Dialoog op acht hoog
Morgen 1 mei: winkels gesloten. De muizen liggen dood in de ijskast. Tabita haast zich om voor sluitingstijd nog wat eten in huis te halen. Ze trekt de deur van haar studio dicht en duwt op het knopje van de lift.
De deuren schuiven open. Ze aarzelt om in te stappen vanwege een kerel met een capuchon diep over zijn hoofd getrokken. Bij het zien van de kartonnen doos met leeggoed aan zijn voeten vermoedt ze dat het allicht een inwonende student betreft, en vermant ze zich. “Goedenavond,” zegt ze, maar een reactie komt er niet.
De deuren sluiten; krakend en schuddend zet de oude kooi haar weg voort naar de begane grond. Tabita is er niet gerust in en taxeert haar medereiziger. De stof werpt een schaduw over zijn gezicht, maar zijn ogen lichten toch even op wanneer hij haar beziet met een korte, harde blik. Het verraadt iets afkeurends, een irritatie, alsof haar aanwezigheid hem tegenstaat. Zijn houding geeft hem iets dreigends, alsof hij elk moment wat kan zeggen of doen dat de stilte breekt.
Met een gewelddadige schok komt de lift plotseling tot stilstand. Tabita snakt naar adem, een korte, ingehaalde teug lucht die haar angst verraadt zonder dat er een kreet volgt. Hij vloekt binnensmonds.
Volgens het paneel hangen ze ongeveer op hoogte van de achtste verdieping. Door het raampje van de deur ziet Tabita enkel afgeschilferde bakstenen. Wellicht dus eerder tussen acht en zeven.
Zij drukt snel een paar keer achtereen op het knopje voor het gelijkvloers, waarop hij zich verwaardigt om grinnikend op te merken: “Ja, dat zal veel helpen.”
Vervolgens houdt ze de noodknop vijf seconden lang ingedrukt. Ze spitst haar oren, hoopt ergens in de verte een belletje te horen. Niets. Haar lotgenoot ontneemt haar alle hoop: “Doe geen moeite. Dat heeft geen zin.”
Tabita telt inwendig tot tien, zoals ze steeds doet wanneer ze op het punt staat haar cool te verliezen. Met een rustige, gedempte stem vraagt ze: “Een beter idee?”
“Ja: wachten. En bidden dat de stroompanne gauw hersteld wordt.” En meneer laat zich met zijn rug tegen de wand zakken tot hij op de vloer zit.
Als laatste redmiddel graait ze in haar tas naar haar mobieltje. Het is godgeklaagd, maar in deze kooi geraakt geen signaal binnen of buiten. Met sadistisch plezier wakkert hij haar paniek verder aan: “Dit is geen toeval, hoor. Geen verouderde transformator, of zo. Dit is de openingszet van AI-agents die de mensheid willen uitschakelen. Zonder stroom zitten we als ratten in de val. En terwijl iedereen zit te knoeien met zaklampen en kaarsen, bereiden ze in een lab een dodelijk virus voor dat ze straks zullen verspreiden.”
Na het aanhoren van al die onzin en het doorslikken van gepast commentaar, volgt ze zijn voorbeeld en gaat ze ook zitten. Ze let er wel op om niet tegenover hem plaats te nemen; dat zou al te confronterend kunnen overkomen…
“Ik ben Tabita. Tabita Matondo.”
“Geweldig. Zit ik hier nog vast met iemand die hier niet eens hoort.”
“Sorry?”
“Ik zeg niks. Ik zeg gewoon: het is hier al krap genoeg in ons land.”
“Ik ben een Congolese studente. Ik kom hier Nederlands studeren. Nog een jaar en twee maanden en dan ben ik weer weg, hoor.”
“Dat zal wel. Dat zeggen jullie allemaal. Gratis studiebeurs, gratis kot, noem maar op! Ontwikkelingshulp noemen ze dat. Het is maar tijdelijk. Yeah, right. Maar zie je ze weer vertrekken? No way! Het is hier in Luilekkerland veel te plezant. Ontken maar niet.”
