Rob en een soort midlifecrisis.
-
Een
De hagel hamert op mijn hoofd. Ik loop, tegen de gevels geplakt, om de pijn te vermijden. Kloteweer! Parochiezaal Leo XIII: ik spring naar binnen. Zes na tien al: shit. Te laat voor mijn eerste keer. Geweldig.
Ik hoor gedempte stemmen. Op goed geluk open ik een deur die piept als vermoord. Tien koppen draaien zich tegelijk in mijn richting. Een arm gaat de lucht in: “Kom binnen, vriend. Kom, zet u erbij. Hier is nog een stoel vrij, zie.”
In het somber verlichte en amper verwarmde zaaltje neem ik plaats in de kring, op de aangeduide stoel. De smeltende hagel druipt van mijn kop op de vloer. Ik kijk ernaar. Tien koppen kijken mee naar de plasjes. Ik prevel: “Sorry.”
“Welkom in onze kring, beste vriend. Je bent op de juiste plek. De enige vereiste is het verlangen om te stoppen met drinken. Je hoeft hier niets te zeggen als je niet wilt – luister gerust. Als er een nieuwkomer is, stellen wij ons eerst even voor. Ik ben Dieter, voorzitter.”
Een voor een zeggen de aanwezigen hun voornaam. Sommigen voegen daar onnodig alcoholist aan toe. Na dat rondje zegt Dieter: “En jij? Alleen je voornaam is genoeg. Of zeg gewoon: 'Ik kom luisteren'.
Ik zeg: “Rob”.
Zoals ik bij mijn entree al vermoedde en vreesde, was Dieter aan het voorlezen uit de AA-bijbel. Daar gaat hij dan nu enthousiast mee voort, begeleid door een kreunende verwarmingsinstallatie, die naam niet waardig.
“Goed, laten we verdergaan met lezen uit de Big Book over een Hogere Macht.” Met zijn monotone stem vertelt de voorzitter dat er een Macht bestaat, groter dan onszelf, die ons weer geestelijk gezond kan maken. Nog voor hij het einde van de eerste zin heeft bereikt, zijn mijn gedachten er al niet meer bij. Dit gebeuren voelt alsof ik ben teruggecatapulteerd naar een van die voorleesnamiddagen in de dorpsbibliotheek. Niet echt mijn ding. Ik kijk de kring rond en bestudeer de gezichten: het is een bont allegaartje. Gefocust en ademloos luistert iedereen naar Dieter. Bijna iedereen.
Een jongedame met een heel aparte stijl zit ook niet op de AA-golflengte. Haar blauwgekleurde bobkapsel en haar gele oogschaduw kan ik nog wel waarderen, maar de piercings vind ik afschuwelijk. Ik haat piercings. Mijn innerlijke opinievorming heeft blijkbaar haar zesde zintuig gealarmeerd, want plotseling boort haar felle blik zich in mijn ogen. Betrapt. Tegen mijn gewoonte en tegen mijn schaamtegevoel in blijf ik haar aankijken. Langzaam ontstaat er tussen ons iets van verstandhouding en trekt ze haar rechtermondhoek een weinig naar boven. Ik glimlach terug. Na twee langdurige seconden draai ik mijn hoofd weer naar de voorzitter en veins oprechte interesse.
Pauze. Die kwam niets te vroeg. Mijn neiging om er tussenuit te knijpen heb ik kunnen onderdrukken. Tien alcoholisten schuiven aan bij de tafel met een thermos koffie. Een warm drankje zal deugd doen, want het is hier Siberisch! Ik tracht mijn handen te warmen door het omarmen van de koffietas. “Meneer heeft een kouwelijk dagske?” monstert de blauwe.
“Niks, meneer. Rob, en Rob heeft kou, ja. De juffrouw niet misschien?”
“Minne. Ik heet Minne… had ik al gezegd, in de kring, maar gij hebt niet goed opgelet. Ik heb het wel gezien. En nee, ik heb gene kou. Ik ben warmbloedig.” Zoals ze dat uitspreekt, klinkt het als een wetenschappelijk feit, zeker niet als een flirterig lokaas. Dat denk ik toch.Wanneer Dieter ons terug in de kring uitnodigt, aarzel ik. Minne doorziet het, uiteraard, en fluistert: “Gun onze broeders en zusters een beetje aandacht. Die storten in de groep wekelijks hun hart uit. Het helpt hen, echt. Luister nog een half uurtje, dan is het gedaan. Toe.”
Ik kijk in haar felle ogen en knik toegeeflijk. Ik keer terug naar mijn zitje en bereid me voor op een aantal dappere of deprimerende weekverslagen.Twee
Buiten valt er nu natte sneeuw uit de lucht. Minne opent een knalrode, hartvormige paraplu en duwt het handvat tegen mijn borst: “Gij zijt groter, dus moet gij ons afdak dragen.” Overleg staat niet in haar woordenboek.
“Chique paraplu,” zeg ik, “had ik niet verwacht bij jouw gothic look.”
“Die is niet van mij. Ik heb hem geleend van een kakmadam op de tram die mij geen levensruimte gunde in die rijdende sardienendoos.”
“Geleend? Ahum.”
“Ja, geleend. Als ik haar nog eens tegenkom, en het regent niet, krijgt ze hem terug. En haar portemonnee ook.”
“Dat meen je niet! Je hebt haar écht bestolen!”
“Zeg, zevert niet. Kom mee, ik trakteer op een lunch.”We vallen het gezellige Cucina Felice binnen en worden begroet in het Italiaans door een gestikulerende, besnorde zuiderling. Geen idee wat hij woordelijk vertelt, maar zijn handen spreken boekdelen: tien minuten geduld, dan gaat de keuken open en komt iemand met de kaart… of zoiets.
“Va bene!” zeg ik, en hij reageert opgelucht.“Gij ziet er niet uit als een alcoholieker. Ge lijkt meer op ene van de flikken. Wat komt gij eigenlijk bij de AA zoeken?”
“Eerlijk gezegd, jij ziet er ook niet uit als een drankorgel. Trouwens, ik denk dat je zou verschieten, moest je weten hoeveel mensen een drankprobleem hebben, maar waar je het niet aan kan zien. Ja, ik drink dus. Niet zoveel als mijn schuldbemiddelaar en de maatschappelijk werker denken. Maar ja, die pipo’s weten het beter en halen er dan nog een verslavingsdeskundige bij: zo zorgen die onderling voor de werkgelegenheid. En jij, Minne? Drink jij zoveel?”
“Nee. Enfin, normaal niet. Maar af en toe ga ik flink over de schreef. Het probleem is dat ik er niet goed tegen kan. Ik eindig meestal op de spoedafdeling van een of ander ziekenhuis. En daarom lijkt het erger dan het is. Ah, hier komen de menukaarten. Dag Catarina. Voor mij ne frittata en een Immune Booster. Wat gij, Rob?”
“Dag juffrouw, geef mij maar een dagsoep met een stukje brood, alsjeblieft. Dat is alles.”
