God is dood
“Oh nee! God is dood! Hoe moet ik nu verder?
Hij was mijn beste vriend, mijn kompas in elke storm, mijn houvast, mijn troost en mijn hoop. Wat nu?”
EEN
Zes jaar geleden kwam God in mijn leven. Nee, eigenlijk is het omgekeerd: ik kwam in zijn leven. Ik was amper vierentwintig, een naïef schepsel achtereenvolgens verliefd, getrouwd en gescheiden. Dat laatste was een bevrijding zonder circus.
Ik wist even van geen hout pijlen maken, tot ik de advertentie voor Housekeeper zag. “Vooruit, Louise,” dacht ik, “waarom niet?”.
Het oude landgoed Hof ter Offerdonk maakte me nerveus. De weelderige tuin met obligate oprijlaan imponeerde me, nog voordat het gesprek begon. God ontving me met een beminnelijke glimlach. Zijn uitstraling was zo krachtig dat ik zeker wist: hij is de eigenaar. Tot hij zich voorstelde: “Godfried Stevens, butler.”
Terwijl ik zijn vragen beantwoordde, hem vertelde over mijn moeilijke jeugd en mijn mislukte blitzhuwelijk, luisterde hij empathisch. Mijn handen verraadden mijn zenuwen; ze dwaalden constant naar mijn haar, mijn nek en mijn handtas. Hoe meer ik sprak, hoe meer ik mijn kansen meende te verspelen. Toen ik stilviel, verwachtte ik een beleefde afwijzing.
Zijn vraag overviel me: “Wanneer kan u beginnen, mevrouw Doremans?”
Die zes woorden zeiden alles over de man.
TWEE
Zes uur. Mijn ogen gaan open. Een dagelijkse gewoonte; zou ik zelfs kunnen zonder wekker, al ga ik dat niet uitproberen.
Om half zeven zit ik bij Radia, onze Chef de Cuisine. Een vers kopje koffie, het startpunt van de dag. Dit is het moment dat God meestal de keuken in komt piepen om met ons desgevallend last minute wijzigingen in de planning te bespreken. Maar het blijft stil.
Kwart voor zeven. “Meneer Stevens is laat vandaag,” zegt Radia. Ik knik bevestigend en gis: “Wellicht weer een superdringend akkefietje voor meneer, of voor mevrouw. Ik begin er ook maar eens aan. Bedankt voor de koffie, Radia.”
Wanneer ik even later voorbij zijn kamer kom, staat de deur op een kier. Een kans om hem gelijk even te groeten. Ik klop zachtjes. “Goedemorgen, meneer Stevens?”
Ik duw de deur wat verder open en steek mijn hoofd naar binnen. Hij zit aan zijn bureautje, maar er is iets mis met dit vredig tafereel. Hij zit niet rechtop te schrijven. Hij zit ineengezakt, hangt slap voorover. “Meneer Stevens! Meneer Stevens!!”
Wanneer ik dichterbij kom zie ik de grijze sluier over zijn verkrampte gezicht. Ik gil het uit.
Twee tellen later verschijnt meneer – reeds aangekleed en paraat om te vertrekken: “Wat is hier aan de hand? Stevens? Wat is er… verdomme. Het is niet waar, hé.”
Mevrouw verschijnt ongeschminkt in haar kamerjas: “Zeg, wat is al dat geroep hier?”
“Ja, Stevens is dood. Maak jij je nu maar verder klaar dat je op tijd in het parlement bent voor de stemming. Louise: bel onmiddellijk dokter Zeylmans dat die direct langskomt. En zeg tegen mijn chauffeur dat we een halfuur later vertrekken. Nu, iedereen de kamer uit.”
Dexter Guldentops is een man van aanpak. Hij overziet elke situatie in een oogwenk en deelt orders uit. O wee wie de uitvoering ervan niet opvolgt.
Casper, de zoon des huizes die nieuwsgierig ook eens komt kijken, krijgt de wind van voren: “Weg, jongen. Hier valt niets te beleven. Jij moet trouwens naar school.” Doordat hij geen kans ziet voor zijn gebruikelijke puberachtige dwarsliggerij, druipt hij af naar zijn kamer. Zijn hol, eigenlijk. Sinds een jaar hoef ik daar van mevrouw niet meer te poetsen. Onbegonnen werk, zo’n stal.
