Een excuusbrief die nooit ter bestemming kwam.

   

  1. Koffie.

“Please, doe alsof je mijn vriendje bent! Please!” Ik kijk naar het meisje dat plotseling aan mijn arm hangt. Een smekende blik, een aangezicht voor een podiumplaats op een Miss-verkiezing, een bedwelmend oosters parfum… mijn brein blokkeert.

Ze sleurt me een koffiebar in. Het is er reuzedruk. Enkel aan de toog nog twee zitjes vrij. Ze bestelt meteen twee koffies en klimt op de hoge kruk. Ze trekt me aan mijn arm om ook te gaan zitten. Angstvallig houdt ze de deur in de gaten en de passanten in de winkelstraat.

Er hangt gevaar in de lucht en mijn hersens schieten in overdrive. Waar laat ik mij nu in hemelsnaam in meeslepen? Dit kan enkel uitdraaien op problemen met een vader, een broer of een afgewezen vriendje? Nadenken kost me de grootste moeite door het rumoer van al die koffieklatsers.

Plotseling zie ik een blonde, blozende jongeman binnenstappen. Hij blijft staan bij de deur, kijkt teleurgesteld in het rond. In een impuls wenk ik hem, sta op, wijs naar mijn plaats en knik hem bevestigend toe. Hij komt aarzelend onze kant uit. “Jouw koffie komt zo, en hij is gratis,” zegt ik. De verwondering op zijn gezicht maakt plaats voor vrolijkheid en zijn brede lach toont een rij gezonde Hollandse tanden. “Nou, hartstikke bedankt, man.” Nauwelijks bekomen van de onverwachte tractatie, kijkt hij ongelovig naar de schoonheid waar hij naast mag gaan zitten: zijn dag kan niet meer stuk. Het meisje begrijpt kennelijk niet wat er gaande is.

Ik leg een briefje van twintig op de toonbank en neem de benen. Zonder op of om te kijken loop ik naar de dichtstbijzijnde tramhalte. Mijn shoppingplan berg ik op voor later. Stilaan drijven de doemgedachten uit mijn hoofd. Het begint zachtjes te miezeren.

 

  1. Thee.

Ik zit aan mijn keukentafel, roer in mijn Darjeeling en volg daarbuiten de langzaam zinkende rode zon. Op de radio opent het nieuwsbericht met een driedubbele moord in een koffiebar in de winkelstraat.

Wat? Oh nee! Een intense beroering overvalt me. Meteen heb ik spanningshoofdpijn door ongeloof, boosheid, schuldgevoel, angst. Ik voel ineens een totale lichamelijke uitputting, een knoop in mijn maag, misselijkheid. Ik vlucht naar het toilet en braak mijn avondeten uit.

Rugpijn, spierpijn, hartkloppingen. Ik lig op bed en staar in de schemering naar het plafond. De herinnering aan mijn belevenis van deze namiddag met dat meisje, die jongen en de ober, wordt ineens aangevuld met informatie van het onwerkelijke nieuwsbericht. Het drama blijft in mijn doffe kop nazinderen. “Een meisje uit Borgerhout had tegen de familiale beslissing in een gearrangeerd huwelijk geweigerd en was weggelopen”… Ze was oogverblindend mooi, en of ze gelijk had!

“Haar broers zetten de achtervolging in. Bij Mokka Coffee Roasters vonden ze haar in gezelschap van een jongeman uit Breda. De broers openden onmiddellijk het vuur. Daarbij kwam het koppel om.” Wat? Wat zei je? Het koppel? Ben jij een helderziende journalist?

“De barista, een jongeman uit Wommelgem, werd zwaar gewond. Hij overleed aan zijn verwondingen op weg naar het ziekenhuis. De beide broers gaven zich gewillig over aan de politie.” De laffe beesten!

Elk bericht dat verschijnt in kranten, tijdschriften of online doorzoek ik om meer te vernemen over het moordonderzoek en de betrokkenen. Veel wijzer word ik daar niet van, behalve dat het gaat om Aisha L., de barista Frederik H. en de Bredase Hanno D. De broers Asif en Amin L. zijn in voorlopige hechtenis. Morgenvroeg verschijnen ze voor de onderzoeksrechter.

Mijn bescheiden geluksgevoel ontsnapt te zijn aan een zekere dood wordt overschaduwd door verdriet en schuldbesef. Ik heb die brave Hanno de dood ingejaagd. Dat was mijn plek, ik zat daar! Hij accepteerde mijn invitatie en liep regelrecht zijn graf in. Mea culpa.

Arme Aisha. Haar prille leven werd ingeruild voor de reputatie van godsdienstfanatici. Dat is de prijs die waanzinnige religieuze dogma’s blijkbaar van hun gelovigen durven eisen.

En Frederik, de jonge ondernemer: hij was op de verkeerde plek op het verkeerde moment. Een verdwaalde of afgeketste kogel. Het onrecht en de onverschilligheid van het lot maken me woest en triest tegelijk.