“Amaai, ik heb ne zuinige invitee aan de hand. Misschien kan ik dan voor vannacht een B&B’ke versieren: effe kijken hoeveel ons kakmadam mij heeft nagelaten… mmm, twee van vijftig en twee van twintig, is dat alles? En die verkoopt dan zjaer alsof ze miljonair is! Wow, wacht effe, Minne: zo’n portemonneeke van Louis Vuitton heeft nog een verborgen compartiment, met… taddaah, een creditcard van American Express. Woehoe! Mercie … euh, Ann Kusters! Ons Anneke gaat vannacht niet goed slapen, denk ik.”De gelaatsuitdrukking van Minne gaat in een oogwenk van zorgelijk, of misschien eerder nog van misnoegd, naar glunderend. Net een kind in een speelgoedwinkel. Terwijl ze als een uitgehongerde wolvin haar frittata te lijf gaat, en ik rustig mijn pompoensoep degusteer, geef ik haar wat wijze raad mee: “Toch maar oppassen wat je met die kaart uitprobeert. Voor je het weet verwittigt een wantrouwige winkelier de politie en eindig je achter de tralies.”
“Ach Robke, been there, done that. Ge moet niet ongerust zijn. Wie de straat zijn thuis mag noemen, weet echt wel de geschikte afnemer te vinden. Ik ga hier niet mee shoppen, hoor: ze smijten mij uit dien boetiek nog voor ik met dat kaartje kan zwaaien. Nee, nee, ik verkoop die voor, mmm, tweehonderd euro misschien, hoop ik, en dan gaan die gasten er op het internet mee aan de slag. Maar daar heb ik niks mee te maken.”
Met de maniertjes van een weldoenster betaalt Minne de rekening. En omdat het ondertussen buiten droog is, doet ze de rode plu cadeau aan Catarina: “Dan moet ik daar al niet meer mee sleuren!”
Op het voetpad staan we wat onwennig rond te draaien, niet goed wetend wat te doen: afscheid nemen, of niet. En dan verras ik ons beiden met de vraag: “Zin om bij mij nog wat te chillen?”
“Ligt eraan wat een boomer verstaat onder chillen?”
“Hetzelfde als de jongeren, denk ik: relaxen, muziek luisteren en kletsen.”
“Show me the way, Rob.”Drie
Minne geeft haar ogen de kost wanneer we op mijn OCMW-flatje aankomen. Als een potentiële huurder loopt ze goedkeurend rond. Bij de aanblik van het stapelbed in de kleine slaapkamer schatert ze het uit: “Dat is puur nostalgie! In het pensionaat hadden wij ook zulke beddebakken, en piepen!” Ze smijt haar leren vest op een stoel en ploft in mijn enige zeteltje. “Hoe gaat ge die beloofde muziek laten horen? Ge hebt geen installatie.”
Haar ‘terughoudendheid’ vind ik best grappig. Ik neem mijn laptop uit de kast en selecteer uit mijn klassieke playlist ‘On the Nature of Daylight’ van Max Richter, een tijdloos, melancholisch orkestwerk dat mij keer op keer ontspant. Minne geeft geen kik. Ik had protest verwacht, of een sneer, maar ze zit stil en klein, ademt nog amper. Wanneer de muziek uitsterft, lopen er twee zwarte mascarasporen over haar wangen. Ik hurk neer naast haar, neem in een troostend gebaar haar hand vast, waarbij ik mijn arm lelijk bezeer aan de spikes van haar polsband.
“Gaat het?” vraag ik haar. Ze knikt: “Een papieren zakdoekske kan ik wel gebruiken. Of wc-papier, is ook goed.” Ze neemt de doos Kleenex aan en bedankt me voor de muziek: “Dat had ik nodig. Die tranen zaten al veel te lang vast. Mercie.”
Terwijl Richter op de achtergrond verdergaat met ’Mary, Queen of Scots’, en ik twee glazen gembersap uitschenk, vraag ik haar naar het verhaal van Minne. Ze kijkt, niet wantrouwig, maar afwegend: of die vreemde man wel een eerlijke versie van haar bio waard is. Het verdict valt positief uit…
“De gedoopte Wilhelmina, komt uit een artistiek nest, met andere woorden: een kind met afwezige ouders. Mijn moeder, een sopraan, woonde meer in operahuizen dan thuis. Mijn vader, een schrijver, was wél in huis, maar onzichtbaar. Als hij al een keer zijn werkkamer verliet, dan was het niet zijn dochter, maar de nanny die zijn volle aandacht kreeg.
Als onhandelbare tiener – hun evaluatie – werd ik verbannen naar een particulier internaat. Het was een internationale school. Ik leerde er veel talen en veel vrienden kennen, en beleefde de mooiste tijd van mijn jeugd.” Minne vertelt zonder emotie, alsof ze voorleest uit de krant. Trouwens, ze kijkt me niet aan, maar staart voor zich uit naar een punt op oneindig.“Na drie jaar was het uit met de pret. Mijn ouders scheidden: hij ging samenhokken met zijn uitgeefster, zij met haar impresario, en ik viel tussen de twee stoelen. Ik ben toen weggelopen. Een privédetective moest de verloren dochter gaan zoeken. Lukte niet, haha. Op een keer hebben ze een melding gekregen dat ik in de Ardennen van een rots was gevallen. Zij hebben mij teruggevonden, me laten verzorgen en onderling getwist wie mij in huis moest nemen. Ik heb zelf de knoop doorgehakt en ben weer weggelopen, naar Frankrijk. Een jaar later kregen ze bericht uit Toulouse, waar het gerecht mij had opgesloten. De rechter heeft me daar vrijgelaten, omdat ik de namen van een bende drugsmokkelaars heb opgebiecht. Ik bracht af en toe hun spul langs smokkelwegen vanuit Frankrijk naar Spanje en andersom. Mijn ouders hebben mijn boete betaald, zodat ik volledig vrij was en ze mij weer konden meenemen. Ik wilde op eigen benen staan en weigerde hun aalmoezen. Ik moest genoegen nemen met werk als afwasser in een restaurant. Daar ben ik na een paar maanden mee gestopt. Ik leef sindsdien meestal op straat. Voilà, dat is mijn geschiedenis, zeer beknopt weergegeven. Nu gij.”
Het is me niet duidelijk of ze met ‘Nu gij’ bedoelt ‘Wat denk je ervan’ of dat ze nu mijn biografie wil horen. Ik gok op het eerste: “Indrukwekkend, Minne. Ik vind het zo jammer dat je niet meer kansen hebt gekregen. Maar het is nooit te laat; je bent nog jong genoeg om een succesvol leven op te bouwen. Alleen – als ik dat mag zeggen, waarschijnlijk niet, maar ik doe het toch – denk ik dat je je van die gothic look moet ontdoen. Vooral van die afstotelijke piercings. Sorry.”
Vier
“Da’s nu typische oude mannenpraat. Nog een wonder dat je niet begint te zeuren over het Heilige Vrouwelijke Lichaam dat geen verminking verdraagt. Je mag trouwens gerust weten dat ikzelf niet zo gek ben van deze spookachtige cyberpunklook, maar het is op straat een goede afschrikking om pedante jongetjes op afstand te houden. En een sollicitatiegesprek om weer te gaan afwassen staat nog niet op de planning.”