God en ik dachten anders over opvoeding, maar met twee overbezette ouders is die verwaarlozing en de bijhorende verwennerij klassiek.
DRIE
Dokter Zeylmans vermoedt een natuurlijke dood. Tot grote opluchting van meneer. “Hartaanval of een beroerte tijdens het schrijfwerk,” concludeert hij.” Een lijkschouwing is overbodig. Zo, Dexter, ik heb mijn plicht volbracht. De officiële verklaring volgt, daarna mag de begrafenisondernemer hem komen ophalen.”
“Bedankt dat je direct wilde komen, Guillaume. Tot ziens, mijn beste.”
Wanneer de heren de kamer hebben verlaten, blijf ik nog even staan. Ik wil deze ruimte in mijn geheugen prenten: Gods privédomein, dat hij altijd zelf schoonmaakte. De meubels, de gordijnen, het vloerkleed, alles is hier doordrongen van zijn geur. Toen ik God een keer bekende dat ik verzot was op zijn parfum, antwoordde hij geamuseerd: “Dat is Bois du Portugal, een klassieker. Ooit de favoriet van Frank Sinatra.”
Rondkijkend krijg ik een vreemde gewaarwording. Niets is direct verdacht, maar het voelt toch niet helemaal juist. Ik kan er mijn vinger niet op leggen en pijnig mijn hersens om uit te vissen wat er mis kan zijn. Het onbeslapen bed? Oké. De open gordijnen? Hmm, ’s avonds doe ik mijn gordijnen dicht. God misschien niet, zou kunnen.
Met een benepen hart kom ik naast de levenloze God staan. Zacht leg ik mijn hand op zijn schouder. O, wat zou ik geven mocht ik hem weer tot leven kunnen wekken. Zijn hoofd ligt schuin op het tafelblad, alsof hij beluistert wat hij zojuyist heeft geschreven.
Plotseling voel ik mijn opwinding stijgen. Ik kijk naar zijn hand. Die omklemt zijn vulpen, rustend boven het vloeiblad van zijn lederen onderlegger. Maar er is geen papier te zien. Geen blad, geen schrift, niets.
Wie schroeft er nu de dop van zijn vulpen om te beginnen schrijven zonder papier voor zich? Ik niet, en God ook niet. Dat weet ik wel zeker.
Hier klopt iets niet. Heeft iemand het blad met zijn laatste woorden weggegrist?
Er wordt aangebeld. De ganse familie zal intussen vertrokken zijn, dus haast ik me naar beneden en open de voordeur. Twee heren stellen zich voor: Ron, de uitvaartverzorger, en Jean, de mortuariummedewerker. Ron vertelt dat meneer Guldentops de begrafeniswensen vanmiddag in het mortuarium komt bespreken.
“Wat betreft de kledingkeuze voor de overledene, laat meneer de beslissing over aan mevrouw Doremans. Bent u dat?”
“Ja, dat ben ik. Als u mij wilt volgen.”
Terwijl ik God’s beste pak uit de kast haal, - een wit hemd, zwarte das, zwarte sokken en zwarte schoenen - gaan de mannen aan het werk. Zij tillen het lichaam voorzichtig van de stoel en leggen het in een lijkzak op de brancard. “De uitgebreide verzorging en het opbaren doen we uiteraard in het mortuarium”, zegt Ron.
Ik kijk toe hoe ze God naar de rouwwagen dragen. Pas als ik ze het Hof ter Offerdonk zie buitenrijden, wordt de stilte me te machtig. De professionele facade waarachter ik me de hele ochtend schuil hield, begeeft het. De tranen winnen.
God is dood! Hoe moet ik nu verder?
VIER
We zitten met vijf rond de keukentafel: chef Radia, kamermeisje Maaike, tuinman Wannes, klusjesman Leo en ikzelf. We drinken koffie en halen herinneringen op. Nu hij dood is, durft geen van ons hem nog ‘God’ te noemen, de bijnaam die we al die jaren stiekem gebruikten. Nu is het ineens ‘meneer Stevens’ dit, en ‘meneer Stevens’ dat.