“Wat een vooroordelen, zeg. Ik ben hier inderdaad met een studiebeurs, maar wel een Congolese, hoor. Dus niet betaald door de Belgische belastingbetalers En ik ben hier niet uit liefdadigheid: zo’n beurs is een investering in talent dat later mijn land ten goede komt. Het probleem zit niet in mijn aanwezigheid, maar in jouw visie.”
Onder de capuchon blijft het een hele tijd stil. Tabita ziet in die stilte de bevestiging van haar uitsmijter. Voorbarig, zo blijkt.
“Het enige wat de Afrikaanse landen ten goede komt, zijn de investeringen van onze westerse bedrijven. En hadden wij honderd jaar geleden jullie de beschaving niet gebracht, dan liep jij nu hongerig met een speer achter een antilope of een giraf aan.”
“Wow, ik hoop dat jij geen Geschiedenis studeert. Anders wordt dat nog knokken om te kunnen slagen. En euh,… van beschaving gesproken, kan jij je ook eerst even voorstellen misschien?”
“Dick Dixon”.
“Mmm, dat klinkt ook niet bepaald Vlaams. Laat me raden: jij bent net als ik een buitenlandse student, ik gok uit Schotland. En anders uit een land met een Angelsaksische taaltraditie. Heb ik het goed, Dick?”
“Helemaal fout! Dick Dixon is mijn artiestennaam. Mijn wettelijke naam is Vic De Vadder en ik ben echt wel een rasechte Vlaming!”
“Ach zo, jij bent geen student, maar een artiest. Nu wordt het echt interessant. En in welk domein ben je actief? Ben je muzikant, of acteur, auteur, plastisch kunstenaar? Toe, ik ben oprecht nieuwsgierig!”
Weer valt er een lange pauze. Er moet diep worden nagedacht. Dan komt het verlossende antwoord. “Influencer. Ik ben influencer.”
Tabita’s mond valt open. In de schaduw van zijn kap zoekt ze oogcontact. “Bedoel je zo iemand die op sociale media een groep trouwe volgers allerlei producten aansmeert? Dat noem jij een artistieke bezigheid?” Ze doet haar uiterste best om niet te lachen. Het laatste dat ze wil, is hier opgesloten zitten met een kerel met lange tenen en een kort lontje, en die zich zwaar beledigd zou voelen.
“In Afrika weten jullie natuurlijk niet wat een influencer is,” reageert hij bits. “Daar houdt men zich online enkel bezig met fishing en hacking, dat merken we dagelijks! Een influencer is een soort ambassadeur van een of meer bedrijven. Een influencer laat zijn publiek kennismaken met de nieuwste trends op het vlak van mode, lifestyle, fitness, reizen, gaming of politiek. Het vraagt heel wat creativiteit om je volgers dag in dag uit te blijven boeien… en te doen kopen, toch als je aan de kost wil komen. Het is een respectabele carrière.”
“Bedankt voor de toelichting, Dick of Vic. Hoe wil je nu eigenlijk aangesproken worden?”
“Zeg maar Vic. Dick is mijn digitale alter ego.”
“OK, Vic dus.” Tabita stuurt een vriendelijke glimlach richting capuchon. “En, Vic, verdient Dick daar een dikke cent mee?”
“Dat gaat je niks aan”, bijt hij terug.
“Sorry, dat was geen aanval, gewoon vrouwelijke nieuwsgierigheid.”
“Oké dan. Ik ben nog maar pas bezig: veel inkomen genereert het nog niet. Ik ben volop op zoek naar bedrijven die mij willen engageren. Zo gauw ik er een paar heb die toehappen, kan ik een video maken van hun product of dienst, en afhankelijk van het aantal volgers dat ik heb, betaalt de firma daar dan tweehonderd euro of zo voor. Collega’s met een miljoen volgers krijgen uiteraard heel wat meer voor zo’n reel. Tot wel tienduizend euro! Daarenboven kan ik als influencer rekenen op een commissie op de verkoop van hun spullen via mijn kanaal. Dat gaat van vijf tot dertig procent.”
“Mmm, klinkt indrukwekkend. En voor hoeveel bedrijven werk je nu?”
“Ik zei toch al dat ik nog op zoek ben! Ik heb al één vaste klant, een politieke partij, waarvoor ik deze week twee reels van negentig seconden maakte. Het wordt in ieder geval een veel lucratievere toekomst dan leerkracht te spelen voor een hongerloon. Daarom ben ik ook gestopt met mijn studie.”
