diepe, resonerende basstemmen die uit de aarde zelf lijken te komen. Greg was altijd een fan geweest van de oude Russisch-orthodoxe eenstemmige melodiestijl. Ik sluit mijn ogen en laat me meevoeren op een traag stromende Wolga.

Na het steriele voorlezen van zijn biografie door een begeleider van de uitvaartonderneming mag Gregs dochter Natasja zorgen voor een meer menselijke noot. “Papa, jij was altijd de stille in huis. De spirituele. De zoeker. Maar wanneer je sprak, werd alles plots helder. Jij sprak eerlijk, rustig, zonder omwegen. Niet bang voor stilte en niet bang voor de waarheid. Ik heb zoveel van jou geleerd. Ik zal ook blijven zoeken en proberen betekenis te geven aan dit bestaan. Ik zal ook proberen om het leven van de mensen om me heen iets lichter te maken. Zoals jij deed.”

In mijn hoofd hoor ik hem weer tegen Zaki zeggen: “Wil je dat ik met je meega?” Een simpele vraag. Een laatste grap.
De woorden van Natasja roepen herinneringen op bij elk van de aanwezigen. Er wordt gelachen. Er wordt geweend. Zo hoort het. Zo ziet het einde van een mensenleven eruit wanneer er niets meer te winnen valt. Buiten ziet alles wit.

Zaki komt nog net op tijd om een laatste groet te brengen. De koffie en de viennoiserie zijn voortreffelijk.

 

Zaterdag 20 september 1969

Het was de jongste die op het idee kwam. Zaki, net verjaard, porde ons aan: “Komaan, gasten. Nu we alledrie zestien zijn, mogen we eindelijk de dancings binnen. We gaan vanavond de bloemmekes buitenzetten, oké?” En zo geschiedde. Om halfacht stapten drie vrienden Dancing Tropical binnen, afgeborsteld op hun paasbest: kostuum, hemd, das en opgeblonken schoenen. De dienster die op ons afkwam, zag van ver het groen achter de oren. Met twinkelende pretoogjes en a big smile vroeg ze: “Wat mag het zijn voor de heren?”
“Euh, een pintje”, “Een pintje”, “Voor mij ook, een pintje”.

Onwennig keken we in het rond. De teleurstelling was groot: nauwelijks een tiental bezoekers. Was dit waar we al zo lang naar verlangden? De barman zette de pinten voor onze neus op de toog en de dienster rekende af. Terwijl we betaalden, vroeg Zaki smalend: “Ik dacht dat den Tropical zo populair is, maar het is hier niet echt over de koppen lopen vanavond.”
Het meisje reageerde gevat: “Het komt gewoonlijk pas op gang rond een uur of elf. Nog een beetje geduld, heren.”

Pats! Dat was les nummer één. Er zouden er spoedig nog volgen.

Na de pintjes gingen ‘de heren’ dan maar een frietje steken bij frituur Numero Uno. Vervolgens werd de overtollige tijd gewist met een ongepland cinemabezoek. De keuze viel op de ongekende film ‘Princess’, louter omdat we hoofdacteur Herman Van Veen kenden door zijn single ‘Suzanne’ in de hitlijsten. Dat deze film een satire was op het pulpgenre ontging ons, zo gefascineerd als we waren door het aanbod bloot, actie, geweld, ontploffingen en achtervolgingen.

Klokslag elf maakten we een nieuwe entree in de Tropical: het was nu wringen om een plaatsje te bemachtigen. We vonden het geweldig.

 

Zondag 21 september 1969

Even na middernacht, na een paar pinten, enkele opgelopen blauwtjes en wat geslaagde slows - soms zelfs afgerond met een kuise zoen - maakten we aanstalten om te vertrekken. Een wulpse dame, eerder een overjaarse hippie zo weggelopen uit Woodstock, dacht daar anders over. “The boys gaan Fleur nu toch niet in de steek laten?” fleemde ze, terwijl ze haar armen om de schouders van Greg en Zaki legde en een lieflijke blik mijn richting uitstuurde. We lachten, onwennig maar wel gecharmeerd. “Als jullie deze kwetsbare vrouw veilig naar huis helpen, dan heb ik voor de drie Musketiers nog een verrassing in petto.”

We waren zelf ook lichtjes aangeschoten, maar vooral gevlijd door de vraag om hulp. Een positieve beslissing was van onze kant gauw genomen. Met zijn vieren stapten we de koele nacht in. Onwetend op weg naar les nummer twee.