Ieder deelt zijn of haar lievelingsanekdote. Terwijl ik de verhalen aanhoor, bedenk ik dat God een groot hart had: hij was ieders steun en toeverlaat. Streng en rechtvaardig, maar altijd menselijk. Nooit veroordelend, altijd vol begrip. Eensgezind besluiten we dat we hem zullen missen. Dan gaat iedereen aan het werk.
Ik laat de kamers van de familie over aan Maaike. Ik wil de kamer van de butler zelf onder handen nemen. Meneer Guldentops zal immers zo snel mogelijk een vervanger aanwerven. Tegen die tijd mag deze kamer niet meer naar Sinatra ruiken. Ik gooi de ramen wijd open en begin het bed af te trekken.
Terwijl ik daarmee bezig ben, dwaalt mijn blik naar het bureautje. De uitvaartverzorger heeft de vulpen netjes op de onderlegger gelegd. Ik pak de pen en draai de dop erop. Ik trek een lade open om de pen weg te leggen. Een potlood brengt me op een idee dat ik ooit in een politieserie zag.
Ik pak een blanco vel, leg het op het vloeiblad en laat het potlood zachtjes over en weer glijden, als een zachte aanraking over een litteken. Waar onder het papier de vezels raken, kleurt het grijs; boven de diepte van de groeven blijft het wit. Ik houd mijn adem in. Letter voor letter verschijnt Gods laatste bericht:
Donderdag 19 maart 2026.
Waarde Theo,
Het is de hoogste tijd dat ik jou klare wijn schenk. Geen omtrekkende bewegingen meer, geen vage beloftes die als mist tussen ons in hangen. Onvoorziene omstandigheden nopen mij
Is dat alles? Geobsedeerd probeer ik nog een vervolg te vinden, wat meer naar links, naar rechts, wat meer naar onder… maar er verschijnt niets meer. Oh God, laat me nu niet achter met dit raadsel. En wie is Theo? Ik heb die naam nooit horen vallen. Welk geheim schuilt er in deze mistwolk?
Maar euh… wie van de drie hypocrieten die allen ‘verwonderd’ op mijn gegil afkwamen, heeft dat briefje aan Theo doen verdwijnen?
Kom, Louise, je moet dringend voortmaken. Eerst het werk, dan Sherlock spelen!
VIJF
Een scheutje Marseillezeep en een paar druppels kruidnagelolie laten de oude vloer weer glanzen. De aangrenzende badkamer is grondig gepoetst en geurt naar lavendel. Schoon badlinnen ligt klaar voor wie komen gaat.
Meneer Guldentops stapt de kamer binnen met een kartonnen doos. “Wat heb je daar vast, Louise?”
“De badkamerspullen van meneer Stevens, meneer. Zijn tandenborstel, scheermesjes...”
“Gooi dat allemaal weg. Iets anders: hier is een doos. Steek daar alle papieren uit dat bureautje in en breng die naar mijn werkkamer.”
“Goed, meneer. En wat doe ik met de boeken?”
“Neem mee wat je zelf wil lezen, de rest kan bij het afval.”
“En met de kleren? Kringloopwinkel?”
“Om het even, Louise. Als alles morgen maar weg is. Dan komt de nieuwe zich presenteren.”
“Goed, meneer. U kan erop rekenen. Tegen vanavond is deze kamer volledig in orde.”
God had net zo goed secretaris of archivaris kunnen zijn. Wat een orde! In de klasseermappen zitten alle documenten netjes per item en chronologisch gerangschikt; maniakaal bijna. Ik stop alles in de kartonnen doos. Enkel de blanco enveloppen en het onbeschreven briefpapier laat ik in het bureau.
Wanneer ik de kleren van de kapstokken neem om op te vouwen, begraaf ik mijn neus in de stof. Bois du Portugal.
Wat ik had ik deze man graag wat intiemer willen kennen. Hij was een echte gentleman: rustig, bescheiden, het tegenovergestelde van de brute nietsnut die ik ooit aan de haak sloeg. Een paar keer probeerde ik te flirten, maar God wist me telkens vriendelijk af te wijzen. Zo jammer. Ik denk oprecht dat wij een fijn koppel hadden kunnen zijn.