“Dat is wel een 180°-ommekeer. In plaats van kinderen te ontwikkelen tot bewuste volwassenen, kneed jij nu tieners tot naïeve kopers. Maar zeg eens eerlijk: heb jij echt van je politieke vriendjes deze week tweemaal tweehonderd euro ontvangen?”
“Jij bent een vervelende bitch, weet je dat? Nee, geen twee keer tweehonderd. Vijftig euro voor de twee reels. Het was nog maar een proef. Ben je nu tevreden?”
“Ach, zolang jij geen gewetensprobleem hebt met wat je verkondigt, lijkt dit een prima carrièrekeuze. Maar, iets anders, volgens mijn studentenhuurcontract zou ik in jouw situatie hier niet mogen blijven wonen. Jij wel?”
“Bemoeial! Dat zijn toch zeker mijn zaken. Eerst moet mijn business op volle toeren draaien. Dan zal ik met véél plezier verhuizen naar een betere woonst.”
Tabita pijnigt haar hersenen om een oplossing te bedenken voor deze vervelende gevangenschap. Dat ondertussen de winkels gesloten zijn, is wel het minste van haar zorgen. Veel dringender is die bijna ondraaglijke druk: de niet te negeren kloppende spanning die ze voelt in haar blaas die op springen staat. Was ze toch maar naar het toilet geweest voor ze vertrok… dan had ze nu wellicht niet in deze stomme kooi vastgezeten! Bij gebrek aan enig alternatief vraagt ze Vic: “Zit er in die doos behalve bierflesjes toevallig ook een bokaal?”
“Waarom vraag je dat?”
“Omdat ik die dan graag van je wil lenen.”
“Waarom?”
Tabita verliest haar geduld en antwoordt heftiger dan bedoeld: “Aisee, hebu! Omdat het voor vrouwen, in tegenstelling tot mannen, veel moeilijker is om in een flesje te plassen! Heb je nu een bokaal, ja of nee?”
Een verschrikt gezicht komt uit de kap tevoorschijn en vraagt ongelovig: “Ga jij hier in de lift plassen? Waar ik bijzit?”
“Ja, man. Ik kan het ook gewoon op de vloer doen, als je wil, maar dan ga jij wel een natte broek krijgen. Heb je dat liever?”
Zonder verder commentaar rommelt hij zenuwachtig in zijn doos en vindt er een lege bokaal van HAK-appelmoes.
“Bedankt”, zegt Tabita kortaf en keert hem haar rug toe. Vic steekt zijn vingers in zijn oren, knijpt zijn ogen dicht en wacht af met opgetrokken neus, terwijl zij ten volle geniet van de verlossing en de wegvallende spanning. De opluchting is groot en Tabita wordt weer rustig.
Terwijl langzaam de minuten voorbijschuiven, knippert af en toe de schemerige noodverlichting. De batterij, die vermoedelijk de leeftijd van de oude lift evenaart, dooft uit, langzaam maar zeker en definitief. In de kooi is het nu pikdonker. De gestrande reizigers zijn nu plotsklaps allebei even zwart…
“In het uur van de wolf slaat het noodlot toe. Hoe-oe-oe!”
Het is Tabita niet duidelijk of Vic nu grappig probeert te zijn of gemeen, in een poging om haar de stuipen op het lijf te jagen. Voor dat laatste is hij tegenover haar echter een maatje te klein.
“Neen,” zegt ze fijntjes, “het uur van de wolf is eerder later, meer tegen zonsopgang. Het is nu rond drieën: volgens Shakespeare the very witching time of the night, het uur van de spoken, de tijd waarin het kwaad de overhand neemt….”
“Zeg, jij gaat hier toch geen voodoo-streken uithalen, zeker?”
Tabita glimlacht in de duisternis. Ze heeft het gevoel dat de macho-influencer in het donker eerder een bang jongetje is.
“Ach, dat is weer zo’n misverstand in het Westen. Wat jij voodoo noemt, ken je ongetwijfeld van de Hollywoodfilms, die op hun beurt de mosterd gingen halen in Haïti. Daar werd het door de slavenhandel ingevoerd vanuit West-Afrika, vanuit Dahomey om precies te zijn. Wij in Centraal-Afrika hebben daar niets mee te maken. Maar vergis je niet: wij hebben “nkisi nkondi”, waarmee we magische objecten kunnen opladen om iemand bescherming te bieden of om die te vervloeken.”