Het effect van dit gebeuren is niet enkel emotioneel maar ook fysiek. Het is een zwarte steen in mijn borstkas. Hoewel ik winnaar ben van deze fucking loterij voel ik me als een vierde slachtoffer. Ik zit voortaan gevangen met een eeuwige schuld... Ach man, hou toch op met dat gezever! Ik zou me moeten schamen voor dit ongepaste zelfmedelijden. Ik ben moe.

In de donkere kamer springen rode en blauwe lichten van een voorbijrazende ziekenwagen over het plafond. Tevergeefs lig ik te wachten op de slaap…

 

  1. Duvel.

Om uit mijn bubbel van lusteloosheid, vermoeidheid en passiviteit te komen, heb ik me ingeschreven voor een bijscholing management. Als kleine zelfstandige copywriter opboksen tegen de grote jongens valt echt niet mee. Vandaar. Maar, foute zet. Ik voel me verloren tussen al die opgewekte en opgefokte lui.

De lesgever is duidelijk een zweverig sprookjesverteller, en zijn inleiding voorspelt niet veel soeps: “Oké. Je wil meer werk krijgen ook al slabakt de economie. Eerste adagium: niet in paniek raken. Als jij de spoeddienst van het ziekenhuis binnenstrompelt, vraagt de verpleegster je: “Wat is er aan de hand?” Jij antwoordt: “De zaken gaan slecht. Mijn bankrekening slinkt. Ik heb meer klanten en projecten nodig. En ik heb ze nù nodig!” De verpleegster reageert begripvol: “Ik zal zo snel mogelijk een arts naar je laten kijken.”

Wat een onzin. Voor ik het goed besef heb ik afgehaakt. Ik zit nog wel in de aula in zo’n te krap lessenaartje, maar ik hoor niets meer van zijn managementtips. Na zijn eerste adagium was mijn aandacht reeds elders. “Niet in paniek raken”, is erg toepasselijk op mij, want de sombere gedachten in mijn hoofd zijn er wel naar. Stel je voor, dat bij het verhoor van de getuigen van de moordaanslag, iemand de rechercheur heeft verteld dat er een andere man bij Aisha was toen ze de koffiebar binnenkwam. “Hij was vrij lang, niet dik, zwart krullend haar, een modieuze stoppelbaard, kleding ‘casual chic’ met wit t-shirt, jeans en leren jasje… Blijkbaar ook een kennis van Hanno, want toen die binnenkwam zwaaide hij ernaar, dwong Hanno op zijn plaats te gaan zitten en ging er dan als de bliksem vandoor. Twee minuten later gebeurde het drama. Vreemd, toch? Vindt u niet, agent?”

Eerste adagium: niet in paniek raken. Pfff. Ik doe een nieuwe poging om bij de les te blijven. “Hoe als creatief en zelfsturend ondernemer de aankomende challenges in een altijd veranderende markt best aan te vliegen? Om tot quick wins te komen die je als benchmark kunt meenemen naar de toekomst toe moet je je brand identity proactief en impactvol omzetten in best practices.”

Ik denk: “Man, man, laat maar zitten,” en pak in stilte mijn spullen bij elkaar. Ik kijk naar het verbaasde gezicht van de lesgever en knik hem toe met mijn allervriendelijkste, valse glimlach. Ik vertrek zonder commentaar. Tegenover de hogeschool duik ik een studentenkroeg in en bestel een hoognodige Duvel.

 

  1. Tripel d’Anvers.

De EuroCitytrein brengt mij in een goed half uur naar de Parel van het Zuiden: Breda. Via de media had ik ontdekt dat het lichaam van Hanno eindelijk door justitie is vrijgegeven, dat de uitvaart gepland is in de Grote Kerk om elf uur, dat zijn ouders de heer en mevrouw Devoogdt en zijn verloofde Bregje Veenema aanwezig zullen zijn, en dat het gemeentebestuur na afloop de ‘nazit’ verzorgt in hotel Nassau. Ik denk dat onze noorderburen met nazit receptie of zoiets bedoelen.

Dorpen, boomgaarden, akkers en kanalen, alles vliegt aan het coupéraam voorbij, maar ik heb er geen erg in. Met mijn gedachten ben ik reeds op Hanno’s uitvaart en oefen wat ik aan zijn verloofde ga zeggen.

Een week lang al ben ik in mijn hoofd met mijn ‘biecht’ bezig. Ze moet weten dat ik echt niet kon voorzien welk drama zich achter mijn rug zou afspelen en waar Hanno het slachtoffer van werd. Ik wil haar troosten met de gedachte dat Hanno in de laatste minuten van zijn leven dankbaar en blij was vanwege mijn traktatie. En misschien ook wel om naast de knappe Aisha te kunnen zitten. Nee, dat laatste ga ik zeker niet zeggen.

De trein arriveert mooi op tijd en ik kan rustig door het zonovergoten stadspark naar de Grote Kerk wandelen. Een miezerige regen zou bij de gelegenheid beter passen. Dit weertje – bedenk ik - maakt de dood nóg onrechtvaardiger.