De wandeling eindigde voor een massieve deur met koperen beslag. Binnen marmeren vloeren en trappen, oosterse tapijten, een gesculpteerde porte-manteau. Fleur installeerde ons in de knusse zetels van de salon. We keken onze ogen uit op dit bijzondere interieur. Rondom kasten vol boeken en het portret van een voorname man die ons nors aanstaarde. Fleur wees het barmeubel aan, adviseerde ‘self-service’ en trok zich even terug.

We bestudeerden de flessen: whisky, gin, wodka, cognac, vermout… geen bier. Zaki schonk zich overmoedig een bodempje whisky in. De eerste slok brandde zo in zijn keel dat hij dacht het niet te zullen overleven. Hij hoestte zich kapot. Greg nam wijselijk een vermout en was tevreden met zijn keuze. Net toen ik ook wat wilde nemen, riep Fleur of er iemand naar boven kon komen. Hulpvaardig liep ik de trap op en vond haar zittend op de bedrand, poedelnaakt.

 

Buiten begon het al te schemeren. Na mij was ook Greg naar boven gesommeerd. Geen van beiden had zin om erover te praten. Enkel het tikken van de antieke klok verbrak de stilte. We zaten te wachten tot Zaki naar beneden zou komen.

Plotseling stopte een auto voor de deur. De man van het portret stapte uit de taxi en de chauffeur haalde zijn valiezen uit de autokoffer. Panische angst joeg ons de keuken in. Via de achterdeur en de tuin konden we ervandoor. Om de hoek hielden we halt, buiten adem en op slag terug nuchter. We keken elkaar in de ogen. Wat we zagen deed pijn.
“Zeg het maar”, zei Greg. “Wat wil je dat ik zeg?” vroeg ik.
“Ja, ik wil dat je het zegt.” “Wat dan?”
“Dat ik een lafaard ben,” fluisterde hij.
“Ik heb hem ook in de steek gelaten,” voegde ik kwaad eraan toe.
We zwegen en tuurden de straat af in de hoop Zaki te zien verschijnen. De straatlichten gingen al uit, maar geen Zaki te zien.
Na een tijdje zei ik: “Misschien hebben ze boven ook de taxi gehoord en is hij nog weggeraakt. Zou kunnen, toch?”
Greg knikte alsof hij me geloofde. “Ja,” zei hij, “misschien ligt hij al thuis in zijn eigen bed zijn whisky-roes uit te slapen…”
Ik knikte alsof ik hem geloofde.

We wierpen nog een laatste blik in de richting van het statige huis en vertrokken.

 

Maandag 29 september 1969

De hele week hadden we in de klas naar de lege bank van Zaki gekeken. Hij was ziek gemeld. Greg sprak al die dagen geen woord tegen me. Ik zei niets tegen hem. Beiden zaten we met ons hoofd in een bubbel van schaamte. Fleur had een avontuur met de musketiers bedacht: één voor allen, allen voor haar alléén. Maar met twee voor zichzelf, en één voor de rest, was onze derde man gewoon de dupe. Wat er die nacht met Zaki gebeurde, wat de man van het portret thuis aantrof, wat Fleur deed of zei, de onzekerheid maakte ons gek. Bellen of langsgaan durfden we ook al niet, uit angst met zijn woedende ouders geconfronteerd te worden.

Vandaag was hij eindelijk terug. Gunde ons blik noch woord. De ganse dag keken we op de rug van Zaki. Zijn stille verwijt sneed diep. Toen de laatste bel ging, stroomde iedereen naar buiten. We wilden absoluut even met hem praten, maar hij was al verdwenen.

Op dinsdag was hij weer afwezig. “Jullie klasgenoot is naar de begrafenis van een oom”, klonk het officieel. Greg en ik hadden zo onze twijfels.

Eindelijk, woensdagnamiddag na de voetbaltraining, een warme douche en een frisse pint, liet hij zich strikken. Zijn gezicht leek wel een donderwolk: wij hadden iets goed te maken.

“Jullie hebben mij verraden,” begon hij met ingehouden woede. “Jullie hadden minstens ons boven kunnen verwittigen, maar nee, als lafaards ervandoor… en mij in de shit laten.”
Greg en ik knikten instemmend en betuigden unisono onze spijt. “Pure paniek,” was Gregs povere verklaring. “We hoopten dat jij ook op tijd zou weggeraken,” zei ik. “Of dat je je in de kast zou kunnen verstoppen,” voegde Greg er grappend aan toe. Die viel goed. De spanning smolt weg.