Haar protest tegen mijn opmerking klinkt in mijn oren erg genuanceerd. Minne lijkt me niet geheel afkerig van een elegantere uitstraling. Ik laat het onderwerp rusten en schenk nog eens bij. “By the way,” zeg ik vrolijk, “ik ben geen babyboomer, zo oud ben ik nog niet. Ik ben een GenX’er. En jij? Gen Z … een digital native, opgegroeid met smartphone en social media.”
“No way, mister! Op school waren mobieltjes verboden – wie ermee gepakt werd, was het onverbiddelijk kwijt – en later heb ik het nooit gewild. Met zo’n ding ben je traceerbaar, alsof je een enkelband draagt. Never!”
“Ik bewonder je eigenzinnigheid, Minne. Weinigen doen je dit na. Ik ook niet, ik kan dat stomme ding geen dag missen. Heel zwak, ik weet het…”
Minne laat zich echter niet afleiden: “Ik ben vooral benieuwd om te horen wat die zwakkeling heeft meegemaakt waardoor hij vanmorgen bij de AA binnenliep. Of was dat gewoon om het rotweer te ontlopen?”
“Goed, je hebt inderdaad nog recht op mijn historie. Geboren op 14 december 1972, de dag dat de laatste astronauten de maan verlieten om nooit meer terug te keren. Gevolg: ik wou nooit een astronaut worden. Normale, onbezorgde jeugd op het platteland. Managementstudies op kot in de metropool. Diploma op zak, direct een job en veel te snel getrouwd. Gevolg: levenslang spijt dat ik geen sabbatical heb genomen om de wereld, de mensen en vooral mezelf te leren kennen. We maken een sprongetje van zeven jaar: werk beu, vrouw beu, mezelf beu. Gevolg: ik start mijn eigen consultancybedrijf op, ik ontbind ons huwelijk met wederzijds akkoord, en ik begin een jojo-relatie met ‘de drank’. So far, so good. Ben je nog mee?”
Minne heeft duidelijk plezier in mijn relaas en zwaait heftig met haar hand ten teken dat ik moet doorgaan.
“We zijn nu 2008: wereldwijde financiële crisis, veel bedrijven staan op de rand van het failliet. Gevolg: mijn zaken gaan prima, want de ondernemers doen graag een beroep op mijn scherpe analyses om de boel te redden. De succesvolle consultant wordt gerespecteerd en rijkelijk vergoed. Gevolg: de werkweken vol stress vragen om bacchanale weekends. Behalve het genot van drank en vrouwen ontdek ik ook het pokerspel. Gevolg: in een achterkamertje van een beroemd sterrenrestaurant verspeel ik mijn hele hebben en houden aan Vlad, een Bulgaarse maffiabaas. De man was zeer charmant: hij wachtte met de afrekening tot ik weer nuchter was. Vervolgens liet hij me toe één valies te vullen met kleding en toiletartikelen, en verder mocht ik mijn laptop en gsm behouden. Mijn bedrijf, mijn auto, mijn huis en mijn inboedel moest ik overlaten aan de goede zorgen van zijn jongens. Gevolg: het OCMW keert mij nu een leefloon uit, ik mag zes maanden in deze sobere doorgangswoning verblijven, ik heb wekelijks topoverleg met mijn drie begeleiders, en sinds vanmorgen heb ik als lid van de plaatselijke AA-club tien nieuwe vrienden. Einde verhaal.”
Minne kruist haar armen over elkaar: “Holy shit! En wat nu, Rob?"
Haar meelevende reactie ontlokt me een dankbare glimlach. “De analyse is snel gemaakt, Minne. Mijn actueel budget laat niet toe om me nog een keer onder te dompelen in het wondermiddel van een whiskeybad, en ik zou ook mijn nieuwe vrienden niet voor het hoofd willen stoten. Dus houd ik het bij een nuchtere overweging: het verleden kan ik niet meer veranderen, en de toekomst kan ik niet voorspellen. Blijft er enkel het hier en nu. Vierenvijftig is niet het einde: ik beleef gewoon een soort midlifecrisis, stel ik me voor. Ik ga eerst werk vinden, dan een woning, en intussen solidair met de club van de drank afblijven. Ik weet zeker dat ik dat kan. Doe je mee, Minne?”Vijf
Weer voel ik hoe ze me taxeert. Ze vraagt zich ongetwijfeld af: wat wil die ouwe nu eigenlijk? Meedoen, met wat? Samen stoppen met drinken? Duh! Samen een nestje bouwen? Samen werk vinden? Arme Minne, ik moet haar uit die hersenspinsels verlossen!
“Willen we samen een stukje eten: een boterham met kaas of choco? Meer kan ik niet aanbieden. Of als je liever wil vertrekken, dat staat je uiteraard vrij…” Haar pittige reactie ‘Oh, ja, een boterham!’ brengt ons gesprek terug op neutraler terrein. Ik wijs haar waar de borden staan, en de toespijs, en vraag alles op tafel te zetten, terwijl ik water kook voor de oploskoffie.
Het zwijgend samen eten is een moment van rust. Er hangt geen ongemakkelijke stilte. We kauwen en proeven en laten complexe gedachten even terzijde. Ze eet sneller dan ik, een gewoonte gedicteerd door moeilijke leefomstandigheden, veronderstel ik.
“Ik mag van geluk spreken,” zeg ik tussen twee beten door, “dat ik in deze studio ben terechtgekomen. Op straat leven lijkt me verschrikkelijk. Hoe doe je dat toch?”Minne, een en al branie: “Om in de urban jungle te overleven, moet je vooral beschikken over een zesde zintuig. Je moet kunnen aanvoelen welke plekken en welke mensen je moet mijden. Er lopen daarbuiten veel sukkelaars rond, maar minstens evenveel roofdieren.”
“Vandaar jouw stoere uitstraling: ‘Pas maar op, want ik ben geen sukkel.’ Zoiets?”
Met haar mond vol knort ze: “M-hum.”
“Ik ben vaak een naïeve vent. Ik zou snel in mijn ongeluk lopen. En dan die kou! Hoe doe je dat om warm te blijven en niet ziek te worden?”
The mystery girl geeft niet veel prijs: “Ik heb mijn geheime plekje. Dat valt wel mee wat temperatuur betreft: winter en zomer rond de tien graden. Dat is goed genoeg.”In de stilte die volgt, probeer ik me voor te stellen hoe ik, gepatenteerde koulijder, me zou voelen als dakloze. Miserabel, zeker weten. Mijn empathie zwelt nog wat aan, en tegen beter weten in informeer ik naar Minne’s plannen: “Heb je voor vannacht al een onderkomen? Je sprak deze morgen over een B&B…”
“Nee, ik weet zelden vooraf wat het wordt. Heb ik wat geld, probeer ik een paar bekende adresjes waar ze me niet te vies vinden om me binnen te laten. Lukt dat niet, of ben ik weer eens blut, dan trek ik naar mijn hol onder de grond.”