In dichte drommen betreden we de Grote Kerk en worden opgevangen door de medewerkers van de uitvaartonderneming. Geen familie om te begroeten? Bij ons gaat het er enigszins anders aan toe. Ik teken het condoleanceregister en zoek mij een plaatsje in de banken van de overvolle kerk. De akoestiek is indrukwekkend en ik geniet ten volle van de weldadige klanken van Bachs orgelmuziek.

Nadat de predikant familie en aanwezigen heeft verwelkomd, volgen gebeden en Bijbellezingen. Het leven van Hanno wordt geschetst door een studiegenoot. Van de doden niets dan goeds, zegt men vaak, maar de goedlachse Hanno blijkt wel een uitzonderlijk positief ingestelde mens te zijn geweest.

Hanno’s broer Harald zorgt voor de vrolijke noot met talrijke amusante anekdotes. Bizar eigenlijk, hoe een lachsalvo van honderden mensen even wat extra energie geeft om daarna verder te treuren.

Wanneer Bregje achter de micro gaat staan krijg ik een brok in de keel. De aanblik van haar hoogzwangere, bolle buik is als een dolksteek in mijn hart: daar groeit de baby van Hanno. Omdat ik hem mijn plaats deed innemen zal een kind zijn of haar papa nooit kennen. Het zal zich tevreden moeten stellen met de grappige verhalen van oom Harald.

Bregje is niet goed in het verstoppen van haar gevoelens. Maar ze is dapper en sterk. “Het leven geeft, het leven neemt. Toen ik jou leerde kennen, Hanno, was het alsof eindelijk alles klopte. Liefde, dacht ik, dachten wij, was vasthouden. Liefde, weet ik nu, is ook loslaten. Het is leren verder leven, zonder jou. In de stilte zoek ik tevergeefs jouw woorden. In mij voel ik jouw vrucht, met jouw hartslag. Jij geeft me de moed om de toekomst van onze liefde vorm te geven.”

De beklemming in mijn borst is ondraaglijk. Ik kan niet blijven tot het dankgebed en de slotzegen. De frisse buitenlucht maakt het ademen iets makkelijker. Langzaam bekom ik van de emotie. Hotel Nassau en de nazit laat ik links liggen: Bregje en de rest van de familie condoleren is wel het laatste dat ik nu aankan. Ik verlaat het Kerkplein en kom om de hoek, op de Havermarkt bij Café Bruxelles. In de meest Belgische stad van Nederland zit ik eenzaam aan een tafeltje, met een Tripel d’Anvers voor mijn neus. Ik besluit haar een brief te schrijven.

 

  1. Leffe Blond.

“Geachte Bregje Veenema,

Met diep respect bied ik u mijn oprechte verontschuldigingen aan voor mijn handelen. Mijn vlucht uit angst heeft ertoe geleid dat uw verloofde, Hanno Devoogdt, in ernstig gevaar is gebracht en om het leven is gekomen. Ik besef terdege dat dit verstrekkende en tragische gevolgen heeft voor u en uw ongeboren kind.

Ik betreur ten diepste dat mijn paniekreactie heeft bijgedragen aan het ontstaan van zo groot leed. Hoewel ik geen volledig beeld heb van de uiteindelijke gebeurtenissen na mijn vertrek, voel ik een zware verantwoordelijkheid. Mijn voorgevoelens en de manier waarop ik daarop reageerde, hebben omstandigheden veroorzaakt die u diep verdriet hebben gedaan.

Met oprechte groet,
Filip V.B.”

 

Na lang wikken en wegen, schrappen en herschrijven, staat het nu eindelijk op papier. Ik herlees het, en herlees het, en denk: is dat al? Moet Bregje en haar baby het hier mee stellen? Wat krabbels vol fatsoen om mijn geweten te sussen en mijn nachtrust te herstellen!

De excuusbrief ligt al drie dagen op de schouwmantel. Ik kom er niet toe hem te versturen. Elke dag denk ik: morgen zal ik beslissen. Intussen kom ik steeds mezelf tegen: de innerlijke vrede wil niet weerkeren. Ik ben getuige van mijn onvermogen om de dingen te zien zoals ze echt zijn.

Ik besluit om wat te wandelen, wat al vaker de knopen in mijn hersens heeft ontwart. Even later sta ik tot mijn eigen verbazing voor de grafsteen van mijn grootvader, mijn oude toeverlaat. Het lijkt een eeuwigheid geleden dat ik naast hem in de tuin zat en ademloos luisterde naar zijn verhalen over de mieren, over de bijen, over de vogels… Met mondjesmaat lepelde hij mijn jonge ik zijn wijsheid in. Grijze haren en een gouden hart. Als ik verdrietig was zette hij zijn blonde Leffe even opzij, nam me in zijn armen, drukte me tegen zijn flanellen hemd dat naar tabak rook, en begon te neuriën. Op geen tijd was ik weer in balans. Nu sta ik voor het arduinen deken dat hem toedekt. “Dag, grootva. Kan je mij nog een keer raad geven?”