Als laatste stuk haal ik zijn winterjas uit de hangkast. Tot mijn verbazing zit onder de jas een elegant zachtroze deux-pièces, een Chanel Tweed-set. Mijn brein slaat tilt. Wat doet dat hier? Van wie is dat?
Mijn gesnuffel ten spijt kan ik geen aparte geur ontwaren: dit pakje zit waarschijnlijk al heel lang onder deze jas. Was Godfried Stevens in een vorig leven getrouwd? Is hij weduwnaar? Of heeft de liefde van zijn leven hem laten zitten met niets anders dan dit souvenir? Zoveel vragen aan God, maar geen enkel antwoord.
De schroom overwonnen, houd ik het chique tweedelige pakje voor me. Zou ik hiermee staan? Waarom niet? Ik check de maat: Large! Mevrouw Stevens was dus redelijk struis, net als haar man. Met mijn figuurtje - een kleine medium - kan ik dit erfstuk wel vergeten.
Ik breng de stapel kleding, inclusief de Chanel, naar de garage. Op een briefje voor Yusuf, de chauffeur, schrijf ik de bestemming: Opnieuw & Co.
ZES
Na het avondmaal zit mijn dagtaak er grotendeels op. Alleen de boekenkast in the butler’s quarters moet nog leeg. Het eerste wat me opvalt, is de diversiteit en de sérieux van de verzameling. Een en ander verklaart zijn charisma ; deze man van weinig woorden was een man van grote gedachten. Een wijze man.
Sommige titels liggen voor de hand, zoals Wat we kunnen leren van butlers van Vincent Vermeulen, de directeur van de 'School for Butlers & Hospitality'. Andere zijn gespecialiseerde werken: L'Étiquette à l'usage de tous, of deze kanjer van de Union de la Sommellerie Française.
Maar God keek verder dan zijn vakgebied. Zijn belangstelling voor de wereldgeschiedenis blijkt uit Van Loo’s Bourgondiërs en zijn Napoleon. Ook had hij heel wat dichtbundels – wie had dat gedacht? – en een prachtige collectie kunstboeken. Elk boek dat ik aanraak, voelt als een stukje van de puzzel.
Terwijl ik de boeken sorteer en in een van de dozen stop, valt mijn oog op een exemplaar dat letterlijk uitpuilt: Brieven aan Theo, de briefwisseling van Vincent van Gogh aan zijn broer. Het is bijna de helft dikker dan de rug van het boek aangeeft; heel wat papieren en kaartjes zitten tussen de bladzijden.
Mijn detectivehart maakt een sprongetje. Voorzichtig haal ik er een kaartje uit. Een handgeschreven gedichtje. Een haiku:
Witte bloesem valt,
Hij kust een andere bruid,
Winter in mijn hart.
Wat prachtig. Zo mooi. Heeft hij dat gekopieerd? Of was God nog een dichter ook? Vragen voor later. Eerst het werk, dan de puzzel!
Nadat ik dit boek met zijn schatten in veiligheid heb gebracht in de doos met de ‘uitverkorenen’, controleer ik koortsachtig de rest van de plank. Dienden andere boeken ook als kluis voor hartsgeheimen? Nee dus. Ik doe vlug verder, maar kan er nauwelijks mijn aandacht bijhouden. De naam Theo flitst voortdurend door mijn hoofd… Rustig blijven, Louise. Je bent bijna klaar.
God was een homo universalis, een echte allesvreter. Naast romans zoals Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer, las hij ook de klassiekers Max Havelaar van Multatuli en Lady Chatterley’s Lover van Lawrence. De laatste loodjes zijn stapels jaarboeken: Het Aanzien van… Geen spek voor mijn bek.
Met veel moeite sleep ik de loodzware dozen naar de garage en zet ze naast het pak kleren. Yusuf mag morgen de verhuizing doen. Met een halfgebroken rug en mijn doosje met ‘prijswinnaars’ trek ik me terug in mijn kamer.
Niet storen, a.u.b.!