“Ik wil me zeker niet opdringen, maar als je zin hebt, kan je ook een keertje hier blijven. Je mag ook douchen, als je wil. Zeg het maar.”
Ik zie haar denken. Minne zal zich niet gauw laten vangen door iemand met zoete praatjes. “Oké, deal. Een douchke en een bed, dat kan al eens deugd doen. Mercie. Maar ik durf niet van boven in dat stapelbed: ik heb erge hoogtevrees.”
“Geen probleem, hoor. Ik sleep mijn oude knoken wel naar boven.” Ik geef haar een schone handdoek mee en laat haar de badkamer in. Ik ruim de boel op, doe de overbodige lichten al uit, kleed me om en klauter in bed. Ruim een half uur later komt ze, gewikkeld in de handdoek, de slaapkamer in, doet het licht uit en duikelt onderaan tussen de lakens. “Slaapwel, Rob. En bedankt!”
“Graag gedaan, Minne. Lig je comfortabel?”
“Grapjas! Gij hebt écht geen idee hoe het is om buiten te slapen.”
“Sorry. Nee, inderdaad. Slaapwel.”Ik staar in het donker naar het plafond. En alsof ik tegen mezelf praat, zeg ik luidop: “Ik doe alle moeite om het me voor te stellen, maar het lukt niet. Vooral omdat ik me in die situatie er niet bij zou neerleggen. Begrijp me niet verkeerd: dit is geen kritiek. Ik denk dat ik alles op alles zou zetten om hulp te zoeken, om iemand te vinden die zich voor mij zou willen engageren. Zoek jij dan niet naar zo iemand?”
Het blijft een eeuwigheid stil. Zo lang, dat ik vermoed dat Minne al slaapt. En dan klinkt plotseling haar stem, zacht, broos, zoals ik ze nog niet eerder hoorde: “Er is niemand die mij echt ziet. Het feit went, maar niet het gemis. Soms bedenk ik hem in mijn hoofd — iemand die van me houdt. Het is niet echt – ik weet het wel – maar het voelt alsof hij er wel is. Voel ik me slecht, dan praat ik met hem. Hij zegt niets, maar hij luistert. Hij begrijpt me. Voel ik me gelukkig, dan glimlacht hij. Hij is dan blij voor mij. Ik weet dat het maar een droom is, maar hij maakt mij een beetje minder eenzaam. Hij geeft me hoop…” Even later hoor ik haar zwaar ademen. Zoete dromen, Minne.
Wanneer ik door de eerste zonnestralen word gewekt, duurt het gelukkig slechts luttele seconden voor ik me realiseer dat ik me op twee meter hoogte bevind, en niet naar gewoonte uit bed kan stappen. Heel voorzichtig kijk ik over de rand van het bed of mijn logee nog slaapt, maar beneden ligt het bed er verlaten bij. Ik spits mijn oren naar badkamergeluiden, of andere, maar hoor slechts de ruis van mijn eigen tinnitus. Voorzichtig kom ik het trapje af en speur ik naar leven in mijn studio. Niemand. De teleurstelling is groot. Mijn hart bloedt. Wat had je nu gedacht, ouwe? Dat het lieve meisje hier voor jou een lekker spiegeleitje zou staan bakken? Ik kijk door het raam, hopend haar te zien terugkeren van de winkel met een karton eieren…
Terwijl ik me aankleed, vechten de gedachten in mijn hoofd om aandacht. De ene relativeert het gebeuren – zo’n meisje is immers een free spirit – de andere vindt het maar verdacht – er stiekem onderuit muizen… als ze maar niets mee geritseld heeft… denk aan de kakmadam op de tram! Ik vecht tegen zo'n negatief ballonnetje, maar tegelijk blaast dat zichzelf almaar op tot ik niet anders kan dan gaan inspecteren. Veel spullen om na te kijken heb ik niet en al gauw is het duidelijk: mijn laptop is spoorloos. “Shit!”
Zes
Ik blijf nog een hele tijd zoeken, ook al weet ik precies waar mijn laptop lag. Ik staar meerdere keren naar de lege plek en hoop telkens dat hij daar toch ligt, alsof dit allemaal een misverstand is. Maar dat is het niet. Minne weg, laptop weg. Met daarin mijn werk, mijn contacten, mijn toekomst. Mijn adem stokt, mijn borst is dichtgesnoerd.
Een single malt scotch zou me nu wel smaken! Ik schrik van het idee. Dit is precies waar AA-voorzitter Dieter voor waarschuwde: emotionele stress als trigger. Ik duw het drankidee uit beeld en focus me weer op het gebeurde.
Waarom? Hoe naïef weer dat ik dit niet heb zien aankomen? Ik spoel de film van gisteren terug en langzaam dringt het door. Haar houding, haar stem, haar lach, haar eerlijkheid… ze straalde ‘vertrouwen’ uit. En ik, ik voelde me als een verliefde puppy, alsof haar aanwezigheid normaal was. Het leeftijdsverschil had ik onbewust even tussen haakjes gezet. Ik zou haar vader kunnen zijn, verdomme. Onnozelaar! Bovendien was ze niet eens mijn type, met die afschuwelijke piercings, zwarte kleding en spookachtige make-up.
Verraad proeft bitter, met een nasmaak van schaamte. Hoe kon ik zo blind zijn? En terwijl ik haat verwacht, voel ik apathie. Geen hoogoplaaiend vuur, maar een bevroren niets. Geen pijn, maar gevoelloosheid.
Het is te zot voor woorden, maar deze diefstal doet mijn libido ineenzakken als een pudding. Er was ook nooit een wederkerigheid van gevoelens. Het gekke is: ik mis haar niet, ik mis de verbinding, ik mis mezelf — de versie van mij die dacht dat hij weer jong en verliefd kon zijn.
Ik neem een douche om alle dwaze gedachten en pijnlijke gevoelens van mij af te spoelen. Terwijl ik me aankleed – verfrist van leden en rede – maak ik een plan van aanpak. Minne gaan zoeken heeft geen zin; ik zou niet weten waar te beginnen. Dat ze mijn laptop zou bijhouden om te gebruiken is uitgesloten: zonder paswoord kan ze die zelfs niet opstarten. Dus, te gelde maken dan maar?
Twee mogelijke pistes. Of ze zoekt de louche gasten op die interesse hebben, zowel in mijn high-end laptop als in de creditcard van de madam, en dan ben ik echt alles kwijt. Of ze levert mijn computer in bij een pandjeshuis en is tevreden met een percentage van de waarde. En dan heb ik nog een kans om alles te recupereren. Bingo!
Na wat googelen vind ik twee pandjeshuizen in de stad. Helaas heeft noch bij de Berg Van Barmhartigheid, noch bij de Prestige & Posh Pawn, iemand een laptop binnengebracht. Vermoedelijk reageer ik te vroeg. Voor de zekerheid heb ik beide uitbaters van de feiten op de hoogte gebracht. Ik heb de belangrijkste technische specificaties opgegeven, en de op het deksel niet te missen sticker van de Mirage V - Belgian Air Force. Ook mijn contactgegevens heb ik achtergelaten.