Het is windstil. In de rust van het kerkhof voel ik zijn aanwezigheid, warm en vredig. Ik hoor zijn oude, sonore stem als een innerlijke resonantie. Zijn liefdevolle boodschap is woordeloos maar helder. Hij neemt mijn twijfels weg en geeft me richting. Ik sluit mijn ogen en het is alsof hij me na de zoveelste levensles weer even oppakt, me dan met mijn beide voetjes op de grond zet en me een duwtje in de rug geeft. Om de wereld te gaan veroveren.

 

  1. Water.

Een nieuwe zonsondergang. Een nieuwe brief. Mijn grootvader heeft volkomen gelijk. Alvorens ik Bregje een brief stuur, moet ik een strategische afweging maken. Wat is het belangrijkst: mijn geweten zuiveren óf beter Bregje niet belasten met kennis die haar nog meer pijn kan doen? Dat verandert alles. Een verontschuldiging voor een daad waarvan de ontvanger het bestaan niet kent, komt niet alleen raar over, maar mogelijk zelfs verontrustend of onbetrouwbaar.

“Ik schrijf u deze brief omdat ik heb verzuimd een handeling te vermelden die cruciaal was in de gebeurtenissen die tot de dood van Hanno hebben geleid. Voorafgaand aan het incident heb ik mijn positie aan hem afgestaan, waarna hij in mijn plaats werd getroffen.”

Nee, nee! Waar ben ik mee bezig? Dit zal een nieuwe, pijnlijke schok voor Bregje zijn. En voor mezelf kan het juridische gevolgen hebben als het niet verstrekken van informatie strafbaar zou blijken. Het kan ook haar beeld van Hanno's laatste momenten veranderen. “Sorry grootva, deze oplossing heb jij vast niet bedoeld.” Hoe kan ik mijn geweten tot rust brengen, zonder onnodige en potentieel schadelijke details te onthullen? Ik wil niet mijn specifieke rol benadrukken, maar wel mijn spijt en medeleven…

“Geachte mevrouw Veenema,

Ik schrijf u met een bezwaard hart, na het vernemen van het overlijden van uw verloofde, Hanno Devoogdt. Hoewel woorden ontoereikend zijn, wil ik u en uw ongeboren kind mijn diepste medeleven betuigen met het verlies dat u heeft geleden.

De kennis dat ik deel uitmaakte van de omstandigheden waarin dit heeft kunnen gebeuren, laat mij niet los. Het besef dat mijn aanwezigheid die dag heeft bijgedragen aan de reeks gebeurtenissen die tot deze tragedie hebben geleid, vervult mij met intens verdriet en een blijvend gevoel van spijt.

Ik kan mij uw leed niet voorstellen en er is niets dat dit ongedaan kan maken. Mijn enige doel met deze brief is om, hoe ontoereikend ook, erkenning te geven aan het leed dat is veroorzaakt en mijn oprechte deelneming te betuigen.

Met groot respect voor uw verdriet,
Filip V.B.”

 

Ziezo, ik denk dat deze versie heel wat beter is. Nu de focus op Bregjes leed ligt en niet op mijn eigen catharsis, lijkt me dit aanvaardbaar. Ik geloof niet dat ik nu nog klink als iemand die wat te verbergen heeft. Gewoon een getuige die het wat moeilijk heeft met zijn aandeel in een collectieve tragedie.

Nu ik dat van mij af heb geschreven kijk ik uit naar een verkwikkende nachtrust. Tevreden drink ik nog een glas water en vul een tweede om mee te nemen naar bed.

 

  1. Nespresso.

Een schreeuw om hulp. Ik schiet rechtop in bed. Ik snak naar adem. Mijn hart klopt razend in mijn keel. Ik ben drijfnat. Voel me plakkerig. De stilte in de donkere slaapkamer maken me duidelijk dat het maar een droom was. De kreet echoot nog na.

Ik zwaai mijn benen uit bed. Mijn voeten raken de koude vloer. Op de tast vind ik het glas en drink het in één teug leeg. Ik raadpleeg mijn mobieltje: het is vijf voor vijf. Eigenlijk te vroeg om op te staan maar ik neem liever niet het risico die droom te moeten herbeleven. Ik sta op.

Op automatische piloot trek ik over mijn pijama een dikke trui aan, maak een Nespresso en zet me met het kopje aan de keukentafel. Buiten is het nog donker en stil, iedereen slaapt de slaap der onschuldigen. Ik tracht wijs te worden uit de flarden van de droom die ik me herinner.

Een huilende Aisha die zich vastklampt aan mijn arm. Ik worstel me vrij en bind haar vast op haar barkruk. Een lachende Hanno houdt me geklemd in een stevige knuffel. Ik worstel me vrij en bind hem vast op zijn barkruk. De barista zwaait met de rekening en houdt mij bij de arm tegen. Ik worstel me vrij en bind hem vast aan de toog. Ik trek de deur van de bar achter me dicht en sta buiten oog in oog met twee gewapende mannen. Ze richten hun pistolen op mij en… ik brul mezelf wakker.

Het eerste licht breekt stilaan door. Het nachtblauw geeft zich gewonnen aan het zachtroze van de ochtend. Ik pak de brief voor Bregje, herlees hem nog een keer, zucht diep en leg me erbij neer. Moet dit een oprechte excuus voorstellen? De echte Pontius Pilatus verbleekt hierbij. Ik houd met beide handen de brief omhoog en langzaam, millimeter per millimeter, scheur ik het blad middendoor.