“Pff,” doet Vic struis, “dat is allemaal naïef bijgeloof. Daar doen wij hier niet aan mee, hoor.”
“Raar dat je dat zegt, beste Vic. Vertel me dan eens waarom dit gebouw van negentien verdiepingen geen dertiende heeft. Mij lijkt het Westers bijgeloof tegemoet te komen aan de irrationele angst van de lokale bevolking. Ach, ieder huisje heeft zijn kruisje, zullen we maar zeggen.”
In die hoek van de lift valt weer een lange denkpauze. Het resultaat dat uiteindelijk boven water komt, klinkt maar povertjes: “Hoe dan ook, Afrika is een ramp van een continent. En altijd al geweest: mijn ouders vertellen af en toe over hun jeugd, over Live Aid en Band Aid en vele andere muzikale solidariteitsacties tegen de honger in Afrika. Vandaag, vijftig jaar later, is er nog altijd hongersnood, is er nog altijd AIDS, en vechten nog altijd overal rebellenlegers tegen corrupte presidenten. Als de blanken het niet oplossen, gaat dat zo nog eeuwen voortduren.”
“Wow, het is net of ik de Britse schrijver Kipling aan het woord hoor: volgens hem is de Afrikaan ‘half duivel, half mens’. Veel paternalistischer hoeft het niet te worden. Zijn fameuze Jungle Book, dat jij zeker hebt gelezen of minstens in Disney’s verfilming hebt gezien, is typisch voor het koloniale binaire denken. De wilde, donkere Afrikaanse dieren moeten het afleggen tegen de slimme, Engelssprekende Mowgli. En de mooie ode aan de natuur is een vlag die de politieke lading netjes verbergt.”
Uit de duisternis kwam onmiddellijk protest: “Ik haal mijn kennis niet uit een kinderboek of een film. Ik zie dagelijks de vreselijkste nieuwsberichten uit het buitenland én binnenland, want ook hier in Brussel kennen we Afrikaanse probleemgebieden.”
“Weet je Vic, ik heb het geluk gehad in Congo terecht te komen bij een gezin met verstandige ouders en een huis vol boeken. Ik leerde lezen op mijn vier en schreef mijn eerste verhaaltjes op mijn zeven. Schrik niet, maar ik schreef over witte, blonde mensen met blauwe ogen, hoewel ik die nog nooit in levende lijve had ontmoet. Ik kende die mensen van de Franse kinderboekjes die ik las, vandaar. Ik kon me ook helemaal niet voorstellen dat de zwarte mensen die me omringden, dezelfde avonturen zouden kunnen beleven als mijn blanke personages. Dat, mijn beste Vic, is het gevaar van een enkelvoudig verhaal. Daar werd ik gelukkig van bevrijd, toen ik later de rijke Afrikaanse literatuur ontdekte.
Het zielige verhaal van Afrika dat wereldwijd de ronde doet, zou heel anders klinken mocht het niet aanvangen bij de kolonisatie door de Europeanen, maar bij de vele hoogontwikkelde Afrikaanse koninkrijken. Ashanti, Ife, Luba, Songhai, Swahili, Kongo, Mutapa, Wagadou, enzovoort. Te veel om op te noemen. Wie de Afrikaan leert kennen als een niet-blanke mens, die houdt dat beeld vast in zijn hoofd. Voor altijd. Het woord ‘nkali’ in de Igbo-taal betekent ‘groter zijn dan een ander’: het slaat op politiek en economie, het gaat over macht en machtsstructuren. Het enkelvoudige verhaal berooft ons Afrikanen van onze waardigheid en het bemoeilijkt de erkenning van onze gelijkwaardigheid.”