Met gedempte stem gaf Zaki relaas. “Meneer von Mecklenburg kwam de slaapkamer binnen op het moment dat Fleur en ik... De man verstijfde in de deuropening en stormde met gebalde vuisten op ons af. Hij was woest, zijn gezicht helemaal rood, aders in zijn nek opgezwollen. Plots greep hij naar zijn borst, alsof iemand hem neerstak. Zijn ogen werden groot, zijn mond bewoog, maar er kwam geen geluid uit. Toen zakte hij door zijn knieën, zijn handen klauwden in de lucht. Zijn gezicht werd spierwit, zijn lippen blauw. Hij hijgde als een vis op het droge, zijn lichaam trok helemaal scheef. Toen klonk er een raar gorgelgeluid… en dan was het stil. Zijn hoofd zakte naar voren, zijn ogen bleven openstaren. Hij bewoog niet meer, hij was gewoon… weg.”

Greg en ik staarden onze vriend met open mond aan. Na een aanmoedigende “En dan?” ging Zaki verder.
“De stilte die volgde was ondraaglijk. Ik hield mijn adem in en dacht: Dit kan niet. Dit gebeurt niet echt. Fleur keek als een koele kikker naar haar echtgenoot en zei: “Tja, vierenzestig is wel wat jong om te sterven, maar het is nu gebeurd.” Ze stond op, trok een kamerjas aan, en liet me haar helpen om meneer uit te kleden en hem in bed te leggen. Dan pas belde ze de hulpdiensten. Toen gaf ze me een zoen en dicteerde streng: Jij hebt niets gezien, jij weet nergens van, jij gaat niet beginnen kletsen. Oké?  Ik beloofde haar te zullen zwijgen. Ik vertrok met een zware steen in mijn maag: ik voelde me schuldig aan de dood van die man. Ik ben er een hele week echt ziek van geweest. Nu weten jullie alles. Ik reken erop dat jullie dit niet verder gaan vertellen.”
“En,” vroeg ik aarzelend, “ben jij dan gisteren naar zijn begrafenis geweest?”
“Ja, ik vond dat mijn plicht. Respect tonen leek me het minste dat ik nog kon doen. De kerk zat stampvol: hij was een graag geziene mens. Een belangrijke bedrijfsleider van een multinational. Fleur heeft mooi gesproken tijdens de dienst… alleen, dat hij vredig in zijn bed gestorven was, vond ik er lichtjes over.

 

Donderdag 20 juli 2017

“Hallo Zaki? Met Nick.”
“Hoi, Nick. Iets aan de hand met je?”
“Met mij gaat het goed. Enfin, gewoon, zoals altijd. Nee, ik bel even om te horen hoe het met je gaat. En met Beatriz, natuurlijk.”
“Ach man, ik weet niet waar ik moet beginnen. De operatie in januari was prima verlopen: tumor weg, levensbedreiging weg. Maar na een half jaar worden de blijvende gevolgen pas echt zichtbaar. Los van de kans op terugkeer van zo’n glioom, heeft Beatriz taalstoornissen en een lichte motorische verlamming van de linker ledematen. Je kan je wel voorstellen dat ze van de inspanningen bijzonder uitgeput geraakt. Ook, of beter gezegd vooral, mentaal.”
“Die arme Beatriz! Man, man, wat een miserie. En hoe is dat voor jou? Kan jij er de moed inhouden?”
“Ach, haar helpen bij het douchen, aankleden en eten vind ik geen probleem. Integendeel, het is met liefde gedaan en ik voel me nuttig, begrijp je? Maar nu ze steeds vaker zegt erg naar euthanasie te verlangen, heb ik het wel moeilijk… Sorry.”
Ik hoor hoe hij zijn keel schraapt in een poging zijn emoties de baas te blijven. Met de belofte gauw nog eens op bezoek te komen in hun Groothertogdom, rond ik zo compassieus mogelijk af. Zonder gezegd te hebben waarvoor ik eigenlijk heb gebeld.

Ik leg mijn gsm opzij en neem de krant terug vast. Gebiologeerd kijk ik naar het overlijdensbericht:

Op 11 juli 2017 overleed te Wilrijk
Mevrouw R.F.T. (Fleur) Kelner
lid van de Club Zilveren Passer
weduwe van de heer Helmut von
Mecklenburg
geboren te Berchem op 15 augustus 1940.

U wordt vriendelijk uitgenodigd samen met ons afscheid te nemen van Fleur tijdens de uitvaartplechtigheid op vrijdag 28 juli 2017 te 11 uur in de Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopneming te Schilde.