Met een afwezige blik volg ik mijn overbuurvrouw: ze waggelt van een taxi naar haar voordeur, op blote voeten, stiletto’s in de hand. Ze heeft weer een zware nacht gehad.

Ik sluit even mijn ogen en denk aan de zwangere Bregje. Ik vraag me af wanneer ze zal bevallen. Zonder Hanno.

 

  1. Eau non potable / Geen drinkwater

De toezichter van de begraafplaats kijkt me streng onderzoekend aan wanneer hij de poort opent. Wellicht gebeurt het niet zo vaak dat iemand zich voor het openingsuur hier aanbiedt. Met een vriendelijk knikje loop ik hem voorbij, zonder uitleg. Ik heb dringender zaken te doen.

“Dag grootva,” zeg ik met gedempte stem, “Filip weer. Het lukt me niet. Ik heb tevergeefs gepoogd om mij te bevrijden van dat schuldgevoel, maar met een sorry sturen naar de weduwe kom ik er niet vanaf. Het lijkt er sterk op dat ik tracht mijn hoofdpijn door te geven aan die arme, aanstaande moeder. Hoe egoïstisch is dit? En na eerst haar Hanno in de vuurlinie te hebben gestuurd! Wat moet ik nu doen? Ik ben terug bij af. Moet ik mij als een crimineel melden bij de politie? Misschien kan ik beter een afspraak maken bij een psychiater? Of overdrijf ik weer en is dit gewoon aanstellerij?”…

“Je zwijgt. Vroeger waren mijn vragen veel simpeler, ik weet het. Is je stilte nu een subtiele hint, of een grens? Zo van ‘Je bent oud en wijs genoeg om dit zelf op te lossen’? Keur je mijn gedrag af? Vind je dat mijn vlucht getuigde van lafheid? En vind je dan die brief de heimelijke voortzetting van die lafheid?”…

“Ach grootva, je afkeurende zwijgen zegt meer dan welke morele terechtwijzing ook. Het spijt me dat ik je teleurstel. Ik geloof dat je me dit pas gaat vergeven als ik het heb goedgemaakt. Zo was het toen, zo zal het nu zijn. Goed, ik zal het proberen. Tot later.”

Wanneer ik aan het eind van de wegel kom, bij de afslag naar de strooiweide, wil ik mijn dorst lessen aan het groen geoxideerde kraantje. Een waarschuwingsbord ontraadt me dat ten stelligste. Ik wil niet weten waarom: het bezorgt me een koude rilling.

In mijn hoofd zijn Hanno, Bregje en hun aankomende kindje voortdurend aanwezig. Ik moet absoluut hier met iemand over praten. Iemand levend. Maar wie?

 

  1. Moedermelk.

Minutieus overloop ik thuis mijn adressenlijst. Al mijn familieleden, vrienden en zelfs professionele contacten passeren de revue, maar geen enkele boezemt me vertrouwen in om een openhartig gesprek aan te gaan over deze delicate kwestie. Wat zegt dit over de diepgang van mijn relaties? Oppervlakkigheid troef!

Zoals wel vaker gebeurt, wanneer de urgentie van een online zoekactie slabakt, ga ik in een soort gedachteloze toestand willekeurig zitten browsen. Zo zit ik na een tijdje te speuren naar babyboetieks in Breda… vind daar Dot&Julot… die ‘toevallig’ een pas geopende geboortelijst hebben: floreveenema-punt-wilgraaghebben-punt-nl !

Meteen schakelt mijn brein van stand-by naar full operational mode! Ik doe gauw een search naar de verspreidingsgraad van de naam Veenema in Breda. Antwoord: zeer zeldzaam, statistisch gezien tussen de 0 en 5. Geen twijfel mogelijk. Deze Flore is het pasgeboren dochtertje van Bregje en Hanno!

Ik scan de prijzen van de gewenste artikelen: die gaan van 3€95 voor dierensokjes, via 22€95 voor een knuffel, tot 34€95 voor katoenen mousseline inbakerdoeken. Ik concludeer dat Bregje een heel bescheiden mama is. Bij elk artikel klik ik op de Koop!-button en voel me beetje bij beetje lichter worden. Met toenemend plezier blijf ik klikken tot er op haar lijst geen hebbeding meer overblijft. Het totaal bedraagt 393€45.

In mijn verbeelding zie ik het warme lijfje van Flore tegen de blote borst van Bregje. Gulzig zuigt ze aan de tepel. Met haar oogjes halfdicht luistert ze onder het drinken naar de geruststellende hartslag van haar mama. Wat een hemels tafereel. Hanno is de grote afwezige.

Ik staar naar het bedrag en denk: amper 400€. Hiermee koop ik dus mijn geweten vrij... De met het klikken opgebouwde vreugde spat als een zeepbel uit elkaar. Waar ben ik mee bezig?