De stilte in de donkere liftkooi ruist in Vics oren. Zijn combatieve, superieure opstelling is zopas verpulverd door het waarachtige exposé van Tabita. Om hem enigszins te reanimeren en te motiveren, zegt ze: “Wat ik eigenlijk wil zeggen, Vic, is dat wij allen verantwoordelijk zijn voor de verhalen die we vertellen. Om het even of we als leraar voor een klas staan, of als influencer voor de camera, we moeten de verhalenbalans eerbiedigen. Beperk je niet tot het alleen lezen van boeken van westerse auteurs. Weet je dat er in Afrika per dag honderd nieuwe boeken verschijnen? Honderd per dag! Kijk ook eens verder dan de meeslepende beats van de Afrikaanse muziek: de teksten zijn soms poëtisch, soms rauw; ze vertellen over liefde, over verzet, maatschappijkritiek en hoop. Niets is plus of min, niets is zwart of wit, elke munt heeft twee kanten. Als jij volgende keer jouw volgers confronteert met de overlast die asielzoekers in jullie steden veroorzaken, wees dan eerlijk en belicht ook waarvoor die vluchtelingen hun hele hebben en houden achterlieten. Niemand doet dat voor de lol, geloof me. Eenzijdige verhalen beroven deze groepen van hun menselijkheid. Jij kan daar andere, even oprechte verhalen tegenover stellen, zodat die hen terug tot mens maken en hen opnieuw kracht geven om door te gaan.”
Had ze nu echt gedacht dat Vic dankbaar zou reageren voor de wijze levensles? Dat hij zijn hand op zijn hart zou leggen en beloven dat hij voortaan zijn volgers zou aanmanen om de daklozen aan het Noord-Station te waarderen als medemensen, hen te helpen, aan eten, aan een onderdak…
In plaats van een mea culpa klinkt in het donker een zacht gesnurk. "Het waren dus parels voor de zwijnen", denkt Tabita, "tenzij mijn woorden zijn onderbewustzijn stiekem zijn binnengedrongen. Keep on dreaming, girl."
Ze moet zelf ook even zijn ingedommeld. Terug wakker merkt ze dat de duisternis een beetje minder hermetisch is. Een flauw vermoeden van het ochtendlicht komt uit de liftkoker en wordt weerkaatst op de bakstenen voor het raampje. Met wat moeite kan ze in de kooi haar slapende medegevangene onderscheiden. Tabita bedenkt dat hij met zijn schriel postuur mogelijk minder goed bestand is tegen het verminderde zuurstofgehalte en de toename van CO₂. Zulke oude liften zijn vaak te goed afgesloten door rubberen afdichtingen en laten daardoor minder kieren ter verversing van de lucht.
Bij zichzelf merkt ze geen benauwd gevoel, maar wel een lichte hoofdpijn. En ze stikt van de dorst. Uitdroging, weet ze, is een reëel gevaar en wie weet hoelang ze hier door die feestdag nog opgesloten zitten. O, ze zou een fortuin geven voor een flesje sprankelend water. Haar idee om het leeggoed van Vic te checken op een achtergebleven druppel bier, laat ze gauw weer varen uit vrees hem wakker te maken.
In de schemering ziet ze naast de deur de bokaal staan met haar urine. Ooit heeft ze ergens gelezen hoe mensen in nood zich in leven hielden door het drinken van urine (***). Toen had ze dat een walgelijk idee gevonden…
Tabita vecht tegen de hardnekkige gedachte: ‘urine is vies, doe het niet’. Ze tracht haar brein te overtuigen dat dit een levensreddende noodmaatregel is. Uit de biologieles meent ze zich te herinneren dat urine samengesteld is uit vijfennegentig procent water, plus een klein beetje lichaamseigen afval. Trouwens, als astronauten het wel doen, dan moet zij het toch ook kunnen? Mentaal gesterkt neemt ze een besluit: ze pakt de bokaal en brengt hem voor haar gezicht. De scherpe, ammoniakachtige geur doet haar kokhalzen. Er zijn ergere dingen in het leven, denkt ze, en ze zet haar lippen aan de rand. Ze neemt een minimale slok om even te wennen. Het valt wel mee. De walging verzwakt. Aangenaam is het niet, maar het besef dat ze door deze recyclage orgaanfalen kan voorkomen, doet haar nog drie extra slokken drinken. De bokaal, nog halfvol, zet ze voorzichtig naast zich neer. Ondertussen voelt ook zij zich bijzonder slaperig. Tabita sluit haar ogen en laat haar hoofd rusten tegen de wand. Ze zakt weg in een oppervlakkige slaap, in een soort gedoofd bewustzijn…
Vics ogen vliegen open, verwijd, met een panische blik die in het duister niets ziet. Het braken komt als een reflex, zonder waarschuwing. In een krampachtige golf gutst de bittere gal uit zijn lijf op zijn kleren en de vloer. Het ergste is niet de smaak, maar de zure stank die onmiddellijk de ruimte vult. “Sorry,” stamelt hij, “sorry”. Zijn hart klopt als een gek. Hij is kortademig. De paniek neemt de overhand. Met moeite staat hij op, houdt zich recht aan de wand en zoekt de deur: hij heeft lucht nodig. Hij struikelt over Tabita’s benen, valt, vloekt en krabbelt weer recht. Daarbij stoot hij de bokaal om. Haar jeans slorpt gretig het vocht op. Ze merkt het niet eens, ze is te ver weg.