Samenkomst in de kerk om 10:45 uur.

Dit meldt u haar dochter Suzanne von Mecklenburg.

 

Vrijdag 28 juli 2017

Op de aanzwellende orgelklanken van Prière à Notre Dame zoek ik mij een plaatsje achteraan in de moderne kerk. Vrij veel volk, vooral grijze en witte kapsels, zie ik. Logisch voor de vriendenkring van een overledene van bijna 77.
De priester begroet de aanwezigen, vermoed ik, want verstaan doe ik hem niet. De PA-installatie van de paters Dominicanen is duidelijk aan vernieuwing toe. Tussen gefluit en gepiep van de boxen door, krijg ik stukken en brokken van de lezingen uit Oude en Nieuwe Testament. Verkrampt en gefrustreerd ga ik tijdens de homilie meer vooraan zitten, vlakbij de lezenaar, binnen het bereik van de stem.

En dan gebeurt het. Suzanne von Mecklenburg. Het is onwerkelijk. Het spel van de genetica. Aan het woord is een prachtige, zelfzekere vrouw van middelbare leeftijd. De treffende gelijkenis met haar moeder is niet alleen indrukwekkend. Een mengeling van emoties maakt zich van mij meester. Ontzag, verwondering, en weemoed doen mijn hart overlopen. Deze eeuwige vrijgezel voelt zich langzaam wegzakken in het drijfzand…

Ik wéét dat Suzanne boeiende en prettige herinneringen ophaalt over haar moeder, maar ik hoor haar niet vertellen. Ik zie dat de mensen lachen met een paar fijnzinnige anekdotes, maar ik hoor hen niet lachen. In mijn hoofd is het één grote chaos: liefde op het eerste zicht sleept me mee in een maalstroom. Suzanne neemt je mee / Naar een bank aan het water / Je onthoudt waar ze naar kijkt / Als herinnering voor later.

Dat ik daar 63 jaar voor moet zijn, altijd op mijn gemak geweest in mijn eigen gezelschap. Nooit tijd verspilt aan gecompliceerde relaties. En dan nu… En je wilt wel met haar meegaan / Samen naar de overkant / En je moet haar wel vertrouwen / Want ze houdt al jouw gedachten in haar hand.

Suzanne is opgehouden met spreken. Ik heb haar niet gehoord, maar ik heb haar wel gezien en gevoeld. Ze neemt haar papieren op, kijkt mij even recht in de ogen en gaat naar haar plaats.

De priester spreekt de gebeden over de overledene uit en wijdt de urne met wijwater en wierook. In paradisum deducant te angeli… Moge de engel die ik hier vandaag vond, mij begeleiden naar het paradijs. Amen.

De familie en vrienden begeven zich naar de koffietafel. Ik keer terug naar huis, zo eenzaam als ik me nog nooit eerder heb gevoeld.

 

Zaterdag 29 juli 2017

Ik nip nog eens aan mijn glaasje porto en staar naar het bidprentje dat na de rouwdienst werd aangereikt. Een bezadige oude vrouw kijkt me aan met een warme blik. Met moeite vind ik die wilde losbol Fleur erin terug die ons ooit verloste van onze maagdelijkheid

Nu, in het holst van de nacht, zit ik boven een volgekribbeld schrijfblok mijn hersens te pijnigen over een briefje naar haar dochter. Hoe overtuig ik een droom van een vrouw die ik pas één keer heb gezien en nooit heb gesproken, van mijn ontvlamde liefde, ook al ben ik zestien jaar ouder en heb ik lang geleden iets gehad met haar moeder?

Vooral dat laatste punt is een struikelsteen. Hoe meer ik het probeer uit te leggen, hoe verschrikkelijker het wordt, beschamend zelfs. Misschien moet ik het gewoon weglaten; het is een niet terzake doende detail.
“Is dat zo?”, lijkt de Fleur op het kaartje me te vragen. Wel, euh… vergeleken met wat er nu in mijn hart omgaat, stelt die vrijpartij van toen niets voor. Maar, denk ik dan, het was wel de oorzaak dat een kind haar vader verloor, nog voor ze hem kon leren kennen.

Ik voel dat mijn kromme redenering geen stand houdt. De heer von Mecklenburg liet die nacht wel het leven, maar hij was niet de vader. Het inzicht overvalt me als een openbaring: de vader van Suzanne is Greg, of Zaki, of… ik!

Na enkele uurtjes onrustige slaap vind ik toch de moed om een condoleerkaartje te schrijven.