Opnieuw overvalt me het gevoel een goedkope bedrieger te zijn. Ik probeer hier mijn schuld in te lossen met dertig zilverlingen. Ik verlaat zonder af te rekenen de website van de babyboetiek en zet mijn computer uit. Ik pak mijn jas, trek de deur dicht en loop de straat uit. Ik ga naar Breda.

 

  1. Jenever.

Voor de tweede maal in mijn leven betreed ik de Grote Kerk. Het is de enige mij vertrouwde plek in deze stad – nu ja, afgezien van een Belgische kroeg hier om de hoek. Ik loop wat rond, niet als een enthousiaste toerist die ijverig het monumentale interieur, de praalgraven en de middeleeuwse muurschilderingen bestudeert, maar meer als een dakloze op zoek naar een geschikte schuilplaats.

Op een tafel liggen enkele tijdschriften en een parochieblaadje. Met lauwe interesse blader ik het door. In de rubriek Lief & Leed valt mijn oog op deze aankondiging:

"Aanstaande zondag vieren wij de doop van Flore Veenema. Terwijl wij de naam van dit kindje in Gods hand leggen, gedenken wij met groot verdriet de vader, Hanno Devoogdt, die de geboorte van zijn dochter niet meer mocht meemaken. In een tijd van onbeschrijfelijk verlies zoeken wij troost in de belofte dat dit kindje nooit alleen zal zijn. Wij hopen op een gezegende dienst voor Bregje Veenema en alle naasten."

Ik kijk naar de datum: dat was vorige zondag. De teleurstelling moet van mijn gezicht te lezen zijn, want een warme stem vraagt heel meelevend: “Kan ik u helpen? Ik ben Jan Bosch, de predikant van de kerk.” Naast mij staat een man van middelbare leeftijd met grijze kuif, beige ribfluwelen broek en crèmekleurige trui met rolkraag. Zijn oprechte glimlach in combinatie met een sint-bernards-blik maken mij week. Ik zeg: “Ik ben Filip. Ik …” Ik doe een poging om te vertellen wat ik zoek, maar de brok in mijn keel belet het, en tegelijk voel ik mijn ogen vochtig worden. Hij legt zijn hand op mijn schouder en zegt: “Een bakje troost? En een kleine jenever erbij, misschien? De Heer begrijpt dat een mens soms wat stevigheid onder de voeten nodig heeft.”

Twee minuten later zit ik in de pastorie in de kamer van de dominee. Zijn al even vriendelijke echtgenote brengt ons twee koffies, terwijl hij de borrelglaasjes tot de rand toe vult met een oude jenever. Ik hef voorzichtig mijn glas in de hoogte en zeg: “Gezondheid, dominee Bosch.” “Voor jou ben ik vandaag gewoon Jan,” antwoordt hij.

De krachtige alcoholgeur dringt binnen in mijn neus en de flinke slok die ik neem jaagt de brand door mijn mond, keel en slokdarm. Vervolgens verspreidt de warmte zich vanuit mijn maagstreek en een gevoel van ontspanning maakt zich van mij meester. Het geeft me moed.

Dominee Bosch, Jan dus, wacht heel geduldig. Hij geniet van de drank en van het moment. Van ons samenzijn ook. En hij luistert naar wat komen gaat.

 

  1. Hemelwater.

Zo rustig mogelijk vertel ik Jan wat er in Antwerpen die bewuste namiddag is gebeurd. Hoe Aisha mij aanklampte op zoek naar bescherming. Hoe ik in de koffiebar het benauwende gevoel kreeg in de val te zitten. Hoe binnenkomende Hanno de reddende engel leek. Hoe ik laaghartig het dreigende gevaar ontvluchtte en de anderen aan hun lot overliet. Ik vertel dat ik uiteraard treur om de jammerlijke dood van Aisha en de barista, waarvan ik de naam al vergeten ben.
“Maar Hanno,” zeg ik, “Hanno heb ik ter dood veroordeeld. Hanno zou zeker het overvolle koffiehuis weer verlaten hebben, had ik hem niet mijn zitje aangeboden. Bovendien heb ik hem nog extra gelijmd met een gratis koffie. Sinds het drama is die jongeman - en met hem zijn verloofde Bregje en hun dochtertje Flore - niet meer uit mijn gedachten, en uit mijn nachtmerries geweest. Schuld en schaamte vreten mij op en tevergeefs zoek ik vergiffenis.”

Het getik van de wandklok vult na mijn biecht de kamer. Jan laat de stilte betekenisvol duren, vouwt zijn handen ineen en bekijkt me met een blik van diep medeleven.

“Ik hoor hoe zwaar deze last voor je is. Wat je beschrijft, is een zeer traumatische menselijke ervaring: het gevoel dat jouw handelen direct verbonden is met het noodlot van een ander. Het is een grote last om te dragen. Maar schuldgevoel en schaamte zijn gevoelens die duiden op je menselijkheid, niet op je slechtheid. Ze laten zien dat je een diep moreel besef hebt, ook al voelt het op dit moment meer als een straf.”