Wat nu? Wachten! Wachten tot Minne tot inkeer komt en braaf mijn bezit komt terugbrengen. Misschien is het haar helemaal niet om het geld te doen, maar wil ze mij op de proef stellen, of zo. Yeah, right! Keep on dreaming, Rob..
Beter wachten tot een van de pandjeshuizen alarm slaat. Een waterkansje.
Of wachten tot de AA-meeting van volgende week, in de hoop dat Minne daar zou opdagen. Zou ze durven? Vergeet het maar.Ik doe alsof ik dringend wat frisse buitenlucht nodig heb. Ik passeer geheel toevallig langs restaurant Cucina Felice, flaneer tersluiks langs een paar drukke tramhaltes en loop verder doelloos door de binnenstad.
Zo’n ‘blauw kopje’ moet in de mensenmassa toch opvallen, niet?
Zeven
Mijn urban cruise duurt nu al drie uur. Mijn vermoeide benen klagen, mijn lege maag zeurt, een energietankbeurt dringt zich op. Ik heb zin in een omelet en een koffie, installeer me op het terras van een bistro en bestel. De geuren die uit de keuken komen aanwaaien, kikkeren mij al op. Terwijl ik zit te smullen van dit eenvoudige maal, begin ik mentaal te borduren op het thema “zin”.
Wat is de zin van deze jacht op de spookachtige Minne? De vraag stellen, is de vraag beantwoorden. En de sierlijke borduursteken leiden me verder. Wat is de zin van al die gegevens, e-mails en adressen in de laptop? Ben ik dat businessmilieu al niet lang zat? Is mijn beoogde come-back geen illusie? Ten slotte kom ik bij de vraag naar de zin van mijn leven…Twee luidruchtige tieners ploffen neer aan het tafeltje naast me. Zij vertelt opgewonden hoe ze de lerares wijsmaakte dat ze een afspraak bij de tandarts had. Hij pocht dat hij dezelfde leraar voor de tweede keer deed geloven dat zijn oma op sterven ligt en hij dus direct naar huis moet. Ze gieren van het lachen en bestellen fruitsapjes.
Zonder het te beseffen, geven deze jongeren de oude man een levensles: het leven is een avontuur. Blijf niet opgesloten zitten in je eigen wereldje wanneer er zoveel te zien, te beluisteren, te proeven, te lachen en te doen is. De mogelijkheden zijn eindeloos. De zin van het leven is niet een carrière uitbouwen, of een huis groter verbouwen, of een aandelenportefeuille opbouwen; dat alles is zelfbedrog. Lieg tegen je leerkracht en ga met je lief op een terrasje zitten, dàt is pas zinvol. Je verzamelt heerlijke herinneringen om later, als je oud en moe bent, op terug te kijken met een glimlach.
"Laat me toch eens uitspreken. Hoe kan ik het nu uitleggen, ge onderbreekt me voortdurend. O, omdat ik dat ook doe? Dat kan, sorry. Maar laat me nu eerst zeggen wat er gebeurd is, en waarom..."
Best grappig eigenlijk, die aanschouwelijke les: ze lachen, ze maken ruzie, ze leggen het bij, en nu gaan ze zoenen. Ik ben op deze onbezorgde jeugd gezond jaloers. Maar niet afgunstig.
Wanneer de donkere wolken de eerste druppels laten vallen, opent de dienster de luifel. Op straat gaan alle paraplu’s open. Plotseling merk ik aan de overzijde een knalrood, hartvormig exemplaar op. Mijn hart slaat een slag over. Ik leg een briefje van twintig naast mijn bord en spurt weg.
Fel gehinderd door dat regiment regenschermen raak ik maar moeizaam dichterbij. De regen houdt zich niet meer in en ik voel de waterstraaltjes via mijn nek mijn hemd inlopen. Nog slechts enkele meters ben ik van mijn doelwit vandaan. “Minne!” roep ik, “Minne”. Geen reactie, maar ik ben nu vlakbij. Ik strek mijn arm en grijp haar bij de schouder: “Hé, Minne… O, mijn excuses, ik zag u voor iemand anders aan. Neem me niet kwalijk.”Oké, ik heb me vergist. Kan gebeuren. Ze had het kunnen zijn. Ze had toch ook zo'n parapluutje… Nee, Rob, dat heeft ze niet meer, want dat gaf ze weg, en dat, terwijl jij erbij stond, nota bene! Soms vraag ik me af of ik lijd aan jongdementie. Doorweekt beslis ik huiswaarts te keren.
De regen stopt. De regenschermen verdwijnen uit het zicht. En voor mij, een honderd meter voor mij, gaat er een blauw kopje op en neer op cadans. Hou je in, Rob. Er zijn zeker nog meisjes die hun haar blauw verven. De kans dat dit Minne is, is zeer klein: grote stad, veel mensen. Vergeet het.
Ik probeer écht om redelijk te zijn en niet impulsief te reageren op eender welke provocatie. Mijn hoofd houdt de verleiding op afstand, maar mijn benen gaan steeds sneller. Wanneer het aantrekkelijke aas de ingang van de metro binnengaat, laat ik mijn remmen los. Het is enorm druk, en op de roltrap krijg ik niet de gelegenheid om de andere reizigers voor te steken. Gefrustreerd zie ik het blauwe kopje inmiddels via een andere roltrap nog een verdieping verder dalen naar een andere lijn. Nu ze uit het zicht is verdwenen, moet ik me concentreren om door de massa de juiste weg te kiezen. Wanneer ik beneden op het laagste perron aankom, zoek ik tussen de honderden koppen paniekerig naar Minne: ze is niet links, niet rechts. Verdomme! Misschien op het achterliggende perron dat de andere rijrichting bedient… niet links, niet rechts. Hoe kan dat nu? Ze kan toch niet in rook opgegaan zijn!
Dan, helemaal aan het eind van het perron, zag ik net, dacht ik te zien, dat er iemand, een donker figuurtje, een onooglijk ineengedoken figuurtje, voorbij het bord Verboden doorgang, wegsloop. Heb ik dat echt gezien, of gedroomd? Ik ben niet meer zeker van de objectiviteit van mijn zintuigen. Ik wring mij tussen de stugge, muffe jassen door tot aan de rand van het perron en priem mijn blik in het duister. Gehinderd door het felle licht boven onze hoofden kan ik in het zwarte gat van de tunnelpijp niet meer onderscheiden dan de vervagende tramsporen.
In mijn hoofd klinkt Minne’s stem: “… ben ik weer eens blut, dan trek ik naar mijn hol onder de grond”. Langzaam maar zeker ben ik ervan overtuigd dat haar schuilplaats binnen handbereik ligt.
Acht
Ik sta samen met een paar honderd mensen te wachten op de volgende tram. Schoorvoetend, met telkens een paar onschuldige passen, schuif ik op richting het einde van het platform. Ik voel me bekeken. Het is alsof iedereen doorheeft wat ik van plan ben.