“Beste Suzanne, Ik was aanwezig bij het afscheid van je moeder, maar had toen geen kaart bij me. Bij deze wil ik mijn oprechte deelneming betuigen. Als het je past zou ik je graag binnenkort eens willen te spreken. Veel sterkte, Nick Claes.”

 

Dinsdag 1 augustus 2017

Nerveus als een tienerjongen voor zijn eerste date loop ik het Madonna Grand Café van het KMSKA museum binnen. Ik koos deze culturele setting voor mijn afspraakje met Suzanne. Als ik binnenkom, zie ik haar al van ver zitten: ze straalt. Mijn aangeboden rechterhand wordt niet geschud, maar ze gebruikt hem om zich op te trekken, zodat ze me vlot een kus op de wang kan geven. “Dag Nick. Blij je te zien.” Van een ijsbreker gesproken!

De charismatische speechster van enkele dagen geleden blijkt onder vier ogen een beminnelijke flapuit te zijn. Ik moet amper een vraag stellen of ik krijg een half leven cadeau. En het toppunt is de omkering: ik kom met een geheim, en zij heeft het al.

Ik verneem dat Fleur lang geworsteld heeft met schuldgevoelens, nooit hertrouwd is, en volgens Suzanne was ze de liefste mama denkbaar. De grappigste schooltoestanden en reisverhalen volgen elkaar in sneltempo op, tot plotseling het gesprek stilvalt en er zich een ernst openbaart.

“Toen ik zestien was, en ontroostbaar omwille van een stukgelopen eerste liefde, vond mama het tijd om mij in te lichten over mijn afkomst. Ze vertelde dat papa, Helmut dus, haar had verlaten. In een vlaag van dwaze verliefdheid was hij ingetrokken bij een piepjonge secretaresse. Toen hij na een week weer tot bezinning kwam, keerde hij terug naar huis om vergiffenis te vragen en de draad van hun huwelijk weer op te pakken. Helaas vond hij bij thuiskomst geen treurende echtgenote. Hij overleefde de verrassing niet.”

Op dat punt van haar verhaal zit ik, vrees ik, fel te blozen. Ik kijk naar de opgedroogde koffie in mijn lege tas en wacht af of Fleur het daarbij heeft gelaten, of dat ze àlles heeft opgebiecht.

“Mama vertelde hoe ze in een dronken bui het bed deelde met drie onschuldige jongens: Greg, Zaki en Nick. Ze zou die namen haar leven lang koesteren. Allerliefste jongens, zei ze, die niet wisten wat hun overkwam. Die nacht gingen ze er met de schrik vandoor, glimlachte ze, maar ze lieten mij wel het allermooiste geschenk van mijn leven. Ze heeft hen nooit meer weergezien.”

Inmiddels gloeit mijn kop alsof hij in brand staat. Na zevenenveertig jaar voelt het nog steeds gênant. Hoe is het mogelijk? Suzanne legt haar hand op mijn arm, kijkt me vriendelijk in de ogen en glimlacht.

Het probleem, had mama nog verontschuldigend toegevoegd, is dat we geen idee hebben wie van de drie de race naar de eicel gewonnen heeft. Dat moeten we toch ooit eens proberen uit te vissen. Helaas is zij dat niet meer te weten gekomen.
Nog een koffietje om te bekomen, Nick?”

 

Vrijdag 23 maart 2018

Een heerlijke lentedag, warmer dan normaal voor de tijd van het jaar. Ideaal voor een bruiloft. Terwijl ik voor de spiegel sta en het rokkostuum met white tie aantrek dat Suzanne voor me uitgekozen heeft, passeert inwendig de film van de voorbije maanden.

Onze relatie is op korte tijd uitgegroeid tot iets heel bijzonders. Suzanne moet vrij snel geraden hebben dat ik zekerheid wou, maar ze sneed me de pas af: “We laten de DNA-test ongedaan, Nick. Het doet er niet toe wie van de drie mijn vader is. Zolang er geen medische noodsituatie opheldering vergt, ben ik blij met drie vaders. We houden het spannend. We laten het gewoon open, oké?”

Ik kon het haar niet weigeren, hoewel ikzelf razend benieuwd ben. Maar vader of niet, we zijn inmiddels sterk naar elkaar toegegroeid en zien elkaar wekelijks. Ik beken dat ik daarvan geniet met volle teugen. En sta versteld van mezelf. Ik ben steeds een man met weinig contacten geweest, omdat ik kwaliteit belangrijker acht dan kwantiteit. Mijn zelfvertrouwen komt van binnenuit, niet van de goedkeuring van anderen. Ik ben selectief met mijn energie.