ZEVEN
Ik schenk mezelf een glas in van de fles die God tussen zijn boeken had verstopt: Vinho do Porto, LBV 2019. Het spul is honingzoet, maar lekker. Ik installeer me in mijn zetel met Van Gogh op schoot en begin aan de kaartjes die tussen de bladzijden steken.
Hemel op aarde,
jouw kasteel opent haar deur,
mijn thuis in je armen.
Ik wou dat ik wist hoe ik zo’n haiku moet ontcijferen. Het enige dat ik zie, is de vorm: 5-7-5 lettergrepen. Maar de betekenis ontcijferen is andere koek. Als God dat zelf gecomponeerd heeft, bij welke geliefde trok hij dan in? Bij een of andere rijke kasteeldame die Chanel-pakjes droeg? Dat was in ieder geval niet mevrouw hier: voor zij de welgestelde industrieel Dexter Guldentops wist te strikken, was zij gewoon een ambitieuze politica uit een arbeidersgezin.
Misschien kom ik er beter in en wordt het duidelijker na nog een paar versjes.
Ruwe mannenhand,
Eelt op plekken waar ik eerst,
Zachtheid heb gekend.
Soms vang ik zijn oog,
Zoekt hij naar de vrouw van toen?
Nee, de haard moet aan.
Wat vreemd. Het wordt alleen maar ingewikkelder.
Het boek glijdt weg. Ik grabbel en kan nog net voorkomen dat het op de grond klettert. Eén kaart valt eruit. Het is een tweeluik; een rouwkaart. Op de voorkant staat een mistig landschap met drie schimmen die richting het licht wandelen. Onderaan een tekst van Tagore:
Laat mij niet tevergeefs in het duister tasten, maar rustig van geest blijven in het vertrouwen dat de dag zal aanbreken en de waarheid zal verschijnen in al haar eenvoud.
Wow, dat is me echt op het lijf geschreven. Een voorteken? Ga ik er dan toch nog iets van snappen?
Ik open de kaart. Mijn ogen scannen de regels, maar ik word duizelig. Ik moet gaan zitten. Het duurt even voordat de woorden echt tot me doordringen:
Met diepe verslagenheid melden wij u het gelijktijdig overlijden van
Baldwin Stevens (geboren te Lier op 10 februari 1939),
Brunilde Stevens-Vlaemink (geboren te Duffel op 26 november 1946),
Siegfried Stevens (geboren te Lier op 7 september 1966),
allen overleden te Rumst op 9 september 2008 ten gevolge van een verkeersongeval.
Ik leg de kaart neer en staar naar buiten. In het donker fonkelen de grondspots langs de oprijlaan als een Melkweg van gevallen sterren. Ik zie ze niet eens. Mijn gedachten zijn bij God. Het moet keihard zijn aangekomen: je hele gezin in één klap weggemaaid. Wat vreselijk. Bleef hij toen alleen achter? Of had hij nog een broer of zus?
Ik pak de kaart weer op en lees verder:
Dit meldt u
Godefriede Stevens, hun dochter en zus,
en hun neven en nichten van de families Stevens en Vlaemink.
Rouwadres: Hof ter Offerdonk
Als een onzeker kind in het eerste leerjaar herlees ik de zin. En nog een keer. Wie is er gek? De drukker of ik? Er staat wel degelijk: “hun dochter en zus”…
Denk na, Louise. Denk goed na. Ik drink mijn glas in één teug leeg en schenk direct weer bij.
In 2008 was God dus een vrouw. En ze woonde hier!
ACHT
Het is al lang bedtijd, maar ik kan de zaak niet loslaten. Stel… stel dat God een geslachtswijziging heeft ondergaan. Kan dat, of niet? Dan is de vraag: enkel medisch of ook juridisch? Eigenlijk doet dat er niet toe. Waarom deed ze zich voor als butler? Dat is de vraag.
In de zes jaar dat ik hem ken, zag ik God nooit anders dan in zijn zwarte driedelige maatpak. Dag en nacht, winter en zomer. En nooit heb ik hem met een stoppelbaard gezien. Natuurlijk niet. En hij had ook nog een weelderige haardos: normaal heeft een man die naar de zestig gaat van die inhammen bij de slapen en wordt zijn haar dunner op de kruin. Niet bij God.