Jan nipt nadenkend van zijn borrel en vervolgt: “Je hebt gehandeld uit angst. Ook dat is menselijk. Je gaf je plaats af omdat je wilde leven. Dat is een instinct dat God in ons allemaal heeft gelegd. Jij hebt geprobeerd te overleven. Dat Hanno daar de prijs voor betaalde, is een ondraaglijk kruis voor je. Maar jij hebt niet de trekker overgehaald; en dat maakt van jou geen moordenaar.”

Ik hoor Jan, ik weet dat hij gelijk heeft, maar zijn geruststellende woorden nemen de last niet van mijn schouders: ”Omdat ik te bang was moet een vrouw nu verder zonder man en een kind zonder vader.”

Jan knikt langzaam en zucht diep. “Vergeving is niet simpel. Het is geen schakelaar die ik voor je kan omzetten. Mijn begrip neemt de consequenties van jouw handelen niet weg. De vraag die God je nu stelt, is niet: 'Waarom heb je het gedaan?', maar: 'Wat doe je met de schuld die je nu draagt?' En daarom is het nu onze taak, de jouwe en de mijne, om ervoor te zorgen dat die kleine Flore straks weet wat liefde is. We kunnen Hanno niet terugbrengen door jou kapot te laten gaan aan dit geheim. Laten we jouw angst omzetten in zorg voor wat hij achterliet. De schuld wordt afgelost met een offer.”

“Hoezo?” vraag ik.
Jan, nu volop zielenherder: “Met 'onze taak' bedoel ik dit: ik ga jouw zonden niet kwijtschelden, maar ik zal wel je hand vasthouden als we naar haar toe gaan. Jij gaat haar niet vertellen wat een lafaard je bent, maar je gaat haar vertellen dat Hanno's laatste daad — onbedoeld of niet — jou het leven heeft geschonken. En dat jij dat leven vanaf nu in dienst stelt van zijn kind. Dat is hoe we de angst verslaan: door er zorg voor in de plaats te zetten. Kom op. Laten we meteen vertrekken. Bregje woont op wandelafstand."

Wanneer we de pastorie verlaten regent het. Jan grapt: “Kijk, Filip, de zegen van boven hebben we al. Nu die van Bregje nog.” En hij trekt me mee onder zijn paraplu.

 

  1. Soep.

‘Op wandelafstand’ blijkt naar Bredase normen een rekbaar begrip. Bij elke stap die we dichterbij komen krimpt mijn hart verder ineen. Ik vermoed dat Jan op zijn hoede is voor een eventuele vluchtpoging, want hij houdt me stevig bij de arm. Om mij moed te geven zegt hij: “Denk erom, Filip, we gaan daar niet naar binnen om een vonnis op te halen. We gaan daar naar binnen om de waarheid ademruimte te geven.” Het vooruitzicht kikkert me weinig op.

Jan reikt naar de deurbel, maar houdt zijn hand een seconde stil. Hij kijkt me indringend aan. "Ik doe het woord, totdat jij voelt dat je hart weer klopt. Maar zodra we binnen zijn, ben je niet langer de man die vlucht. Dan ben je de man die is teruggekomen." Met een beslist gebaar drukt bij op de bel.

Even later gaat de deur, die wat klemt, met een slepend geluid open. Bregje staart ons verwonderd aan. In de holte van haar arm wiegt ze de baby. “Dominee?” vraagt ze. “Wat brengt u zo onverwacht tot hier?”
“Dag Bregje, onverwacht maar niet ongelegen, hoop ik. Zie je, deze man, Filip, had een steen in zijn maag die hij niet langer kon dragen. En ik dacht dat het goed was als ik hem hielp om die hier neer te leggen.”

Het is duidelijk dat Bregje er niets van begrijpt, maar ze vertrouwt haar predikant voldoende om ons beiden binnen te laten. De woonkamer geurt naar babyproducten. Ze wijst zwijgend naar de bank. Zelf zet ze zich in de fauteuil, de baby nog steeds stevig tegen zich aangedrukt, als een levend schild.

Ik zit onbeweeglijk, kijk naar mijn schoenen - die ik eens dringend zou moeten poetsen - en wacht af. Jan schraapt zijn keel en begint: “Weet je, Filip, vorige week heb ik dit kind gedoopt. Ik heb haar beloofd dat de waarheid haar vrij zou maken. Maar die belofte geldt niet alleen voor de dopeling. Die geldt voor de hele gemeente." Hij zwijgt en knikt me bemoedigend toe.

Hoe moet dit nu? Ik kan dit niet. Ik voel me onwel worden. Met een verontschuldigende blik kijk ik naar Jan die streng en dwingend terugkijkt. “Ik… ik was gewoon klaar met mijn koffie,” zit ik het alweer te verbloemen. “Toen Hanno binnenkwam was het zo druk, ik dacht: ik ben gedienstig, ik ga wel wat vroeger door. Dan heeft hij een plekje. Het was... het was gewoon toeval, Bregje.”