Maar tegenwoordig staat mijn vredige leven op zijn kop: ik omarm nu woelig gezelschap, drama en roddels inbegrepen. Een mens is nooit te oud om het roer om te gooien. En, zegt men niet: De liefde is de ware meester die alles aanleert.

Suzanne en ik stappen arm in arm de trouwzaal binnen op de tonen van Mendelssohns bruidsmars. Links en rechts niets dan glimmende, vrolijke gezichten. Vooraan staat een breedlachende Gisou ons op te wachten. Haar witte bruidsjurk geeft een elegant contrast met haar olijfkleurige huid en haar weelderige, zwarte haardos. De toekomstige van Suzanne is een schoonheid uit Frans-Polynesië. Uit het wit van haar donkere ogen straalt het licht van Papeete en ze geurt naar monoi-olie en tiare-bloemen. In haar bewegingen zit de vloeiende gratie van de oceaangolven.

“Suzanne von Mecklenburg, verklaart u dat u Gisou Tihoni tot uw wettige echtgenote aanneemt, en belooft u de plichten te vervullen die de wet aan het huwelijk verbindt?” “Ja!”
“Gisou Tihoni, verklaart u dat u Suzanne von Mecklenburg tot uw wettige echtgenote aanneemt, en belooft u de plichten te vervullen die de wet aan het huwelijk verbindt?” “Ja, ik beloof.
“Dan verklaar ik u nu in de echt verbonden. Proficiat, dames.”

Bij de kus die daarop volgt, ben ik bijzonder ontroerd. Die twee vormen een uniek koppel. Ze leerden elkaar kennen op een conferentie over mensenrechten: twee advocates – een Nederlandstalige en een Franstalige - die samen strijd leveren voor een rechtvaardiger wereld. Ik wens hen met heel mijn hart geluk en succes toe.

 

Maandag 7 mei 2018

Beste vriend Zaki,
Wat een schitterend nieuws. Ik ben zo blij voor jullie dat de toekomst er wat rooskleuriger uit mag zien. Natuurlijk is het nog een hele weg om te revalideren, maar ik ben zeker dat Beatriz op korte termijn dit donkere hoofdstuk kan afsluiten.

Iets heel anders nu: ik heb ook groot nieuws. Het DNA-onderzoek wijst uit dat ik en Suzanne, zonder twijfel, vader en dochter zijn. De gepaste woorden ontbreken me om je te zeggen hoe ik me voel. Ik ben fier haar vader te zijn, en tegelijkertijd vind ik het ook jammer dat dit feit de Drie Musketiers verdeelt. Hopelijk ben jij ook een klein beetje blij voor mij?

Nu, hou je vast, Zaki, want het is nog niet alles. Ik moet je nog vertellen waarom die DNA-test er uiteindelijk kwam. Suzanne en haar vrouw Gisou willen een kind. Gisou, ruim tien jaar jonger, wordt de draagmoeder. Het koppel laat niets aan het toeval over en beiden lieten ze zich uitgebreid medisch testen. Toen liet Susanne plots haar oude bezwaar vallen en vroeg mij ook een genetische screening te doen. Het resultaat ken je inmiddels. Weet je dat ik even dacht dat ze ondergetekende gingen vragen als spermadonor? Naïever kan een oude vrijgezel niet zijn! Ze gierden het uit toen ik hen al bedankte voor het vertrouwen. Goed, het zal dan maar met het zaad van een Nobelprijswinnaar zijn, vermoed ik. Ik hou je zeker op de hoogte.

Knuffels voor jullie beiden, Nick.

 

Dinsdag 30 april 2019

Het zijn acht passen van de deur tot aan het raam. Daar draai ik op mijn hiel, en zet acht passen terug. Het ritme heeft me in zijn greep sedert vijf uur deze morgen.
Midden in de nacht kreeg ik telefoon van Suzanne: “Gisous water is gebroken! De weeën komen al heel snel: kan jij ons naar het ziekenhuis brengen, papa!?” Als een Formule1-piloot ben ik met die twee, nee: drie, naar hier gevlogen, bang als ik was dat de baby zich al zou presenteren in de auto. Hier in de wachtzaal van de materniteit, waar vroeger bange vaders-in-spe liepen te ijsberen, is het nu de beurt aan deze grootvader-in-spe. Elke dokter, zuster of broeder die ik zie, klamp ik aan. Ze geven me dan lachend een schouderklopje en spreken geruststellende clichés uit, waar ik niet om vraag.