De metrotram komt met piepende remmen tot stilstand. De inzittenden worstelen zich naar buiten en de wachtenden wringen zich naar binnen. Als het gevecht beslecht is, gaan de deuren dicht en het voertuig dondert de pijp in. Heel even is het perron leeg. Hier heb ik op gewacht om ongemerkt in de tunnel te kunnen glippen. Voorbij het verbodsbord moet ik even halt houden om mijn ogen te laten wennen aan het duister en mijn neus aan de geurmengeling van smeerolie en vet, van stof en vuil, en wellicht van rottend ongedierte dat werd aangereden of overreden.
Ik loop over een smalle dorpel die naast het spoor loopt. Het tocht hier verschrikkelijk, net een windtunnel. Mijn natgeregende jas beschermt me amper, waardoor ik de ene koude rilling na de andere over me heen krijg.
Een gat in het beton zie ik te laat. Ik struikel. Ik val van de dorpel een meter naar omlaag en stoot mijn knie keihard tegen de tramrail. De pijnscheut is des duivels. Wanneer ik recht krabbel, kan ik nauwelijks nog op dat been staan. En hoe geraak ik nu terug op die stomme dorpel? Ik probeer zus, ik probeer zo, maar door de helse kniepijn kan ik geen kracht zetten. Ik maan mezelf tot kalmte en overweeg mijn opties om dit ongemakje op te lossen.
Ik hoor de piepende remmen van de volgende metrotram die halthoudt in het station waar ik vandaan kom. Ik heb dus nog amper een minuut om de rails vrij te maken… Met mijn tanden op elkaar geperst houd ik mijn rauwe schreeuw binnensmonds, wanneer ik in een uiterste inspanning op de dorpel klauter. Uitgeput lig ik languit tegen de kant. De tram raast rakelings aan me voorbij. Dat was nipt. Ik geraak uiteindelijk recht en strompel verder op zoek naar de schuilplaats van Minne.
Hier en daar is er een kleine inham, maar die is meestal in beslag genomen door een of andere installatie voor stroomvoorziening of signalisatie. Te klein om een mens te herbergen. Wanneer ik aan een wat ruimere inham kom, krijg ik de indruk dat het hol vrij groot moet zijn. Compleet in het donker kan ik niet zien tot waar dit gaat. Me erin begeven, op de tast, is niet verantwoord. Ik meen wel geritsel te horen. “Minne?” Ik luister met gespitste oren: weer geschuifel. “Minne, ik ben het, Rob. Kom naar buiten. Verlaat dit onmenselijk hol. Alsjeblieft. Kom mee met mij. Minne?”
Ik hoor nu duidelijk dat ze zich verplaatst. Geen idee of ze naar me toekomt of van me wegkruipt. “Minne? Ik weet van de laptop, maar dat is niet erg, ik ben niet boos. Er zijn belangrijkere dingen in het leven. Begrijp me niet verkeerd: als je mijn computer hier nog hebt, wil ik die wel graag terug. Maar veel belangrijker is dat jij hier weg kan, dat er een alternatief voor je is. Laat dit de bevrijding zijn! Minne? Laat me jou in mijn armen houden. Jij bent mijn droom.”
“Als gij niet rap maakt dat ge hier uitkomt, dan zal ik uw nachtmerrie zijn. Hebt ge dat goed begrepen, idioot!”
Achter mij klinkt een bulderstem die meent dat ik hier niets te zoeken heb. Voorzichtig schuifel ik terug uit het gat en sta oog in oog met een compleet ontvangstcomité: de forsgebouwde werkman klauwt me vast bij de arm, en duwt me wat naar voren. Hij toont zijn vangst aan de twee politieagenten en een controleur van de tramdienst. Die laatste snauwt mij toe: “Hé wel! Wat doet gij hier? Dat bord 'Verboden toegang', dat had gij zeker niet gezien? Of dacht ge dat dat versiering is? Die grap gaat u ne serieuze cent kosten, hoor vriend! Komt nu maar van die dorpel, met ons mee naar het bureau.”
“Wacht!” zeg ik, terwijl ik beide handen in de lucht steek om te vermijden dat de agenten zouden schieten. “Ik vertrek hier niet zonder mijn vriendin.”
De controleur schrikt zich een bult: “Wat? Uw vriendin? Is hier nog iemand dan? Op de camerabeelden heb ik niet gezien dat ge met twee zijt.”De reus naast mij lost zijn greep, neemt zijn zaklamp en schijnt in het hol. Enkele verblinde ratten vluchten weg. Ik staar vol ongeloof in de leegte.
“Ik denk dat meneer hier nog altijd in zijn droom zit,” stelt hij zijn baas al lachend gerust.
“Allez, hup. Want hoe langer al die metrostellen moeten wachten, hoe gepeperder uw rekening zal zijn. Dat snapt ge wel zeker?”De tocht naar het station over de dwarsliggers heb ik al hinkelend afgelegd om mijn gekwetste knie te sparen. Honderden boze passagiers staren mij aan. De eveneens opgeroepen ambulanciers stellen een gebroken knieschijf vast en nemen mij mee. Een rit met sirene naar het ziekenhuis bespaart me een kruisverhoor door de bende van vier die mij had opgevist.
Nu lig ik vastgepind, bevrijd van mijn vieze kleding, schoon gewassen en gespalkt, boven op een ziekenhuisbed, met een been in de lucht om de zwelling tegen te gaan. Mijn kamergenoot is een jonge bouwvakker die van zijn ladder is gevallen. Veel spraak heb ik er niet aan, want hij spreekt enkel Roemeens en iets dat men 'Roem-Engels' zou kunnen noemen, maar dat ook niet te begrijpen valt.
O ja, en hij heeft diverse piercings en tattoos. Wat mijn gedachten uiteraard richting Minne voert…Negen
Wanneer ik met mijn krukken het zaaltje van Leo XIII binnenwaggel, komen direct twee deelnemers me tegemoet om te helpen. Zodra ik in de kring zit, kijk ik schuw om me heen en knik vriendelijk naar iedereen, want alle ogen zijn vanzelfsprekend op mijn gestuntel gericht. Wat ik vreesde, wordt bewaarheid: geen Minne te zien. Al die moeite om tot hier op de AA-meeting te geraken voor niets.
De gesprekjes vallen stil. Dieter heeft zijn Big Boek al vast voor de lezing. Achter mij hoor ik de piepende deur opengaan. Dieter kijkt op en zegt: “Dag Minne, welkom. Zet je er gauw bij. We gingen net beginnen.”