En dan dat Chanelletje. Het was dus geen herinnering aan een oude vlam, het was gewoon een kledingstuk van hemzelve! God, God, God, wat heb je me voor de gek gehouden.
Dat ik slecht geslapen heb, is een understatement. De hele nacht lag ik te woelen en te piekeren. Ik zit aan de keukentafel dan ook met een soort kater; misschien zit dat zoete drankje er ook wel voor iets tussen.
“Radia? Hoelang werk jij hier al? Meer dan zes jaar toch, want jij was hier al toen ik ben begonnen.”
“Ah ja, al veel langer. Deze zomer wordt het twintig jaar, geloof mij. Mijn man en ik zijn hier gekomen toen ze nog alles aan het verbouwen waren. Toen was het nog een echte werf, o ja! Nog vóór meneer Guldentops zelf hier is komen wonen.”
“Hmm, en was mevrouw Guldentops er dan ook bij?”
“Nee, nee, toen kende hij haar nog niet. Zij is pas gekomen nadat ze getrouwd zijn. Dat is nu... ja, zestien jaar geleden, denk ik. Ja, ja, zestien jaar, even oud als hun jongen, Casper, hè.” Ze buigt iets dichter naar me toe en voegt er fluisterend aan toe: “Casper was een ongelukske. 't Was van móeten, zoals men dat hier zegt.” Vlug legt ze haar wijsvinger op haar lippen en kijkt angstig rond of niemand anders dat heeft gehoord.
“En werkte God hier toen ook al?”
Nu wordt Radia bijzonder nerveus: “Enkele maanden na de bruiloft van meneer en mevrouw is mijn man overleden. Meneer Stevens heeft hem toen vervangen. Maar nu moet ik aan het eten beginnen. Als je nog vragen hebt, stel ze dan maar boven, aan meneer.”
Haar blozende wangen verraden haar. Ze weet er meer van, maar ik dring niet aan. Het arme mens trilt van schrik, omdat ze haar mond voorbij heeft gepraat.
“Ja, ik moet ook aan het werk. Bedankt voor de koffie, Radia.”
Tijdens mijn middagpauze bel ik het mortuarium: “Goedemiddag, ik wilde informeren wanneer ik meneer Stevens kan komen groeten?”
“Oei, dat zal niet meer gaan, mevrouw. Het stoffelijk overschot van meneer Stevens bevindt zich op dit moment in de crematieoven.”
Ineens voel ik een beklemming in mijn borst. “Dat mag toch niet, zo snel cremeren. Hij is pas gisteren gestorven!”
“Kijk mevrouw, het is inderdaad sneller dan gebruikelijk, maar de verplichte wachttijd van vierentwintig uur is verstreken, en meneer Guldentops stond op een spoedbehandeling. Het spijt me dat u te laat bent.”
Ik hang op. Het bevalt me niks. Dit is geen oprecht rouwproces; dit is een schijnvertoning. Het begon al met de ongelovige uitroep van meneer: “Het is niet waar, hé”, het wegsturen van getuigen, het onderonsje met dokter Zeylmans, de verdwenen brief aan Theo… en nu de overhaaste crematie. Om nog te zwijgen van de jarenlange poppenkast van God zelf.
Ik kan me maar beter gedeisd houden: horen, zien, zwijgen en werken.
NEGEN
De kennismaking met de nieuwe butler is een koude douche. Meneer Guldentops stelt Danny Muyle aan ons voor, niet als butler, maar als zijn nieuwe Private Estate Manager. En meneer Muyle zal zichzelf wel even ‘presenteren’, want meneer heeft een hoogdringende afspraak met een minister. En weg is hij.
De nieuwe haalt een laptop uit zijn modieuze rugzak. Terwijl wij – Radia, Yusuf, Wannes, Maaike, Leo en ik – naar hem staren als een roedel verblinde konijnen, start hij vlotjes zijn PowerPoint op.
“Goedemorgen, tribe. Mijn naam is Danny Muyle, jullie nieuwe Private Estate Manager, zoals de Grote Baas al zei, en zoals jullie dat ook op slide één kunnen lezen. Oké? Next. Op slide nummer twee zien jullie mijn challenges. Die kerntaken omvatten dus: A. het personeelsbeheer, B. het beheer van het domein als personal assistent van meneer Guldentops, C. de eventplanning, en off course D. het onthaal van de gasten.”