Zijn bovenmenselijke inspanning om de deur minstens op een kier te openen heeft geen effect. Hij kan niet meer helder denken, weet niet meer wat te doen. Tranen lopen over zijn gezicht bij de gedachte te zullen sterven in die klote-lift. Met zijn laatste krachten bonkt hij op de deur tot hij uitgeput en snikkend neervalt. Stilaan valt hij in een grijze bewusteloosheid en hoort niet hoe zijn geklop eindelijk wordt beantwoord. Hulp is onderweg.
Geen van de twee ongelukkigen voelt de schokjes wanneer de technicus met het uitschakelen van de automatische rem de liftkooi geleidelijk tot op de hoogte van de zevende verdieping laat zakken.
De liftdeur schuift langzaam open. De doordringende stank, een mix van urine, braaksel en zweet, slaat de technicus in het gezicht. Hij doet een stap achteruit, zet een mondkapje op en doet handschoenen aan. De aanblik van de twee bewusteloze mensen spoort hem aan snel te handelen. Een voor een neemt hij ze vast onder de oksels en sleept hen naar buiten. Tabita opent haar ogen, ziet het licht, voelt de frisse lucht, glimlacht even en glijdt dan weer weg in niemandsland.
Intussen komen de ambulancebroeders, buiten adem, op de zevende verdieping aan. De eerste buigt zich over Tabita: “Mevrouw, kunt u mij horen?” waarop zij, met de ogen gesloten, glimlacht en knikt van ja. De tweede verpleegkundige ontfermt zich over Vic. Hij controleert of er nog braaksel in zijn keel zit en of er verwondingen zijn. Beide patiënten krijgen een zuurstofmasker op om de CO₂-concentratie in hun bloed zo gauw mogelijk te verlagen.
Door hun leeftijd recupereren Tabita en Vic redelijk snel. Hierdoor kan de rit richting ziekenhuis gebeuren zonder zwaailicht. Op de afdeling Spoedeisende hulp krijgen ze in aparte cubicles een infuus tegen de uitdroging. Ze worden gewassen en krijgen een schoon ziekenhuishemdje aan. Het duurt niet lang of Tabita droomt van weidse Afrikaanse landschappen en Vic van een klaslokaal vol joelende kinderen.
Epiloog
Het is zeven uur ’s ochtends en reeds vierentwintig graden warm: in mei heel normaal voor Kinshasa. Tabita loopt door de Boulevard du 30 Juin. Haar rokje wipt op en neer als ze de imposante trappen bestijgt van een modern, strak ontworpen gebouw. Het is de Belgische ambassade waar ze zopas is aangeworven als medewerkster van de culturele attaché in Congo. Twee jaar na het incident in het studentenhuis is de krakkemikkige lift nog slechts een vage herinnering. Tabita werkt zich uit de naad voor haar eerste opdracht: een literair colloquium gewijd aan Vlaamse auteurs die schreven over Congo of Zaïre. Die literatuur loopt van koloniale verheerlijking en missieromans tot kritische, ontmythologiserende en postkoloniale teksten. Zeer verschillende stemmen uit zeer verschillende perioden: van Cyriel Buysse, Gerard Walschap en Karel Jonckheere, via Louis De Lentdecker, Piet van Aken, Mireille Cottenjé en Jef Geeraerts, tot David Van Reybrouck, Lieve Joris en Koen Peeters. Tabita hoopt de laatstgenoemde drie te kunnen overhalen om op het event aanwezig te zijn. Ze heeft het gevoel waardevol werk te verrichten. Ze hoopt hiermee een brug te slaan tussen verleden en heden over de complexe gedeelde geschiedenis. Als het haar lukt, kunnen er misschien meerdere edities volgen die beide partijen gelegenheid bieden voor een noodzakelijke, opbouwende dialoog.