Mijn bloed raast door mijn aderen. Minne ziet er stralend uit, ontspannen. Zodra ze neerzit, kijkt ze vluchtig naar alle gezichten, waarbij ze enkel voor mij een korte glimlach tevoorschijn tovert. Is dit een goed teken?Terwijl Dieter weer zijn beste beentje voorzet, bestudeer ik Minne. Ik tracht haar te lezen, zoals een therapeut zou doen, maar een Egyptische sfinx zou meer gevoelens laten zien. Mijn hoofd en mijn hart kibbelen over hoe ik haar tijdens de pauze zal aanspreken, wat ik haar moet vertellen, of verwijten, welke strategie het meest productief zou kunnen zijn om zowel mijn computer terug te winnen, als haar hart… Ik ben er nog steeds niet uit, wanneer de koffie wordt geschonken. Het is een hele acrobatie om van de stoel op te staan en de krukken goed te positioneren. Verschillende handen helpen me om mijn evenwicht te vinden. Aan een van die handen herken ik de ring met de doodskop en de ring met de zwarte steen.
Minne kijkt me warm aan en mijn hart smelt. Mijn hoofd, de verwijten paraat, is al schaakmat. “Wat hebt ge voorgehad, Rob?” vraagt ze poeslief.
“Gevallen…, toen ik mijn laptop probeerde te recupereren.” Ik zeg het zo neutraal mogelijk, en bestudeer nauwkeurig elk onderhuids spiertje van haar gezicht dat mogelijk een leugen zou verraden. Pokerface.
“Oei, wat erg. En daardoor een been gebroken, zie ik.”
“Knieschijf,” verbeter ik.
“Ai, nog erger. Enfin, dat denk ik. Zoiets is me gelukkig nog nooit overkomen. Ge hebt nu nog heel veel pijn waarschijnlijk?”
“Nee, waarom denk je dat?”
“Omdat ge nogal kortaf zijt. De vorige week vond ik ons Robke veel vlotter.”Nu gaat ze te ver met haar toneelopvoering. De onschuld in persoon!
“Heb ik dan geen reden om wat ontstemd te zijn, Minne? De manier waarop je toen bent vertrokken … en waarmee je bent vertrokken?”Door mijn stemverheffing vallen de anderen stil. Alle aandacht gaat plots naar het escalerende onderonsje.
“Ik weet echt niet wat gij bedoelt. Ik heb u rustig laten slapen en ben stilletjes vertrokken met enkel mijn eigen spullen. Wat zou ik met uw dingen moeten aanvangen?”
“Dat is dan wel een heel groot toeval, dat sindsdien mijn laptop onvindbaar is. We hadden er ’s avonds samen naar zitten luisteren. Ik ben niet zo stom als die kakmadam, hoor!”“Excuseer, lieve mensen, we zijn hier om elkaar te ondersteunen, niet om elkaar te bekritiseren.” Met zijn kalme, gelijkmatige stem tracht Dieter het brandje te blussen.
Minne, gekwetst, gooit nog wat olie op het vuur: “En we zijn hier ook ni om elkaar vals te beschuldigen!”.
Ik wil onmiddellijk fors reageren, maar Dieter neemt mijn hand vast en legt die op mijn borst: “Ik merk dat de spanning stijgt. Laten we allemaal even onze ogen sluiten, een diepe ademhaling nemen, even vasthouden, en dan langzaam uitademen. We herhalen dit drie keer…”“Dank jullie wel. Dat voelt al iets rustiger, toch? Laten we nu verdergaan.”
De rest van de sessie zit ik afwezig te kniezen. Verdomme, heb ik me toch laten gaan. Ik wilde haar met genegenheid ertoe overhalen om mijn laptop terug te geven. Met heel die komedie ben ik nu verder van mijn doel. Maar, stel… Stel nu eens dat ze het écht niet gedaan heeft. Met mijn beschuldiging kan ik een nieuwe toenadering wel vergeten.
En waar is dan mijn laptop naartoe? Gaan vliegen? Als zij het écht niet heeft gedaan… dan… ja, dan. Dan wat? Of liever, dan wie?
Tien
“Hoi, Simon. Hoe gaat-ie? Leuk je nog eens over de vloer te hebben. Ik heb de laatste hoofdstukken van je ‘Rob en Minne’ gelezen: prima spul, hoor. Potentieel goudmijntje, als je het mij vraagt. En? Ik neem aan dat je het slot bij je hebt?”
Simon zakt nog wat dieper weg in de ongemakkelijke, hippe chaise-longue. Zoals steeds staat Helga, zijn begeleidende eindredacteur, onder hoogspanning. Ze is hem té energiek, té vermoeiend en voor zijn gevoel vooral te weinig empathisch naar haar auteurs toe.
“Het lukt me niet, Helga. Ik zit vast. Ik weet me geen raad met het vervolg, of met het einde van deze novelle. Pfff.”
“Kom op, zeg! Je gaat me toch niet in de steek laten: we hebben een deadline te halen voor de pitch aan de boekhandels! Hallooo!”
“Misschien moeten we de presentatie gewoon even uitstellen. Dat is toch niet erg?”
“Niet erg? Man, jij hebt geen idee hoe wij redacteuren onder druk staan van de directie! Uitstel? Vergeet het maar. Dat valt hier in huis op de hoogste verdieping niet te negotiëren. No way! Jij gaat nu naar huis en aan het werk, sito presto, of hoe zeggen jullie dat in Vlaanderen?
Nee Simon, geen geintjes nu. Je gaat straks braaf aan je schrijftafeltje zitten, en je stuurt mij ten laatste morgenvroeg het slot door. Maak er nog wat leuks van: laat Rob Minne vermoorden, of omgekeerd. Verzin maar wat. Maar laat in godsnaam niet de poetsvrouw die laptop onder de bank vinden. Haha. Run, Simon. Run! Je moest al weg zijn. Doei!”In de trein van Amsterdam naar Antwerpen pijnigt Simon Colman zijn hersens. Die uitgeverijen hebben geen benul wat creatief werken is. Als ervaren schrijver zou hij makkelijk een epiloog met een opzienbarend orgelpunt kunnen componeren, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de innerlijke beleving, the inner experience, maar dat snappen Helga en haar commerciële kompanen niet.
Simon knijpt zenuwachtig in zijn handen terwijl zijn gedachten revolteren. Als schrijver ben je met hart en ziel betrokken bij je personages. Het is familie. Het zijn je geliefden. Die laat je niet zomaar voor de leukigheid elkaar van kant maken! Toch zeker Rob en Minne niet. Heeft dat vrouwmens dan niet door dat mijn protagonisten, ondanks alles, naar elkaar toe zijn gegroeid? Dat er iets bijzonders in de lucht hangt. Dat een ordinaire moord het voorzichtig opgebouwde luchtkasteel zou laten instorten. Dat gaat niet gebeuren. “Geen denken aan, Helga!”
Dat laatste zinnetje heeft hij niet enkel gedacht, maar onbewust luidop uitgesproken. Simon schrikt er zelf van. De oude dame tegenover hem lacht hem minzaam toe: “Liefdesperikelen?” informeert ze voorzichtig.