Ik voel Jan naast mij verstijven. Zijn ambt weerhoudt hem wellicht om mij een klap te geven. “Gedienstigheid,” herhaalt hij, en het woord klinkt in zijn mond als as. “Dat is een mooi woord, Filip. Maar vergeet niet dat God niet naar onze mooie woorden luistert, maar naar het kloppen van ons hart. Een fundering van zand kan geen huis dragen zegt Matteüs, en een vriendschap van halve waarheden kan geen troost bieden.”

Ik knik instemmend, slik mijn angst door en probeer het opnieuw: “Hanno had daar niet moeten zijn. Het was mijn lot. Ik wist dat ze zouden komen, ik voelde dat het mis was en ik… ik ben een lafaard geweest. Ik heb hem mijn plek laten innemen.” Ik zwijg, uitgeput, leeg, nederig.

Bregje zit doodstil. Alleen haar hand strijkt zachtjes heen en weer over het ruggetje van Flore. Jan zegt tot haar: “Filip denkt dat hij Hanno’s leven gestolen heeft. Maar ik denk dat Hanno voor Filip een taak heeft nagelaten. Filip is hier niet om vergeving te smeken, want dat is een te groot woord. Hij is hier om te zeggen dat hij vanaf nu niet meer zal wegrennen. Bregje, begrijp me goed, hij is hier niet om Hanno te vervangen — dat kan niemand. Filip beseft dat hij zijn dagen vanaf nu in bruikleen heeft. Hij is hier om te beloven dat hij die extra tijd die hij gekregen heeft, zal gebruiken om de zorg te dragen die Hanno niet meer kan geven. Niet als vader, maar als de trouwe vriend die ervoor zorgt dat het dit kind aan niets ontbreekt.”

Jan keert zich opnieuw naar mij: “Verantwoordelijkheid is de enige vorm van boete die telt. Je kunt je schuld niet afkopen met tranen. Je kunt haar alleen dragen door vanaf vandaag de zorgplicht voor Flore te aanvaarden die Hanno niet meer kan vervullen.” Met een nauwerlijks hoorbare stem beaam ik: “Ik zal er steeds voor haar zijn.”

Bregje tracht te bekomen van de verwarring en de rauwe eerlijkheid van iemand die niets meer te verliezen heeft. Ze kijkt naar Flore en dan naar mij: “Ik weet niet wat ik met je schuldbekentenis aan moet. Ik kan niet zeggen dat het goed is. Want het is niet goed. Hanno is er niet meer. Hij had een hekel aan lafaards. Maar Jan heeft gelijk. Ik kan dit niet alleen. Hanno zou willen dat zij alles kreeg wat haar toekomt. Zelfs als het via jou moet komen.”

"Zo is het genoeg voor vanavond," zegt Jan zacht. Hij legt een hand op mijn schouder, ten teken dat wij nu moeten opstaan. "De waarheid is een zaadje, Bregje. Het is vandaag geplant in harde grond. We moeten het de tijd geven om te groeien."

Bij het vertrek durf ik Bregje niet aan te kijken en geef haar een onhandige handdruk. Bij de deur draait Jan zich nog even om: “Morgenmiddag komt mijn vrouw even langs met wat soep.”

 

  1. Limonade.

Een ansichtkaartje in de brievenbus. Vooraan: de jachthaven ‘Marina Schokkerstrand’. Achteraan: Zonnige groeten aan Filip Van Beneden en aan ‘Fip’! Getekend: Bregje en Flore.

Ik zet het kaartje op de schouwmantel, goed zichtbaar. Flore die nog maar pas leert praten, noemt me Fip. Ik beschouw het als een eretitel.

Een keer per maand pendel ik naar Breda. Meestal met een speeltje en taart of pralines. Nooit meer met bloemen – dat misverstand hebben we uitgeklaard. Bregje vreesde een aanzoek. Alsof ik dat recht zou hebben.

Op naam van Flore Veenema hebben we ook een kinderspaarrekening geopend. Elke maand stort ik punctueel tien procent van mijn loon. Op de dag dat zij achttien wordt heeft zij volledige zeggenschap over het geld, en kan de jongedame zelf beslissen wat ze ermee doet. Het is het enige wat ik momenteel voor haar kan doen. Als ze wat groter is zien we nog wel.

Dominee Bosch zegt dat schuld een kompas is, geen gevangenis. De meeste dagen geloof ik hem: het geeft me richting. Andere dagen, als ik 's nachts wakker lig, ben ik weer terug in die koffiebar.

Vorige maand vroeg Bregje of ik wilde overnachten. Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. Ze bleek een date te hebben. Frank Zimmer uit Zwolle. Hij werkt bij Rijkswaterstaat en woont op een woonboot. Toen ze over hem vertelde zag ik haar eindelijk lachen.

Ik dronk die avond al babysittend alle limonade op. Bij gebrek aan jenever.

Frank valt best mee, denk ik. Flore mag hem graag. Vroeg of laat zullen ze noordwaarts verhuizen, en bij Frank intrekken. Mijn bezoeken zullen dan zeldzamer worden.

Het is goed zo. Ik ben geen vader. Ik ben de man die bleef toen hij had kunnen vluchten. Voor de tweede keer.

Soms is dat genoeg.

 

EINDE

Rene Jochems, Kontich 5 januari 2026.