Terug alleen, spits ik mijn oren, maar het zijn steeds de verkeerde geluiden die ik registreer: een schaar die valt, een deur die dichtklapt. De uren kruipen voorbij. Ik dwing mezelf te gaan zitten, maar twee minuten later piepen mijn schoenzolen weer op het linoleum. Zolang ik ijsbeer, wacht ik niet, maar doe ik tenminste iets. Mijn mond is kurkdroog, ik heb dorst, maar ik ga niet op zoek naar een automaat. Ik durf hier niet weg.   

Rond zes uur vliegt de deur open. Een jonge verpleegster staat in de opening. Ze heeft een uitdrukking op haar gezicht, van ‘ik ga barsten als ik het niet mag zeggen’. Met haar vrolijke stem spreekt ze hem aan alsof ze hem al jaren kent: “Opa, alles ging prima, hoor. Het is een meisje.”

De zwaartekracht houdt op te bestaan. Het touw dat de afgelopen uren mijn borstkas ingesnoerd hield, breekt. Ik sta te trillen op mijn benen van opluchting. “Komt u maar mee. Er zijn drie dames die u verwachten.” Ze zet me af bij de deur van hun kamer. Mijn hand omklemt de kruk. Ik adem diep. Een keer. Twee keer. Dan duw ik de deur stilletjes open.

Gisou ligt in bed, bleek en totaal uitgeput van de immense inspanning. Naast het bed staat Suzanne te glunderen met in haar armen een piepklein bundeltje. Terwijl ik dichterbij kom, zegt ze: “Papa, dit is jouw kleindochter. Dit is Nicky.” Ze legt het mensenkind in mijn armen, vergewist zich ervan dat ik haar stevig vasthoud, en veegt met haar hand de tranen van mijn gezicht, voordat die op de baby kunnen vallen. Wat een emotionele rollercoaster. Ik ben de koning te rijk!

 

Woensdag 1 mei 2019

De gsm zoemt onverbiddelijk tot ik hem op de tast van het nachtkastje graai. Het is Suzanne. Om kwart na middernacht. Ik ben ogenblikkelijk klaarwakker. “Hallo, Suzanne?…”
Een hartverscheurend huilen, als een dierlijke kreet die door merg en been gaat. “Rustig maar, liefje… ik luister.” Snikkend en jammerend komt het er uit:”Gisou!... Gisou is… dood!”
Die woorden snijden door mijn ziel. Ik tracht Suzanne te kalmeren: “Luister, liefje, je hoeft het nu niet uit te leggen. Ik kom onmiddellijk naar jullie toe. Ik ben er zo.”

Wanneer ik toekom zit Suzanne op een bank in de gang te praten met een dokter. Zodra ze me ziet, onderbreekt ze het gesprek en valt ze snikkend in mijn armen. Zwijgend leg ik mijn troostende armen om haar heen. De dokter wacht geduldig tot we ons herpakken en willen luisteren naar zijn verslag.

“Mevrouw, meneer, ik wil u uitleggen wat er is misgegaan. Als u dat wilt horen.” We knikken samen.
“De baarmoeder is een wonderlijke spier. Gedurende negen maanden rekt die uit en wordt de wand dun. Na de geboorte moet de baarmoeder zich stevig samentrekken.” Hij maakt een vuist om het aanschouwelijk te maken. “Dat samentrekken zorgt ervoor dat de bloedvaten die openstonden waar de placenta vastzat, worden dichtgedrukt. Bij uw vrouw gebeurde dat niet. Alsof haar baarmoeder te moe was, bleef die slap, waardoor het bloed kon blijven stromen. Dat noemt men atonie. Ze verloor in korte tijd heel veel bloed.” Hij pauzeert even om het ons te laten verwerken.
“Wij hebben alles gegeven wat mogelijk was: medicijnen om de baarmoeder te laten samentrekken, massage,… maar de spier wilde niet. We zijn overgegaan op een operatie. We hebben de baarmoeder weggehaald, in de hoop daarmee de bloeding te doen stoppen. Maar het werd haar teveel. Haar lichaam raakte in shock.”
Ik houd de schokkende schouders van mijn dochter stevig vast.
“Dit is niemands schuld,” benadrukt de arts, “dit is een erg zeldzame complicatie. Onvoorspelbaar. Het verloopt razendsnel en hevig. Het spijt me zeer dat we haar niet konden redden. ”
En hij rondt af: “U hoeft nu niets te zeggen, maar als u nog vragen heeft… ik blijf in de buurt.”