Muyle straalt ons tegemoet. “Het spreekt vanzelf dat ik dat allemaal niet alleen ga doen. Kijk naar slide drie: Dream Team. Ja, voorlopig staan daaronder enkel jullie functietitels, maar ik vul dat asap aan met jullie namen. De bedoeling is dat wij in de toekomst vlot gaan samenwerken met als duidelijk mission statement… hier komt slide vier… Tadaah! Next Level – Never a dull moment!”
Hij klikt opgewonden verder. “Wij gaan van Hof ter Offerdonk een top estate maken, out of the box. Jullie zijn mijn tribe, en meneer en mevrouw Guldentops gaan binnenkort hun human capital fier kunnen omarmen.
Voilà, dat was het in a nutshell. We ronden hier af met slide vijf: Q&A. Zijn er nog vragen? Niet? Fantastisch, dan ben ik weer crystal clear geweest. Laten we er dan maar direct invliegen. En niet schrikken als ik plotseling ergens opduik: monitoring is part of my job. Oké? Bedankt.”
Terwijl hij zijn apparatuur opbergt, breek ik de stilte: “Heeft u in de planning voorzien dat uw kamer dagelijks wordt opgemaakt?” Ik zeg er maar niet bij dat zijn voorganger het graag zelf deed.
Hij kijkt me aan alsof ik Chinees spreek. “Hoezo? Natuurlijk wel, ik ga het werk van het kamermeisje er niet nog bovenop doen, hé. Ik zet het hic et nunc op het schema: ‘housekeeping PEM dagelijks uit te voeren tussen 10:00 en 10:30 uur'. Voilà, dat noem ik kort op de bal spelen. Dat is de nieuwe mindset. Even wennen misschien, maar jullie zullen rap het verschil zien.”
TIEN
Uitgeput laat ik me op bed vallen. De eerste dag met de nieuwe butler – pardon, de nieuwe PEM – zit erop. Wat een zielig mannetje, een tafelspringer pur sang. Empathie: nul. Inzicht: nul. Zelfrelativering: dubbel nul.
Om die irritante kerel uit mijn hoofd te krijgen, schenk ik nog een glas port in en pak ik de 'Brieven aan Theo' met Gods nagelaten kaartjes. Ze voelen als de broodkruimels van Klein Duimpje, die me dieper het donkere bos in leiden.
Ogen wijd open,
Zien hoe onschuld wordt verkocht,
Handen zijn geboeid.
De macht blijft rechtop.
Smoort menige stille schreeuw.
Een kinderlach sterft.
Een getuige zwijgt,
Zwaar als lood op oude borst,
Waarheid moet gehoord.
Deze haiku’s bezorgen me koude rillingen. Ik tril van afschuw bij de beelden die ze oproepen. Is het mogelijk dat God getuige was van kindermisbruik? Hier, op dit landgoed? Niet in een ver land of op een luxe-eiland over de oceaan, maar hiér, binnen deze muren?
Tussen de pagina’s van de Van Gogh’s vind ik nog één kaartje. Het laatste kaartje. Een laatste haiku. De laatste woorden van God …
Hij weet dat ik weet,
vandaag bedreigd met de dood -
nacht zonder ontbijt.
Nu word ik echt bang. Mijn brein raast, combineert feiten met vermoedens en komt tot een verlammende conclusie. Als God getuige was van een pedofielennetwerk dat elitaire kringen bediende, dan besefte hij dat zijn laatste uur had geslagen.
Ik weet niet hoe Guldentops is te werk gegaan – een gifdrankje, een insulinespuit? – maar ik ben er nu zeker van: hij is de moordenaar. Met de hulp van dokter Zeylmans zal dat slechts een koud kunstje zijn geweest.
Het angstzweet breekt mij uit. Ik moet hier weg, nu! Ik mag hier geen seconde langer blijven. Als hij weet dat ik het weet, dan ben ik er ook aan.