Het leven is een zoektocht, een reis waarvan de uitkomst onzeker is. Het is een ontdekkingsreis en ieder komt onderweg dingen tegen die hij of zij niet had verwacht te zien. De niet zo dappere jongeman Vic heeft na de opgelopen liftfobie nog niet gevonden wat hij had verwacht. Hij had nochtans grote plannen. Zijn alter ego Dick Dixon heeft de ambitie om te schitteren in de wereld van de influencers niet kunnen waarmaken. Bedrijven toonden geen belangstelling in Vic als online ambassadeur van hun producten. De dogmatische politici die hem even op proef namen, vonden uiteindelijk zijn bijdragen niet in overeenstemming met hun superieure gedachtengoed. Misschien spookten Tabita’s wijze woorden nog door zijn hoofd, zonder dat hij zich dat bewust was…
Sindsdien heeft Vic allerlei klussen tot een kleurrijk curriculum aaneengeregen. Hij was een tijdje barista, maar zijn espressos bleken te slap. In de hamburgertent veroorzaakte hij een brandje dat leidde tot vroegtijdige beëindiging van zijn contract. Toen hij het mocht proberen als verkoper van tweedehandsauto's, was hij zich er niet van bewust dat hij met het overvloedig gebruik van “om eerlijk te zijn” of “ik zweer het” zijn eigen geloofwaardigheid én zijn verkoopkansen torpedeerde.
Laatst had hij zich aangemeld op een PTC-platform: Paid-To-Click. Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is het dat ook. De hele business was gebouwd op het bedriegen van adverteerders. Die betalen het platform voor de echte interesse van potentiële kopers, maar het platform creëerde nepinteracties. Klikfraude dus. De eigenaar, aangeklaagd door de Securities and Exchange Commission, is er intussen met de buit vandoor. De naïevelingen van de klikbende, waaronder de ongelukkige Vic, die uiteraard de beloofde centen niet gezien hebben, werden na onderzoek vrijgesteld van vervolging.
Vic gooit het roer drastisch om: berooid van zijn zelfvertrouwen en zijn illusies gaat hij op weg naar Santiago de Compostella. Na de sombere pechperiode hoopt hij op innerlijke groei en veerkracht. Nog tijdens de eerste week wordt op de Arles-route zijn rugzakje gestolen, met daarin zijn telefoon en zijn pelgrimspaspoort. Direct stelt hij de hele onderneming opnieuw in vraag. Maar andere pelgrims en lokale bewoners zijn ontzettend meelevend en hulpvaardig. Vic voelt zich gezien, gehoord, gewaardeerd en opgenomen in de Camino-gemeenschap. Hij krijgt hun energie cadeau en zet door.
Nog tweeduizend kilometer te gaan, de zon op zijn gezicht, de regen op zijn schouders. En dag na dag komt hij dichter bij zichzelf…
EINDE
*** Waarschuwing: Urine drinken als noodoplossing
Ja, het klinkt als een overlevingstruc, maar het is géén goed idee om je eigen urine te drinken als je dorst hebt.
- Astronauten doen het niet– die zuiveren hun urine tot schoon water.
- Eigen urine drinken kan hooguit heel even een beetje helpen, maar alleen als je het direct opvangt en opdrinkt.
- Gevaar: in urine vermenigvuldigen bacteriën zich snel, dus hoe langer je wacht, hoe riskanter.
- Extra nadeel: als je al uitgedroogd bent, wordt je urine steeds geconcentreerder: dan drink je bijna geen water meer, maar een zoute, afvalrijke vloeistof.
Kortom: liever niet doen. Alleen in een uiterste noodtoestand en dan alleen vers. Besef dat het geen ideale oplossing is.
Rene Jochems - Kontich, 10 mei 2026.