Simon schudt van nee. Hij heeft geen zin om zijn gal te spuwen en zwijgt. Onverwacht, na een veel te lange stilte, reageert hij alsnog: “Een vriend van mij heeft zijn vriendin van diefstal beschuldigd. Blijkbaar ten onrechte. Geen van beiden weet een gepaste uitweg. En ik kan niet beslissen om te bemiddelen voor een verzoening of voor een scheiding.”“Ik neem aan dat jouw vrienden, zoals jij, nog erg jong zijn. Dan is liefde vuurwerk, vlinders in de buik, het schudt alles door elkaar, gaat aan en uit, het laat je niet met rust. Met weemoed denk ik daaraan terug, aan de romantische gebaren, aan de verrassingen. Als je samen wat wil opbouwen, moet een misverstand direct worden opgeruimd, en dat kan enkel met vertrouwen. Als je vol vertrouwen bent, kijk je anders naar elkaar, voel je elkaars vermoeidheid, elkaars pijn, elkaars verlangen. Als je dat deelt, dan kan je verder. Een leven lang. Maar, is er wantrouwen in het spel, dan zet je er beter een punt achter. Mijn bescheiden mening. Voor wat het waard is.”
Simon is onder de indruk: “Dat heeft u mooi verwoord, mevrouw. Geldt het nog voor uzelf ook?”
“Na zevenenvijftig jaar huwelijk is de liefde anders, jongeman. In dit stadium bestaat het liefhebben meer uit rituelen, kleine dagelijkse dingen die je voor elkaar doet. Je kijkt naar elkaar en hanteert een soort geheimtaal die niemand anders begrijpt. Dat is nog steeds liefde, maar niet zoals vroeger.”
De trein mindert vaart en rijdt het centraal station binnen. Simon steekt zijn hand uit en bedankt de dame voor haar wijze woorden. Ze pakt zijn hand aan, houdt die even vast, kijkt hem diep in de ogen en rondt het gesprek af: “Ik hoop oprecht dat je vrienden er wat aan hebben.”
Haar pretoogjes verraden dat ze er het hare over denkt.Elf
Dieter sluit de zitting af met zijn klassieker ”Hou wat je hebt door te geven wat je hebt gekregen. Blijf nuchter, vrienden! En blijf terugkomen, het werkt als je eraan werkt.” Tevergeefs zoek ik oogcontact, maar Minne trekt haar jas aan zonder op of om te kijken. Ze stevent op de uitgang af, terwijl ik met mijn krukken onhandig achtervolgen moet. Een van de deelneemsters houdt haar bij de deur op en wijst haar op mijn komst.
Minne blijft wachten tot ik bij haar ben, de lippen op elkaar geperst, alsof ze enkele onaangename opmerkingen voorlopig wil binnenhouden. Alvast een goed begin.
“Minne, mag ik asjeblieft iets belangrijks zeggen? Mijn beschuldiging was ongegrond. Het spijt me zeer. Ik ben ervan overtuigd dat ik fout was. Ik heb jouw eerlijkheid in twijfel getrokken en je erg gekwetst. Toen ik wakker werd en jij verdwenen was, en mijn computer ook, heb ik gehandeld uit frustratie. Ik heb jou zonder nadenken veroordeeld. Ik voel me rot hierover en hoop dat je me nog een kans wil geven om het recht te zetten. Alsjeblieft.”
Ze kijkt me doordringend aan, wikt en weegt, laat me met plezier wat staan sudderen, en zegt dan: “Ik heb honger. Gij moogt deze keer trakteren.”
Catarina van Cucina Felice is blij verrast om ons weer te zien. Minne kijkt geamuseerd toe hoe ik mijn jas en mijn krukken aan de kapstok hang en naar ons tafeltje huppel. “Zeg nu es eerlijk wat gij hebt voorgehad.”
Ik twijfel om het op te biechten, maar besef dat er zonder eerlijk antwoord, van vertrouwen niets in huis komt. “Oké, maar me niet uitlachen dan. Ik ben in de tunnelpijp van de metro op de rails gevallen.”
Haar mond valt open: “In de tunnelpijp? Wat deed gij dààr?”
“Ik kwam jou zoeken. Ik dacht, toen je sprak van ‘mijn hol onder de grond', dat je bedoelde dat je in de metro een verborgen slaapplek had. Idioot idee, ik weet het.”
“Gij zijt inderdaad goed zot. Wie doet nu zoiets? Allez, ge kunt met die brace – of hoe heet dat ding – nog zes weken van die stommiteit nagenieten. Man, man, man!”
“Dat heb je mis: de gevolgen draag ik nog heel wat langer mee. Door mijn schuld hebben twintig tramstellen gedurende een half uur stilgestaan: dat zijn zeshonderd verloren minuten. Daar bestaan tarieven voor. Daarbij komt nog een bedrag voor de misgelopen inkomsten. En dan de politie, die heeft een PV opgemaakt wegens moedwillige belemmering van het verkeer: de rechtbank zal de passende geldboete bepalen. En dan is er nog de retributie voor de ziekenwagen van de brandweer. Mijn schuldbemiddelaar viel van zijn stoel toen hij dat alles aanhoorde. Hij schat dat deze grap mij tussen de vijf en de tienduizend euro gaat kosten. Ik ga hier dus eerder nog zes jaar dan zes maanden van kunnen nagenieten.”Minne houdt haar hoofd schuin: “Oooh, Rob. En dat allemaal om mij te komen zoeken. Oooh, dat vind ik zó lief.” Ik knik instemmend. Vederlicht legt ze haar hand op de mijne. Dit is te mooi om waar te zijn.
Plots trekt ze haar hand terug en roept: “Héla, gij absjaar! Gij kwam niet voor mij, gij kwam die laptop zoeken. Verdomme! Ge had me bijna rond uw vinger gedraaid met dat schoon sprookske.”
“Nee, Minne, nee. Ik begrijp dat je aan me twijfelt, dat kan ik je niet kwalijk nemen. Maar het ging mij toen niet meer om die computer; die kon me gestolen worden. Ik was op zoek naar jou. Ik wilde jou terugvinden. Ik wilde, nee, ik wíl jou in mijn leven. Geloof me nu toch. Mijn gevoelens zijn oprecht. Ik ben heel eerlijk.”
Minne heeft haar stekels opgezet. Ze luistert nog wel, maar gelooft er geen woord van. “Ik heb al veel gasten enorme beloftes horen maken. En als ze dan een toffere griet tegenkomen, dan zien ze mij niet meer staan.”
“Minne, zo ben ik niet. Dat weet je toch. Dat voel je toch. Ik meen het. Ik zie je graag!”
Minne zegt niets. Ze kijkt stuurs voor zich uit. Ze heeft haar besluit genomen. Ze staat op, grijpt haar jas en haar tas.
Ik doe nog een vruchteloze poging: “Minne, alsjeblieft, lieve Minne…”
Ze steekt haar hand op bij wijze van groet naar een paar oude bekenden en vertrekt.
Catarina komt mijn bestelling opnemen. “Heb je whisky in huis? Nee. Duvel misschien? Oké, een Duvel dan.”
Op één Duvel kan je niet staan. En een driepikkel is niet zo stabiel als een viervoeter...
Ik herinner me niet hoeveel ik er op had, noch wanneer ze me hebben buitengezet, maar als ik wakker word, lig ik op een straatbank recht voor de Cucina. En ik heb dorst.EINDE.
Rene Jochems.
Kontich, 14 januari 2026.