 

Het licht in de ziekenhuiskamer is gedimd. Nicky slaapt rustig in het kleine bedje; haar mama lijkt rustig te slapen in het grote bed. Fluisterend vraagt de verpleegkundige: “Wilt u dat ik de baby op haar arm leg? Of liever niet?” Suzanne knikt van wel. De vrouw vouwt Gisous arm om een opgerold dekentje heen en legt daar voorzichtig Nicky in. Suzanne zet zich naast het bed en legt haar hoofd tegen het hoofd van haar geliefde Gisou. Wat een prachtig gezinnetje.
Tegen mijn gevoel voor indiscretie in, neem ik met mijn mobieltje ongemerkt een foto. Als mens die geleerd heeft wat telt in het leven, ben ik overtuigd dat dit intieme plaatje nog lang gekoesterd zal worden.

 

Woensdag 15 mei 2019

In een afgehuurde serre in de plantentuin in Meise stromen de vrienden en collega’s van Suzanne en Gisou toe. Niet in sombere, zwarte rouwkleding, maar zoals op de uitnodiging gepreciseerd, in kleurrijke, Tahitiaanse tinten. De kast zit afgeladen vol. Er hangt waarlijk de sfeer van de Zuidelijke Stille Oceaan.
De voorbij dagen hebben de mama en de zus van Gisou talrijke kransen gevlochten, waardoor de lucht bezwangerd is met de geur van Tiare. Suzanne leidt het gebeuren volgens haar planning, terwijl ze rondstapt met de kleine Nicky in een draagdoek tegen haar borst.

De kist is geweven van riet, bedekt met witte Tapa. Daarop ligt een piepklein kransje. Van Nicky.

Tipou, de zus van Gisou, begint met een typisch Polynesisch Hïmene, en haar mama valt in. Hun stemmen vullen de ruimte als de golven van de oceaan. Vervolgens legt Tipou haar hand op de kist en voert een kort gesprek met de overledene. Met een mengeling van ontroering en verbazing volg ik aandachtig het hele gebeuren.

Een collega-advocaat spreekt namens hun organisatie. “Wij verliezen vandaag een zeldzaam mens. De bevlogenheid van Gisou Tihoni was geen theorie. Zij eerde een mensenrecht als een liefdesbrief, voelde een schending als een messteek. Haar hartstocht was stille woede: waar anderen clausules zagen, zag zij mensen in nood. Meester Tihoni was geen jurist die toekeek. Ze was een strijder van het recht. De rechtszaal zal haar stem missen, maar wij zullen voortgaan op haar elan. Bedankt, Gisou. Rust zacht.”

Dan, volgens gepast ceremonieel, begraaft Suzanne in de pot van een broodboom de placenta, de genetische band tussen moeder en kind, nu netjes verpakt in een geweven mandje. “Tahiti wacht op jou,“ zegt ze tegen Nicky, “en mama Gisou waakt.” Als de kist wordt gesloten, vouwt Suzanne met de anderen de Tapa eroverheen. Niemand spreekt meer.

 

Vrijdag 17 mei 2019

Het is zó onwerkelijk dat ik hier nu op het zwarte lavastrand van Point Venus sta. Gisteren nog in Holland, vandaag in Tahiti. Samen met Suzanne en Nicky zijn we meegekomen met Tipou en mama Tihoni om de as van Gisou uit te strooien.

Terwijl de golven wit uitslaan op het basalt, vertelt Tipou hoe zij en haar zusje als meisjes hier vaak speelden. De mama begint te neuriën. Suzanne opent het mandje en stopt mij het deksel in de hand. Dan loopt ze tot haar enkels in de warme golven. Ze knielt met haar rok in het water. Voorzichtig schept ze met haar hand een beetje as en laat het door haar vingers glippen. De zee neemt het meteen mee in een grijze waas die direct oplost, alsof ze nooit bestond? Ze herhaalt die handeling vele malen tot ze het laatste restje uit het mandje schudt.

Nicky begint te huilen. Suzanne neemt haar uit de draagzak en houdt haar met de voetjes in het water. Nicky wordt meteen stil, een en al aandacht. “Jouw mama is hier,” zegt Suzanne. “Overal. En elke golf brengt haar telkens weer terug.”

Ik zie de zon achter de bergen zakken. De lucht kleurt langzaam oranje en paars, zoals Gisou altijd zei dat het hier deed. Ik adem diep de zilte lucht in en voel hoe het water van Gisou aan mijn blote tenen kriebelt.

 

EINDE

Rene Jochems, Kontich 20 mei 2026.