Mijn valies inladen… nee, dat is te riskant; dat zou argwaan wekken. Ik grijp mijn handtas, met mijn papieren, mijn geld en de haiku’s van God. De rest mogen ze hebben.
Muisstil verlaat ik mijn kamer en haast me naar buiten. Halverwege de gang zwaait plots een deur open. Meneer Muyle komt tevoorschijn. Hij blokkeert de doorgang, wijdbeens, armen voor de borst en kijkt me recht in de ogen: “Zo laat nog op wandel, mevrouw Doremans? Is het niet stilaan bedtijd? Morgen wacht ons een drukke dag, toch?”
Mijn hart hamert tegen tweehonderd per uur tegen mijn ribben. Ik dwing mezelf zo rustig mogelijk te antwoorden: “Niets zo goed voor de nachtrust als nog even een frisse wandeling, meneer Muyle.” Ik hoor mijn eigen stem trillen. Hopelijk hij niet.
Nog voor hij mij een tegenwerping kan maken, klinkt de donkere stem van meneer Guldentops, die nu eveneens in de deuropening verschijnt. “Nóg beter is een slaapmutsje drinken in goed gezelschap, Louise.” Hij tovert een duivelse glimlach op zijn gezicht en maakt met zijn hand een hoofse beweging die mij uitnodigt de kamer te betreden.
Even flitst het door mijn gedachten om weg te spurten, maar daarmee zou ik alles verraden. Meer kans meen ik te maken door hen voor eventjes mijn gezelschap te gunnen. Zo luchtig mogelijk zeg ik: “Oké, eentje, en dan ga ik slapen.”
Wanneer ik de kamer binnenkom, stokt mijn adem. De heren zijn niet alleen. Ook mevrouw Guldentops en zoon Casper zijn aanwezig, geflankeerd door dokter Zeylmans en – tot mijn verbazing – de uitvaartondernemer. Een compleet comité.
“Oh”, zeg ik, mijn stem klinkt vreemd in mijn eigen oren. “Ik kom jullie storen, dat was niet mijn bedoeling.”
“Maar u stoort helemaal niet,” lacht dokter Zeylmans. Hij reikt me een borrelglaasje aan. “Men zegt toch: hoe meer zielen, hoe meer vreugd, nietwaar, mevrouw?”
Als op een afgesproken teken heffen alle aanwezigen hun glas. De beweging verloopt perfect synchroon. Ze kijken me aan, zes paar ogen die geen emotie verraden. “Op de goede afloop!” klinkt het in koor.
Niet begrijpend knik ik werktuiglijk als bedanking, herhaal de toast “Op de goede afloop” en drink naar hun voorbeeld mijn glaasje ook in één teug leeg. Het smaakt naar nog, maar ik ben niet van plan te blijven. Ik wil weg, naar de gang, naar buiten, naar de vrijheid.
Terwijl ik rondkijk naar een plekje om even te zitten, begint de wereld te kantelen. Het is alsof de tijd vertraagt. De geluiden van de gesprekken om me heen klinken steeds verder weg. Mijn zicht wordt nauwer en waziger. Mijn lichaam voelt loodzwaar, alsof de zwaartekracht plotseling is verdubbeld.
Mijn gedachten raken los van wat er om mij heen gebeurt, en dan verdwijnt alles in een nevel…
EPILOOG
Our distinguished editorial team was graciously invited to the season’s opening soirée at Hof ter Offerdonk. The event unfolded as an impeccably curated networking affair, where the upper echelons of the economy — leading directors and discerning investors — mingled effortlessly with a hand-picked circle of political figures.
The evening’s theme, Elegance and Connection, celebrated both refined luxury and philanthropy in support of our cultural heritage.
From a well-placed source, we learned that, within the discreet confines of the private VIP lounge — far removed from the glow of the red carpet — understandings were reached that will never find their way onto paper.
In de schaduw van de grote eik op het domein staat een nieuwe gedenksteen. Geen naam, geen datum, alleen een haiku in het marmer gekerfd. Bezoekers denken dat het moderne kunst is.
Alleen de familie weet beter.
De waarheid fluistert
Gewicht dempt haar broze stem
Niets komt aan het licht
EINDE
René Jochems - Kontich, 21 maart 2026.